Mondriaan

Eind 1934 heeft de Amerikaanse kunstenaar Harry Holtzman vijftig dollar opgespaard. Daarvan reist hij naar Parijs om Mondriaan te zien. Hij kent twee schilderijen op dat moment, en hij kan kennelijk nergens anders meer aan denken. Coos Versteeg neemt Holtzmans verslag van de ontmoeting over in zijn Mondriaan, een leven in maat en ritme.

‘Ik kende niemand in Europa; mijn kennis van het Frans was zeer gebrekkig en het was dan ook met kloppend hart dat ik besloot bij Mondriaan aan te bellen in de Rue du Départ 26; brutaal, onaangekondigd; ik wachtte tot de schemering was ingetreden. Mondriaan deed open.’ Dan citeert hij Mondriaan: ‘Ik ken een beetje Engels… Dit is zeer ongewoon… Komt u toch binnen…’ Holtzman schrijft: ‘Wij hebben drie uur onafgebroken, geanimeerd met elkaar zitten praten. We konden meteen goed met elkaar opschieten, ondanks het verschil in leeftijd: Mondriaan was tweeënzestig, ik was tweeëntwintig.’

Zes jaar later haalt Holtzman Mondriaan naar New York. Hij is inmiddels zo kapitaalkrachtig dat hij de overtocht voor hem kan betalen. Hij haalt hem af als de boot aankomt, zoekt een atelier, betaalt de huur voor hem.

En nu, dat is wat mij betreft het mooiste nieuws van de afgelopen dagen, komen alle 54 brieven van Mondriaan aan Holtzman op internet. Het is de eerste stap in een complete publicatie, in boekvorm en digitaal, van de 1500 brieven die er van Mondriaan zijn. Het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie en het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis werken hiervoor samen, en de verwachting is dat het net zo’n bijzondere uitgave wordt als van de brieven van Van Gogh.

De NRC kopte: ‘Uit complete correspondentie blijkt: er was ook een frivole Mondriaan’. Dat geloof ik graag, ik heb er zelfs nooit aan getwijfeld. Lang geleden al heeft hij me verschrikkelijk aan het lachen gebracht. Ik zag, ik weet niet meer of het in Berlijn of Parijs was, een decorontwerp van Mondriaan voor een toneelstuk van Michel Seuphor. Daarnaast was een vraaggesprekje opgehangen. Of hij er geen kubistische kostuums bij had willen ontwerpen? Maar dat was Mondriaans bedoeling helemaal niet geweest: de acteurs moesten achter het decor blijven.

Mondriaan heeft in 1920 een paar korte literaire teksten geschreven: ‘De groote boulevards’ en ‘Klein restaurant – Palmzondag’. Ze zijn in 1987 uitgegeven door Meulenhoff. Mondriaan doet in die verhalen een opwindende poging met zijn tekst boven op het denken te zitten. Geen verhaal over de boulevards van Parijs, geen beschrijving, maar een zo direct mogelijke weergave van het denken en de waarneming. De geluiden van de auto’s, de flanerende vrouwen, de overwegingen hoe lastig het is niet afgeleid te worden door de afzonderlijke dingen, maar de constante veranderlijkheid van het geheel te beleven:

‘Op de boulevard vernietigt het één zich in ’t ander, visueel. In snel en langzaam tempo. Snelle wisseling der onderscheidenheid verbreekt de spanning der zinnelijkheid. (…) Teniet doen van ’t bijzondere is komen tot eenheid – zegt de wijze. Negerkop, weduwenkap, schoentjes van een Parisienne, beenen van een soldaat, rad van een kar, enkels van een Parisienne, stuk plaveisel, gedeelte van een dikke heer, wandelstokknop, stuk van een nieuwsblad, lantaarnpaalvoetstuk, roode veer… ik zie slechts deelen van ’t bijzondere.’

Al doende kwam Mondriaan tot de slotsom dat in de literatuur niet mogelijk is wat in de schilderkunst en de muziek wel kan. Hoewel hij er met volle inzet aan had gewerkt, was hijzelf zonder twijfel de eerste die zag dat deze twee verhalen niet meer vormden dan de aanzet tot waar hij naar streefde. Toch beuren deze twee pogingen mij op, ik kan het niet anders zeggen.

De brieven aan Holtzman die ik tot nu toe op internet las, zijn zorgvuldig maar los geschreven. Door hun directheid boeien ze me, en ik zie uit naar de complete uitgave van Mondriaans brieven. Niet omdat je ze nodig hebt om hem beter te begrijpen, maar omdat ze je het gevoel geven dicht bij de grote historische gebeurtenis te zijn die Mondriaans leven nu eenmaal is.

Het is Boekenweek. Moet ik nog een boek noemen? Lees K. SchippersDe bruid van Marcel Duchamp van vier jaar geleden. In de prachtige mengeling van verhaal en essay waar Schippers het patent op heeft, beschrijft hij een bezoek van Mondriaan aan de dakwoning van Peggy Guggenheim in New York. Aanwezig: Max Ernst, Marcel Duchamp, André Breton, Yves Tanguy. Gesprekken over de Boogie Woogies waar hij aan werkt, het surrealisme, de jazz, de ‘Muzikale Vergissing’ die Duchamp met zijn zusjes in elkaar zette. En dan geeft Schippers de mooiste typering van Mondriaan die er bestaat:

‘Om half drie verlaat Mondriaan het huis van Guggenheim en Ernst. Hij heeft niets met Duchamp afgesproken. Ze zien elkaar toch wel weer, op een opening van een tentoonstelling of in een café.

Hij loopt naar zijn huis op de hoek van First Avenue en 56th Street. Het is niet ver. Hij neemt de weg langs de rivier en voelt de koelte die naar hem toe waait en z’n haar verwart. Eerst strijkt hij het recht, het is even windstil, het waait weer en dan strijkt hij het niet meer recht.

Altijd is hij door ritme omgeven, maakt niet uit wat, dit keer z’n haar, de bladeren van de bomen, de schepen op het water. Of beter nog rhythme, de h’s maken het beweeglijker, klankloos zijn ze toch niet overbodig, de zichtbare stiltes binnen wat er overal gebeurt. Zie die kraaien eens wegvliegen!’


De brieven van Mondriaan verschijnen in afleveringen vanaf vorige week op de site Mondriaan.