19 augustus 1948 – 24 november 2012

Moniek Toebosch

‘Hoor: de zon schijnt! Hoezee, hoezee!’ Voor haar was niets heilig. En niets was banaal. Grenzen, ach grenzen – het streven naar vrijheid was de basis voor en de essentie van haar kunst. En dan die stem…

De vpro heeft na afloop van de uitzendingen alle opnamen gewist, ‘bang voor Kamervragen’, zei Moniek Toebosch er later over. Ze had zoiets voorzien en zelf ook voor opnamen gezorgd. Gelukkig, want criticus Paul Groot overdreef maar een beetje toen hij de vier Aanvallen van uitersten, waarmee Toebosch in 1984 programmaonderdelen van het Holland Festival presenteerde, uitriep tot ‘een van de allerheldhaftigste artistieke credo’s van de twintigste eeuw’.

Ik heb de Aanvallen toentertijd op tv gezien en herinner me nog precies de opgetogen schokgolf die mij overviel. Daar stond iemand in het allerheiligste frame van de Nederlandse cultuur de diva te spelen. En hoe. In uitzinnige, soms billenblote draperieën, op hoge hakken heen en weer vliegend over het toneel van theater Carré, zong, nee krijste, een dunne, langbenige mezzosopraan haar eigen variatie op Wagners Liebes­tod. Niet te stoppen, ook niet toen het orkest en de dirigent begonnen te muiten.

Toebosch had toen al de reputatie over grenzen heen te gaan, niet alleen in de beeldende kunst, het theater en de muziek maar ook in haar fysieke verschijning. Vanaf een zeker moment droeg ze uitsluitend nog mannen­kleding, elegante van Yamamoto weliswaar, maar toch. In 2010 zei ze daarover in een ‘interview’ met Paul Rubens, haar mannelijke alter ego, voortgekomen uit de familienaam van haar Belgische moeder en haar tweede doopnaam, Paulina: ‘Het enige echte diepe verlangen in mij is om “niks” te zijn, noch man, noch vrouw, onzijdig dus, omdat mij dat het meest volmaakt lijkt. En dan kan ook mijn verleden als een natuurlijk proces bij mij horen.’

Terugkijkend op haar artistieke loopbaan lijkt dat verlangen al vroeg iets in haar te hebben losgemaakt wat een wezenlijk kenmerk van haar hele oeuvre zou worden: het vermogen voluit te improviseren. Daar passen geen regels bij, geen vastomlijnde plannen, vooropgezette doelen en, voor wie het uiterste ervan wil verkennen, ook geen omschreven identiteit. Wie improviseert moet alles loslaten en met niks beginnen. Daarna is het vrij zweven, met het gevaar te pletter te vallen. Vaak als ik naar Toebosch’ performances keek, leek die val heel dichtbij.

Kijk bijvoorbeeld op de site van het Nederlands Instituut voor Mediakunst naar de video van de performance Verzamelde beelden/toevallen/af- en toespraken uit 1983. Daar ligt ze, op de bank, in een slordig roze gevalletje, en zie hoe haar roze mond aarzelend begint te praten over een voorwerp waarover we ooit gezamenlijk hebben afgesproken dat we het een wit vel papier noemen. Zoals we ook verwachten dat er een samenhangend verhaal tussen die lippen vandaan gaat komen. Wat niet gebeurt. Er wordt voor de vuist weg maar wat gebabbeld, aarzelend, onzeker lachend, met angstogen die vragen of er wel wordt gecommuniceerd. Een donkerharig dom blondje, zoiets. Maar we hebben ook afgesproken dat dit een performance is, een kunstvorm waarbij niet het verstand, maar het lichaam spreekt. Het lijf dat z’n eigen wetten kent. En daarmee wordt dit een performance die effectief onze kwetsbaarheid, afhankelijkheid en angst voor het verlies van controle blootlegt. Het is Toebosch in haar element.

Het spreken, de taal, de stem: het zijn constanten in de vele verschillende kunstvormen en media waarvan Toebosch zich heeft bediend. Ze zong (met een componist als vader was de muziek haar ingegoten), maar wel op de uiterste rand van de conventie. Een prachtige, plechtige aanzet kon zomaar uitlopen op een hilarische jodel. Haar soepele stem vond in 1972 een uitdagende partner in de zogeheten kraakdozen, de experimentele elektronische muziekinstrumenten van Michel Waisvisz, componist en podiumkunstenaar. De duetten die ze jarenlang samen tijdens theatertournees improviseerden, konden leiden tot felle klankgevechten. Maar altijd klonk de lach door, de heerlijkste van alle spontane klanken.

Humor doortrekt ook de vele teksten en gedichten die ze schreef, vaak gekoppeld aan een flinke dosis zelfspot en relativering, net als bij de performances. Niets was daarbij heilig. Of banaal. Dat soort begrenzingen waren Toebosch te beperkend. Altijd stond het streven naar vrijheid voorop, wat niet wil zeggen dat alles maar moest kunnen. Haar ontwerp van een notitieblok spreekt wat dit betreft boekdelen. Het is ingedeeld in ‘Selected’ en ‘Rejected’, keuzes in Ja en Nee. Want het moest bij werkelijk belangrijke zaken wel duidelijk zijn waar je stond. Voor Toebosch bestond daarbij maar één kompas: het kunstenaarschap. Iedere jonge kunstenaar die met haar als docent op kunstacademies, en later als directeur van DasArts, te maken kreeg, kreeg mee wat voor haar aan de basis daarvan ligt: bedachtzaamheid, minnelijkheid en waakzaamheid. Haar beste kunstwerken zijn van die begrippen doortrokken. En het kan bijna niet anders of de menselijke stem speelt daarin vaak de hoofdrol. Onontkoombaar is bijvoorbeeld Les douleurs contemporaines, een installatie waarbij uit tientallen grote en kleine speakers het geluid komt van treurende en huilende mensen, opgenomen bij begrafenissen in verschillende landen. Een concert van de levenden voor de doden, schrijnend en verzachtend tegelijk. Het werk Engelen/Angels bracht haar landelijke bekendheid. Wie tussen 1994 en 2000 op de dijk Enkhuizen-Lelystad in zijn auto afstemde op FM 98.0 hoorde om zich heen hemelse stemmen over de wateren zweven: Toebosch’ stem in vele verlokkende kleuren opgenomen en orkestraal samengevoegd. Ze kreeg er in 1997 de Sandbergprijs voor.

Moniek Toebosch is er niet meer. Op 24 november, na een heroïsche strijd van vier jaar tegen longkanker, koos ze op 64-jarige leeftijd voor het finale zwijgen. Wat ze nalaat is een rijk en gevarieerd oeuvre dat als een natuurlijk proces bij haar is gaan horen. Een oeuvre vol grenzeloos leven. ‘Hoor’, klinkt haar stem in Troostbos, een elektronische bos bloemen voor op het tafeltje naast het ziekbed, ‘hoor: de zon schijnt! Hoezee, hoezee!’