De eurocrisis leidt tot ontwrichting

Monetair pandjeshuis

Met de afgelopen week toegekende miljardensteun uit Europa is Spanje het vierde land dat aan het Europese reddingsinfuus gaat. De eurocrisis speelt landen uit elkaar en dreigt in een financieel afvalsysteem te veranderen.

Terwijl Nederland ontgoocheld toekeek hoe Oranje in zijn eerste wedstrijd van het EK stukliep op Denemarken hielden de ministers van Financiën van de eurolanden zaterdag een belrondje om het failliete Spaanse bank­wezen te redden. In Charkov werd het 0-1 en de ministers maakten het telefonisch af op honderd miljard. Met dat astronomische bedrag uit het Europese noodfonds willen ze een Spaanse bankrun voorkomen en hopen ze een dam op te werpen tegen verdere verspreiding van de eurocrisis.

De implosie van de Spaanse onroerendgoed­bubbel heeft de bankensector, met name de politiek invloedrijke regionale spaarbanken, de cajas de ahorro, zwaar getroffen en de Spaanse overheid is niet bij machte de financiële gaten te dichten. Na maanden van krampachtige ontkenning heeft de conservatieve premier Mariano Rajoy zijn verzet opgegeven. De Spaanse redding komt net op tijd, want aanstaand weekend is Europa opnieuw in de ban van Griekenland. De verwachte overwinning van de linkse coalitie Syriza bij de Griekse parlements­verkiezingen kan leiden tot een nieuwe golf van financiële onrust in Europa, uitmondend in een chaotisch vertrek van Hellas uit de eurozone. Voordat het zo ver komt, moest het Spaanse banken­probleem uit de weg geruimd worden.

De eurozone krijgt meer en meer het karakter van een monetair pandjeshuis. Spanje is het vierde land in twee jaar tijd dat aan het Europese reddingsinfuus gaat – na Griekenland (twee keer), Ierland en Portugal. Cyprus staat als volgende op de nominatie om gered te worden. De geschiedenis herhaalt zich nooit, maar Griekenland, Portugal en Spanje zijn Europese kampioenen op het gebied van financiële crises: tussen 1800 en de invoering van de euro ging Griekenland vijf keer, Portugal zes keer en Spanje dertien keer bankroet (Duitsland, inclusief afzonderlijke deelstaten in de negentiende eeuw, overigens acht keer).*

Na de bekendmaking van de honderd miljard voor Spanje haastte premier Rutte zich om de reddingsactie toe te juichen. Toeval of niet, drie dagen eerder was Rutte in Madrid voor overleg met Rajoy. Het ligt voor de hand dat ze gesproken hebben over de betrokkenheid van ing bij Spanje. Dochteronderneming ING Direct trekt in Spanje veel spaargeld aan en dat Spaanse spaargeld valt onder het Nederlandse depositogarantiestelsel. Zo is dat in Europa geregeld – denk aan het debacle van Icesave in 2008 toen IJsland garant stond maar geen geld had om gedupeerde Nederlandse spaarders te compenseren. Als de Spaanse bankencrisis overslaat naar ING Direct, dan moet Nederland voor de kosten opdraaien. Dit illustreert de noodzaak om tot Europese afspraken over de bankensector te komen. In feite is de redding van de Spaanse bankensector met Europees geld een stap naar een ‘bankenunie’, een Europees stelsel van toezicht op banken en garantie van spaargelden.

De opgetogen reactie van Rutte op de beschikbaarheid van honderd miljard uit het noodfonds voor Spanje – zeven miljard op conto van Nederland – is opmerkelijk. Want de Nederlandse politiek is tegen. Tegen wat? Tegen meer Europa. Tegen Angela Merkel die onlangs voor een verdergaande politieke unie pleitte. Tegen Herman Van Rompuy die iets dergelijks voorstelde. Tegen iedereen die van mening is dat de eurocrisis richting ravijn gaat tenzij de euro­landen snel erkennen dat een muntunie niet kán werken zonder gezamenlijke politieke besluitvorming over de hoofdlijnen van het nationale begrotingsbeleid, toezicht op het economische beleid en een waarborg voor de spaargelden bij Europese banken.

Rutte deed geen moeite Nederlandse interesse voor de Duitse voorstellen op te brengen, zijn trouwe keffertje Stef Blok verklaarde bij voorbaat dat Nederland tegenstander is van nieuwe Europese regels. De Tweede Kamer wees Merkel nagenoeg unaniem terug in haar hok. Hoe durft die Merkel, brieste Emile Roemer, duidelijk nog niet gewend aan de gedachte dat hij wellicht als toekomstig premier straks zaken met de bondskanselier moet doen. Als dat gebeurt, dan komt hij er snel achter dat Duitse politici het geheugen van een olifant hebben.

Nee, wat betreft Europa zit de Nederlandse politiek de komende maanden op slot. Demissionair premier Rutte moet rekening houden met de verdeeldheid over de euro binnen de vvd; de sp en de pvv fluiten hun vertrouwde nationalistische toon; de ChristenUnie heeft vorig jaar per motie in het parlement laten vastleggen dat er geen bevoegdheden aan Brussel worden overgedragen; zelfs de pvda en het cda durven niet langer hun traditioneel pro-Europese standpunten uit te dragen.

Gelukkig draait deze zomer alles om het Europees kampioenschap voetballen, de Tour de France en de Olympische Spelen. Dus het zal niet opvallen dat Nederland geen rol speelt in de Europese aanpak van de eurocrisis. Tot de parlementsverkiezingen van 12 september en de daarop volgende kabinetsformatie haakt Nederland op het euroschaakbord af.

Ondertussen profiteert Nederland, evenals Duitsland, van de crisis in de zuidelijke eurolanden. Want terwijl de rentepercentages in de financiële markten voor Spanje en Italië de afgelopen weken opnieuw tot grote hoogtes stegen, sloot de agent van het ministerie van Financiën voor het eerst in de geschiedenis een (kort­lopende) staatslening af tegen nul procent rente. Gratis geld voor de schatkist, je zou verwachten dat eurosceptische parlementariërs een gat in de lucht springen. De Duitse schatkist kreeg zelfs geld toe bij de uitgifte van tweejarige Bunds, Duitse staatsleningen.

Dit zijn alarmsignalen van de obligatiemarkten die hun vertrouwen in een politieke oplossing van de crisis hebben opgegeven. Vooruitlopend op een mogelijke opsplitsing van de eurozone stallen de machtige obligatiefondsen tijdelijk geld in noordelijke eurolanden waarvan de munt hoe dan ook zijn waarde zal behouden, ook als Griekenland mocht uittreden of Spanje en Italië verder onderuit gaan.

Het grimmige vooruitzicht van een opsplitsing, waarmee in de hoofdsteden en in Brussel overduidelijk rekening wordt gehouden, heeft geleid tot een nieuwe ronde van koortsachtig overleg. Er is een ‘bende van vier’ aan het werk gezet om met voorstellen te komen voor de eerstvolgende Europese top van regeringsleiders, 28 juni in Brussel. Mario Draghi, de president van de Europese Centrale Bank, Herman Van Rompuy, de voorzitter van de Europese raad van regeringsleiders, José Barroso, de voorzitter van de Europese Commissie, en Jean-Claude Juncker, de voorzitter van de eurogroep, vertegenwoordigen de centrale bankiers, de regerings­leiders, de Brusselse bureaucratie en de ministers van Financiën.

Dit bestuurlijke viertal staat voor dezelfde taak als de winkelier die zijn zaak vernieuwt en een bord in de etalage zet met de tekst ‘Tijdens de verbouwing gaat de verkoop gewoon door’. Want maatregelen om de veelkoppige crisis te bezweren, moeten worden genomen terwijl de sprinkhanen van de financiële markten van het ene land naar het andere trekken om de zwakke plekken van het eurostelsel bloot te leggen.

De voorstellen die men uitwerkt gaan ­verder dan de oproep dat Duitsland tot actie moet overgaan, dat Europa de groeimotor moet ­starten of dat begrotingstekorten niet te snel onder de drie procent gebracht moeten worden. Het gaat om de reparatie van de funderingsfouten die zijn gemaakt bij de totstandkoming van de monetaire unie. Waarbij het de vraag is of de huidige generatie politieke leiders na drie jaar crisis de stappen durft te zetten waarvoor hun voorgangers in 1991 en in 1999 terugdeinsden. Toen zagen de regeringsleiders ervan af om een muntunie te koppelen aan een beginnende vorm van politieke unie. Nu is een toenemend ­aantal regeringsleiders ervan doordrongen dat die stappen onontkoombaar zijn, tenzij men bereid is het risico te nemen dat de muntunie instort.

Vier constructiefouten van het Verdrag van Maastricht waarmee in 1992 de muntunie haar beslag kreeg, springen in het oog.

De eerste is dat de toenmalige politieke leiders – Helmut Kohl, François Mitterrand, Ruud Lubbers – zich indertijd verzekerd wisten van een breed politiek draagvlak. De sociaal-­democraten, de christen-democraten en de liberalen (ook de vvd van Frits Bolkestein) waren om uiteenlopende redenen voorstanders van de monetaire unie. De bevolking werd niet om een mening gevraagd, maar afgezien van de situatie in Groot-Brittannië (dat een opt out bedong) was het ondenkbaar dat de kiezers zich tégen een Europese munt zouden keren. Nu is ruim een derde van het Nederlandse parlement en een vergelijkbare proportie van de Franse kiezers tegenstander van de euro.

Bovendien hield men er geen rekening mee dat de stabiliteit van het muntstelsel afhankelijk is van de nationale politiek in de deelnemende landen. En dat kan lelijk tegenvallen: of het nu Berlusconi in Italië is, de Slowaakse premier Radicova, de Finse premier Katainen, Marine Le Pen in Frankrijk, Alexis Tsipras in Griekenland of onze eigen Geert Wilders in Nederland. In crisissituaties is de besluitvorming van de eurozone niet opgewassen tegen de grilligheden van politici, oprispingen van nationalisme of anti-Europa-sentimenten in zeventien landen.

De tweede tekortkoming is dat geen rekening is gehouden met landen die chronisch meer uitgeven dan ze verdienen. Na toetreding tot de euro hebben Griekenland, Italië, Portugal en Spanje boven hun stand geleefd en hun concurrentiepositie verwaarloosd ten opzichte van de noordelijke landen. De economische indicator voor het concurrentievermogen van een land is de betalingsbalans. Een overschot op de betalingsbalans betekent dat een land meer spaart dan het verdient (Duitsland, Nederland), een tekort dat een land meer uitgeeft dan het verdient (de ‘club Med’). Bij de totstandkoming van de muntunie had men hier geen aandacht voor, dit bleef een verantwoordelijkheid van de deelnemende landen.

De financiering van chronische tekorten op de betalingsbalans in geliberaliseerde kapitaalmarkten leidt op den duur tot de derde constructiefout: kapitaalstromen binnen de eurozone kunnen van richting veranderen en een land in acute liquiditeitsproblemen brengen. De kapitaalvlucht uit Spanje (honderd miljard euro in het eerste kwartaal), en eerder uit Griekenland, heeft dramatische vormen aangenomen. Maar de euro’s die uit zuidelijke landen verdwijnen, blijven binnen het eurogebied en komen terecht in de veilig geachte noordelijke landen. De absurd lage rentes waartegen Duitsland en Nederland op het ogenblik kunnen lenen zijn een stress-indicator van de eurocrisis.

Normaal gesproken fungeren banken als de instellingen die geld rondpompen. Maar – en dat is de vierde tekortkoming – als banken niet aan elkaar uitlenen omdat ze elkaar niet meer vertrouwen en als overheden niet in staat zijn om hun nationale bankwezen te redden omdat ze zich dan zelf te diep in de schulden moeten steken, dan gaat het mis. Dit is de situatie zoals die zich eerder in Ierland en nu in Spanje voordoet.

In de institutionele opzet van het eurogebied is geen plaats ingeruimd voor een instelling die bevoegd is om deze kapitaalstromen terug te pompen. Dit zou de centrale bank, de ecb, moeten doen, maar deze is hiertoe volgens het verdrag niet gemachtigd. Vandaar dat de ecb via omwegen opereert. Gelukkig maar, want anders was het stelsel al lang in elkaar geklapt.

De eurocrisis en het Europees kampioenschap voetbal draaien om geld, veel geld, beide worden gekenmerkt door hoogoplopende spanning en een machtig Duitsland. Er is een belangrijk verschil: het EK is een afvalsysteem dat één winnaar oplevert in de finale, de muntunie is opgezet als een onomkeerbaar proces naar verdere Europese integratie. De eurocrisis speelt landen uit elkaar en als de ontwrichting geen halt wordt toegeroepen, verandert de monetaire unie in een financieel afvalsysteem. Voorlopig is met Spanje de zaak even gered, maar het is niet meer dan een blessurepauze.

*Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff: This Time is Different: Eight Centuries of Financial Folly (2008)