Film: ‘The Insult’

Monopolie op het lijden

Large the insult st 13 jpg sd high
Kamel El Basha als Yasser © Cinéart Nederland

De Libanese regisseur Ziad Doueiri laat zien dat acceptatie – en kennis – van het verleden een voorwaarde is voor verzoening. Verzoening die het verleden ontkent, is hooguit een historische camouflagestift.

In het voorjaar van 2007 sprak ik in Beiroet met de Libanese architect Tony Chakar. Hij zei onder andere: ‘Wij leven in een voortdurende staat van catastrofe. (…) De staat moet het monopolie op geweld veroveren maar dat is een proces dat niet zonder geweld zal verlopen.’ Chakar voegde eraan toe dat Walter Benjamin had geschreven dat hij gedesillusioneerd was in zijn tijd maar er niettemin loyaal aan bleef.

De eerste speelfilm van de Libanese regisseur Ziad Doueiri, West-Beiroet (1998), begint met een scène van een gevechtsvliegtuig dat ergens boven Beiroet wordt neergeschoten. De scène wordt gefilmd door een stel schooljongens met een, zeker naar huidige maatstaven, primitieve camera. Je hoort eerst alleen het geluid van de camera. De beelden zijn zwart-wit. Van het gevechtsvliegtuig dat geraakt is door een raket gaat de camera naar de schooljongens, die gekke bekken trekken. Daarna gaat het beeld over in kleur. De film begint, de jongens bespreken welk type gevechtsvliegtuig is neergeschoten om daarna in dezelfde toon de discussie te vervolgen over de schooljuf die ‘de oude heks’ wordt genoemd.

De eerste seconden van Doueiri’s debuutfilm zetten de toon voor de rest van die film en tot op zekere hoogte ook voor zijn nieuwste film The Insult, die genomineerd is voor een Oscar. De liefde voor film is in West-Beiroet evident. Zoals menige schrijver geschreven heeft over de eerste pogingen om te schrijven, over de ambitie en de dromen die met het beginnende kunstenaarschap zijn verbonden, zo filmt Doueiri in zijn debuutfilm over de liefde voor film van twee vrienden. Maar het is veelzeggend wat er gefilmd wordt, de oorlog, die weliswaar dan nog ver weg is, hoog in de lucht, in elk geval ver genoeg om de Franse les niet te verstoren. Oorlog film je, lijkt Doueiri te zeggen, tot de oorlog zo dichtbij komt dat er niet meer gefilmd kán worden, maar dat punt stelt Doueiri steeds weer uit. Hij weet dat hoe intiem de verhouding tussen oorlog en slachtoffer, oorlog en profiteur, oorlog en omstander ook wordt, het menselijk vermogen om het normale leven zo goed mogelijk voort te zetten groot is. Geen menselijker verlangen dan te doen alsof er niets aan de hand is. Misschien is dat ook wel de simpelste en effectiefste overlevingsstrategie. Doueiri filmt de oorlog, maar hij mythologiseert haar niet.

Met The Insult keert Doueiri terug naar de Libanese burgeroorlog, althans naar de gevolgen ervan. Zoals Benjamin ondanks alles loyaal was aan zijn tijd, zo is Doueiri loyaal aan zijn burgeroorlog, aan zijn catastrofes. Daar ligt het zwaartepunt van identiteit, als het althans om staatsburgerschap gaat, om de plek waar je bent opgegroeid, waar je hebt leren spreken, waar je voor het eerst verliefd bent geworden; dat je loyaal bent aan de catastrofes van die plek, dat je beseft dat je je tot die catastrofes moet verhouden.

De film speelt zich af in Beiroet, na de burgeroorlog, er is ook even geen oorlog tussen Hezbollah en Israël, maar de wonden van het sektarische conflict zijn niet geheeld. Correcter is het te zeggen dat er niet eens een poging is gedaan om dat conflict werkelijk op te lossen, hooguit is er sprake van een wankele wapenstilstand, een vermoeidheid die vanuit de verte door kan gaan voor vrede.

Een Palestijnse, in Libanon woonachtige bouwopzichter, Yasser (Kamel El Basha), moet in een overwegend christelijke wijk huizen renoveren. Tony (Adel Karam), een christelijke automonteur, kan aan het accent van Yasser horen dat hij Palestijns is en slaat de nieuwe afvoerpijp die Yasser aanlegt stuk. Later zal blijken dat Tony gegronde redenen heeft de Palestijnen te haten, voorzover er gegronde redenen zijn een heel volk te haten.

De sympathie van de kijker ligt bij Yasser, die rustiger is en het gelijk aan zijn kant lijkt te hebben. Weliswaar scheldt hij Tony even uit, maar welke bouwopzichter zou dat niet doen als zijn net aangelegde afvoerpijp zomaar wordt stukgeslagen? Niettemin eist Tony excuses voor het betrekkelijk onschuldige scheldwoord dat hem door Yasser is toegeslingerd. Vernederd en gekwetst zijn is ook een manier om macht uit te oefenen, zoveel laat de film op een niet bijzonder subtiele wijze zien. Dat de baas van Yasser ver wil gaan in het maken van die excuses – een doos chocolaatjes wordt bezorgd bij de zwangere vrouw van Tony en uiteindelijk dwingt hij Yasser naar Tony toe te gaan om zijn verontschuldigingen aan te bieden – geeft aan hoe de machtsverhoudingen liggen.

Noodgedwongen gaat Yasser naar Tony’s garage. De tv in de garage staat aan. Op tv wordt een toespraak getoond van Bashir Gemayel waarin Gemayel betoogt dat er geen plek is voor Palestijnen in Libanon. Gemayel was leider van een van de christelijke milities tijdens de burgeroorlog. Na de invasie van Israël in 1982, die als doel had Arafat en de plo uit Beiroet te verdrijven, werd Gemayel gekozen tot president van Libanon. Daarvoor al waren er geheime of beter gezegd niet zo geheime besprekingen tussen Gemayel en Israël over een vredesverdrag. Op 14 september 1982 wordt Gemayel samen met andere christelijke Libanese leiders door een bom om het leven gebracht. Gemayel is, zo laat The Insult zien, in de christelijke gemeenschap nog altijd een heilige.

Kort na de moord op Gemayel nemen christelijke milities wraak – zij verkeren in de veronderstelling dat het de Palestijnen zijn die Gemayel hebben vermoord, ten onrechte, vermoedelijk is Syrië de opdrachtgever van de bomaanslag. In de Palestijnse kampen Sabra en Shatila worden honderden ongewapende Palestijnen afgeslacht door de falangisten, met medeweten van Israël, dat grote delen van Beiroet, waaronder het vliegveld, in handen heeft.

Doueiri veronderstelt deze kennis niet als bekend, maar om de nuances van deze cruciale scène te begrijpen en te waarderen is het handig als de kijker weet wie Bashir Gemayel was.

Tony, een man die in een permante staat van lichte verongelijktheid lijkt te verkeren, is nog altijd niet bereid de excuses van Yasser te accepteren, ook al is de bouwopzichter naar hem toe gekomen; voor hen die waarlijk verongelijkt zijn is het nooit genoeg. Op een gegeven moment zegt hij tegen Yasser: ‘Ik wilde dat Ariel Sharon jullie allemaal had uitgemoord.’ Sharon was in 1982 de Israëlische minister van Defensie en architect van de Libanon-oorlog uit 1982. Vanwege zijn betrokkenheid bij Sabra en Shatila moest Sharon aftreden, maar later kon hij zijn politieke carrière hervatten.

Large the insult st 10 jpg sd high
Adel Karam als Tony © Cinéart Nederland

De schaduw van Sabra en Shatila hangt over The Insult en het is die schaduw die de reactie van Yasser des te begrijpelijker maakt. Als hij hoort wat Tony zegt, gaat Yasser over tot geweld, hij breekt twee ribben van Tony.

De wereld weet waarvoor Sabra en Shatila staan, maar de wereld heeft geen idee van Damour

Overigens is het interessant dat Tony zegt: ‘Ik wilde dat Ariel Sharon jullie allemaal had uitgemoord.’ Niet de falangisten, de broeders van Tony, die het vuile werk in Sabra en Shatila maar al te gretig opknapten. Ook in hypothetische situaties – ik wilde dat… – moet de schuld altijd elders liggen.

Vanaf dat moment draait de film om twee achtereenvolgende rechtszaken. Tony zoekt wraak c.q. genoegdoening. De eerste rechtszaak, dan nog zonder advocaat, verliest hij, maar hij gaat in hoger beroep en laat zich bijstaan door een advocaat die een prominente figuur is in de christelijke gemeenschap in Libanon, Wajdi Wehbe, magnifiek gespeeld door Camille Salameh.

De rechtszaken draaien om de vraag of Yassers reactie gezien de aard van de belediging begrijpelijk was, iets wat bijvoorbeeld kan worden vergeleken met een crime passionnel, of is fysiek geweld nooit een legitieme reactie op de verbale variant ervan?

De film krijgt een essayistisch karakter zonder te vervallen in abstracties. Een stukje Libanese Vergangenheitsbewältigung passeert de revue. Tony’s advocaat komt erachter dat Tony afkomstig is uit Damour, een christelijk stadje ten zuiden van Beiroet. Aan het begin van de Libanese burgeroorlog, op 20 januari 1976, werd Damour aangevallen door strijders van de plo. Daarbij kwamen een kleine zeshonderd inwoners van Damour om, de overlevenden konden zich redden door te vluchten. Oftewel: een ander bloedbad. Als beelden van Damour en de vluchtende burgers langs de bananenplantages in de rechtszaal worden vertoond breekt Tony’s vader en Tony verlaat samen met hem de rechtszaal. Hier krijgt Tony’s zelfvoldane, agressieve en uiteraard ook kwetsbare kant een context. Hij is een slachtoffer, zijn haat is te begrijpen, mag misschien zelfs geëxcuseerd worden.

Veelzeggend is dat Damour nadrukkelijk wordt genoemd en getoond, terwijl de woorden Sabra en Shatila nergens vallen, hooguit indirect, in de uitentreuren herhaalde belediging van Tony: ‘Ik wilde dat Ariel Sharon jullie allemaal had uitgemoord.’

Ik vermoed dat Doueiri hier subtiel de kant van de christenen kiest. De wereld weet waarvoor Sabra en Shatila staan, maar de wereld heeft geen idee van Damour. Het is die ‘onrechtvaardigheid’ die olie is op het vuur van Tony’s woede. Een cruciale zin is dan ook: ‘Jullie hebben niet het monopolie op het lijden.’

Sabra en Shatila mogen ongenoemd blijven, Zwarte September speelt een rol in het tweede proces; het Palestijnse lijden blijft niet ongenoemd. In september 1970 besloot koning Hussein van Jordanië dat de Palestijnse aanwezigheid en de aanvallen die Palestijnse guerrilla’s vanuit Jordanië op Israël uitvoerden de stabiliteit van zijn koninkrijk in gevaar brachten. Tijdens de gewelddadige uitzetting kwamen tussen de drie- en vijfduizend Palestijnen om, zeshonderd Jordaniërs sneuvelden. De meeste Palestijnse strijders vluchtten naar Libanon.

Gedurende mijn reizen door het Midden-Oosten heb ik vertegenwoordigers van diverse groeperingen horen zeggen: ‘Als de anderen maar het lijden zouden erkennen dat zij ons hebben aangedaan, zouden we bereid zijn tot concessies.’ Maar kennelijk ziet iedereen alleen zijn eigen lijden, waardoor de cirkel van wraak en vergelding moet worden voortgezet.

Doueiri’s film suggereert dat verzoening op individueel niveau mogelijk is. Of de leiders dit particuliere voorbeeld volgen valt te betwijfelen. Maar Doueiri zegt, meen ik, ook iets anders. Door zo de nadruk te leggen op historische feiten stelt hij dat acceptatie van het verleden en dus ook kennis ervan een voorwaarde is voor verzoening. Verzoening die het verleden ontkent, is geen verzoening, hooguit een historische camouflagestift.

Of Doueiri zelf geheel klaar is voor verzoening is onduidelijk. In een vraaggesprek met Bor Beekman in de Volkskrant zegt hij: ‘Ik ben het niet met alles wat hij [Wilders] zegt eens, maar dat de islam onverenigbaar is met het Westen, denk ik ook. Daarmee zegt Wilders de waarheid. Jullie moeten stoppen met politiek correct zijn.’ Alsof hij het sektarisme uit Libanon naar Nederland wil importeren. Een ondeugdelijk exportproduct in mijn ogen.

Maar ga The Insult vooral zien. En dan meteen ook Waltz with Bashir, de geweldige animatiefilm van Ari Folman uit 2008 over Bashir Gemayel, Sabra en Shatila en de oorlog van 1982. Om het geheugen op te frissen. En daarna West-Beiroet: de Libanese burgeroorlog door de ogen van een puber en een madam in een bordeel.

Vóór de verzoening tot stand kan komen moet het verleden worden opgegraven, al zal een cynicus hier misschien uit afleiden: voor vrede heb je oorlog nodig.


The Insult kreeg een Oscarnominatie voor Beste Buitenlandse Film en draait nu in de bioscoop