Mondriaan

In beginsel was ik bereid om op een verzoek van De Groene Amsterdammer om een interview in te gaan. Inmiddels echter heb ik daarvan afgezien en ik hecht eraan u de reden van mijn negatief besluit uit de doeken te doen.
Zolang ik publiceer, ben ik van mening geweest dat een artikel - hoezeer de inhoud op zichzelf staat - een zekere nuancering, kleur krijgt door het orgaan waarin het wordt gepubliceerd. In mijn bibliografie - ik heb tot mijn verbazing geconstateerd dat ik in zo'n honderdveertig periodieken heb gepubliceerd - zult u dan ook niet De Telegraaf aantreffen.

U zult wel van mij willen aannemen dat ik De Groene niet met De Telegraaf zou willen vergelijken en mijn afwijzend antwoord heeft dan ook niet met De Groene in het algemeen te maken, maar met een recente publikatie i.c. het artikel ‘Bloemen voor Mondriaan’ (De Groene van 9 maart). 'Mondriaan heeft de natuur finaal uit het geestelijke weggezeefd. Het onheil is geschied’, aldus de auteur. Mondriaan is weliswaar niet de enige die slechts in het geestelijke van de kunst is geinteresseerd, maar: 'hij blijft zonder meer de meest zuinige en doctrinaire van het stel (abstracte kunstenaars - al) en tot op de dag van vandaag is hij medeverantwoordelijk voor de bloedeloosheid van het merendeel van de (…) beeldende kunst. Als er door iets wordt bewezen dat zuivere autonome kunst een illusie, zelfs boerenbedrog is, zwendel (…), dan is het wel door de schilderijen van Piet Mondriaan. (…) “Dat kan ik ook”, zo luidt het adagium van de a-culturele boerenlul bij het zien van een Mondriaan (…), een kern van waarheid schuilt er in zo'n stereotype wel degelijk.’
Al lezende kreeg ik een 'schok der herkenning’. Vijfendertig jaar geleden liet de kunstcriticus van Het Parool, Prange, een dergelijk geluid horen: 'Onthutste museumbezoekers hadden aan Het Parool geschreven dat op een tentoonstelling schilderijen hingen die nog erger zijn dan Appel; nog erger humbug. En vooral vooral gevaarlijker. Er waren zelfs criminele schilderijen.’ Ook Prange was van mening: 'Dat deze nihilistische, anti-democratische schilderijen in een museum hangen is een schande.’ Maar, zo verhelderde hij: 'De schande bestaat niet daarin dat de misdadige schilderijen in een museum hangen, maar dat zij worden gemaakt.’
In mijn artikel 'De schok der herkenning’ (Maatstaf, december, 1960, herdrukt in: De draad van Ariadne, 1966), concludeerde ik dat de beschouwingen van de kunstredacteur van Het Parool niet nieuw waren, maar plagiaat. Op 18 juli 1937 bij de opening van een tentoonstelling van 'entartete Kunst’ sprak Adolf Hitler over de misdadige 'Kulturzersetzung’ der moderne kunst. Twee jaar tevoren had hij reeds, op het Partijcongres, schuimbekkend aangekondigd dat de 'dadaistisch-kubistischen und futuristischen Erlebnis- und Sachlichkeitsschwatzer, deze dwazen, oplichters en misdadigers in de gevangenis of in een gekkenhuis behoorden’.
Op bevel van Hitlers minister voor Cultuur Goebbels werden zestienduizend werken uit musea verwijderd, waarvan er vijfduizend werden verbrand.
Terug naar het bloemrijke verbalisme van de auteur van 'Bloemen voor Mondriaan’: 'Het meest deprimerende van de hele zaak is dat er voorlopig nog absoluut geen einde aan deze cultus van het concept in zicht is.’ Dit dank zij het complot tussen 'museumdirecteuren en andere tentoonstellingsmakers, kunstcritici in dag- en weekbladen’ en 'natuurlijk dat hele complex van de kunsthandel’.
Ook dit is plagiaat, evenwel niet van Hitler maar van Prange. Hij schreef, ik parafraseer: dat men hier te doen heeft met een geval van grandioze humbug, van systematische oplichterij, waarvan de directeuren der moderne musea in de gehele wereld slachtoffer zijn, soms trouwens verenigd in een komplot met kunsthandelaren en snobs.
'Wie zou Prange het genoegen willen ontnemen’, schreef ik indertijd, 'het gehele oeuvre van Picasso, deze “opgeblazen kikker”, doodeenvoudig “zwendel” te vinden, de “verbluffendste vervalsingsgeschiedenis der laatste vijftig jaren”. En wie zou daarover met hen willen discussieren? Het is dus veeleer een geval voor Dr. P. J. Koets, de hoofdredacteur van Het Parool.’ Zo zou ik nu willen zeggen: Wie zou de auteur van 'Bloemen voor Mondriaan’ het genoegen willen ontzeggen op te fleuren bij het zien van bloemschilderijen van Van Erven? En er is dus veeleer een probleem van de redacteur van cultuur van De Groene.
Sinds de jaren twintig ben ik een bewonderaar van het werk van Mondriaan. Buitendien was ik door een bijzondere vriendschap met hem verbonden. Alleen die hem hebben gekend, zullen dit 'bijzondere’ begrijpen. Voor mij zou het verraad betekend hebben aan mijn vriendschap een bijdrage te leveren aan een weekblad dat een dergelijk smaadschrift publiceert over Piet Mondriaan.
Le Plessis, Frankrijk