Monogame muizen

VROEGER KON JE nog gewoon pech hebben. Geboren worden met een scheve neus of een moeilijk karakter. Getroffen worden door een ziekte. Nu hebben we genen. Wel honderdduizend. Nog vóór enig zaadje een eitje treft, liggen de meeste kansen voor het aanstaande leven al vast. Deskundigen zijn druk doende met de ontcijfering van al die informatie. Veel mensen vinden dat een onaangename wetenschap. Zij voorzien ouders die hun kindje aborteren omdat het nooit minister kan worden, of Frankensteins die op bestelling lichaamsdelen en karaktereigenschappen leveren.

Dat zal allemaal zo'n vaart niet lopen, meent Piet Borst, wetenschappelijk directeur van het Nederlands Kanker Instituut en vooraanstaand biomedicus. Hij bundelde in De vioolspelende koe en andere muizenissen een selectie uit zijn columns in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad. Een groot deel hiervan bestaat uit geruststellend bedoelde geluiden in de richting van het Nederlandse publiek.
Borst geniet internationale faam. Zo verkeert hij op vriendschappelijke voet met Nobelprijswinnaars. Ook benadrukt hij de exclusiviteit van zijn lidmaatschap van de Amerikaanse National Academy of Sciences, alsof hij vermoedt dat zijn stellige stijl van redeneren niet altijd overtuigt. Borst spreekt in waarheden, zoals de dokter vroeger deed. En als een dokter zijn voorschriften, zo herhaalt hij voortdurend zijn argumenten. De wetenschap vordert maar langzaam volgens hem: het zal nog lang duren eer een transgene koe viool kan spelen. Het ingewikkelde samenspel van genetische en andere invloeden op gezondheid en gedrag wordt misschien wel nooit ontrafeld.
Daarnaast kent Borst louter nobele toepassingen in de genetica. Kanker genezen, bijvoorbeeld, of het wereldvoedselprobleem oplossen. Over kwalijker gebruik van kennis, dat het Nederlandse publiek zorgen baart, rept hij met geen woord. Eigenlijk vindt hij dat het Nederlandse publiek zich niet zo zou moeten bemoeien met genetische experimenten. Al die ethische drukte houdt de vooruitgang van het onderzoek maar tegen. Intussen sterven honderden mensen aan ’t een of ander. Hij begrijpt ook niet waarom we ons opwinden over een paar laboratoriummuizen terwijl doorgefokte honden kinderen kunnen doodbijten en duizenden varkens creperen door menselijk falen.
Met veel enthousiasme vertelt hij over grote en kleine vorderingen in genetica en kankeronderzoek. Die teksten zijn vaak zeer informatief en begrijpelijk. Hier spreekt een vakman die zijn kennis weet over te brengen. Dat wekt bewondering. Degelijke informatie over deze tak van wetenschap die steeds meer van ons leven bepaalt en ons voor steeds meer moeilijke keuzen plaatst, is op zichzelf al geruststellend. Maar uiteindelijk is dit vakmanschap ook verontrustend, omdat het louter technisch is. De autoriteit die Borst ontleent aan zijn biochemische deskundigheid eigent hij zich vrijmoedig toe als het over andere zaken gaat.
ZO STELT HIJ dat de vraag naar de aard van het leven allang is opgelost in de moleculaire biologie. Elke student weet immers hoe hij een paar dode cellen leven kan inblazen. Dus zijn alle discussies over het levensraadsel ‘achterhoedegevechten’. Filosofen, ethici en theologen zullen hem dankbaar zijn. Op vergelijkbare wijze regelt hij het Nederlandse onderzoeksbeleid. En passant neemt hij de ontwikkelingssamenwerking, Philips en de gezondheidszorg nog mee. Steeds is zijn analyse van een onthutsende eenvoud, die het goed doet als je een leek wilt uitleggen hoe een ziekte in elkaar zit of waarom de dokter het ook niet weet. Maar vooral het eenvoudige 'wij kunnen dus wij moeten’ waarmee Borst ethische en sociale vraagstukken rond genetisch onderzoek oplost, lijkt mij een grote bedreiging voor het Nederlandse publiek. Borst negeert simpelweg de consequenties van de vermeerdering van genetische kennis voor individu en samenleving, behalve dan al het goeds dat hij voorziet. De lezer wordt daardoor wijzer in de biochemie, maar dommer in het maken van afwegingen die hem persoonlijk - bijvoorbeeld als patiënt, consument, kiezer of bestuurder - aangaan.
Gelijk met Borsts muizenissen verscheen een bundel die is bedoeld als hulp bij juist zulke afwegingen. In Ons gescreende lichaam. Kansen en risico’s van de genetica doen cultuurpsycholoog Van Zwieten en wetenschapsjournalist Kalden verslag van interviews met elf sleutelfiguren in de Nederlandse genetica, lees: DNA-diagnostiek. Naast medische en biologische onderzoekers komen sociaal-wetenschappers en ethici aan het woord, evenals vertegenwoordigers van ouder- en patiëntenorganisaties, de farmaceutische industrie en het verzekeringswezen. Vergeleken met Borst zakken de auteurs erg diep door de knieën, maar gezien de educatieve doelstelling is dat logisch. De brede opzet biedt een goed overzicht van de problematiek. Toch wordt ook hier de overwegend geruststellende toon allengs bedreigender. Vrijwel iedereen, van arts tot patiënt, van onderzoeker tot verzekeraar, heeft twee zekerheden: de genetische kennis blijft nog heel lang heel bescheiden en vermeerdering van die kennis is in ieders belang.
Dat laatste wordt in het boek zelf al gelogenstraft. Zo fantaseert patiëntenvertegenwoordiger Poortinga over gene shops waar je kunt binnenwippen voor een testje, terwijl klinisch geneticus Ten Kate commerciële toepassingen afwijst in naam van het algemeen belang. Verzekeraar Verheij haast zich te zeggen dat er voor verzekeraars eigenlijk niets verandert door de nieuwe diagnostiek. Op de volgende bladzijde begint farmaceut Van Schagen echter met de mededeling dat de geneeskunde ingrijpend zal veranderen en dat verzekeraars een doorslaggevende rol zullen spelen in de gevolgen die dat heeft voor de bevolking. Me dunkt dat er uiteenlopende belangen in het spel zijn, die niet allemaal in het voordeel van het ganse volk uitwerken.
Alleen de filosofen en sociologen lijken zich hiervan bewust. Filosoof De Vries maakt zich zorgen over de groeiende macht van de geneeskunde indien de genetische diagnostiek effect krijgt op beslissingen van bijvoorbeeld verzekeraars of werkgevers. Medisch socioloog Tijmstra wijst op de schier onontkoombare gebruiksdwang die uitgaat van de beschikbaarheid van tests en de prijs die mensen ervoor betalen in de vorm van zogeheten fout-positieve uitslagen en het inleveren van onbezorgde levensjaren.
OOK OP DE trage vordering van de wetenschap valt het nodige af te dingen. Al tijdens het schrijven van dit stukje verschenen twee berichten over genetische vorderingen: een promiscue muis is monogaam gemaakt en er is met succes aan de muizenintelligentie geknaagd. Bepaald geen kleine ingrepen, al is de afstand tussen muis en mens erg groot. Genetisch dom gemaakte koeien komen wel een stuk dichterbij: handig in de overvolle stal maar toch minstens zo zorgwekkend als vioolspelend vee.
En dan is er nog het Human Genome Project, mede geleid door moleculair geneticus Van Ommen, oud-leerling van Borst. Sinds de jaren tachtig is er wereldwijd samenwerking om voor 2003 de menselijke DNA-structuur in kaart te brengen. Men is nog 'op schema’, meldt Van Ommen. Er kan dus steeds meer worden gezocht in de menselijke genetica. Omdat er zoveel in die informatie is geïnvesteerd, zullen ook steeds meer onderzoekers het in die richting zoeken, al dan niet gestuurd door geldstromen. Niemand kan voorspellen wat voor toekomst dat ons brengt. De technologische ontwikkelingen denderen met andere woorden voort in duizelingwekkende vaart. Alleen voor wie in de trein zit gaat het langzaam en is iedere richting vooruit.
Ethicus Ten Have stelt als enige de bredere uitwerking hiervan ter discussie. Hij spreekt van 'geneticalisering’, doelend op een proces waarbij steeds meer verschijnselen in de maatschappij binnen de invloedssfeer van de genetica worden gebracht. Er schuilt weinig gevaar in de moeizame decodering van afzonderlijke ziekten of gedragingen; voor het toepassen van genetica bij de oplossing van elk probleem op zich is doorgaans veel te zeggen. Maar bij elkaar maken die individuele gevallen ons steeds meer tot een genetische constellatie, zoals we bijvoorbeeld steeds makkelijker genetische verklaringen aandragen voor crimineel gedrag. Ons hele denken over ziekte en afwijkingen verandert. Dat hoeft niet direct te leiden tot een Frankenstein-era, maar gaandeweg vinden wel degelijk verschuivingen plaats in uiteenlopende zaken als persoonlijke aansprakelijkheid of selectieprocedures van werkgevers.
Zulke gevolgen blijven buiten het gezichtsveld van de afzonderlijke specialisten. Die wachten bescheiden tot na 2003, als ze serieus aan hun Nobelprijs kunnen gaan werken. Van Ommen vergelijkt het Human Genome Project met het streven naar de eerste mens op de maan. Zoals men toen juichte voor dit nieuwe bewijs van menselijke overmacht, zo herleeft nu met de genetica de breed gedeelde wens om de natuur volledig te onderwerpen. Zal wel genetisch zijn.