Monostatos

Geil, duivels, vals. De zwarte die Mozart in zijn vrijmetselaarsopera ‘Die Zauberflote’ neerzette, was een schurk van de eerste orde. Pas onlangs verscheen hij als een gewone man op de planken. En een gewone man misdraagt zich uit frustratie. De citaten uit het bovenstaande profiel zijn uit de Nederlandse vertaling van Die Zauberflote, vervaardigd door Hans W. Bakx, ter gelegenheid van de semi-scenische uitvoering van de opera in juni 1995 in het Concertgebouw onder leiding van John Elliot Gardiner.
HIJ WORDT halverwege het eerste bedrijf van Mozarts Zauberflote geintroduceerd als de belager van de wonderschone Pamina, die hij geacht wordt te bewaken, maar - tegen de maatschappelijke mores in - waagt te begeren.

‘Verloren is je leven!’, roept Monostatos, de Moor.
'De dood doet mij niet beven!’ repliceert Pamina manhaftig.
'He, slaven!’, beveelt Monostatos. 'Doe haar boeien aan!’ (Tot Pamina:) 'Mijn haat zal je ten gronde richten.’
'O, laat mij liever sterven’, smeekt Pamina, 'als niets, barbaar, je kan vermurwen…’ (zij valt in zwijm).
'Ga weg!’, beveelt Monostatos de slaven. 'Laat mij met haar alleen!’
Zal hij vervolgens zijn Moorse lusten op het meisje koelen? Nee, er komt net op tijd iemand tussenbeide, afgezien van het feit dat dergelijke overrealistische scenes in Mozarts tijd uit den boze waren. Niettemin, de toon van 'de grote opera in twee bedrijven door Emanuel Schickaneder - met muziek van Herr Wolfgang Amade Mozart, kapelmeester en K. K. Kamercomponist’ was gezet. Mozart moge in zijn loge Het Eeuwige Oosten troffel en voorschoot hebben gedeeld met de eerste vrijmetselende neger ter wereld, de neger die hij in zijn met maconnieke symboliek doorweven Zauberflote ten tonele voert, is een traditionele schurk, bruut en seksmaniak.
En een slavenziel, niet te vergeten. Een paar scenes later verhaalt hij zijn chef, de opperpriester Sarastro, hoe hij hoogstpersoonlijk heeft weten te voorkomen dat de gevangen Pamina door haar geliefde, de koningszoon Tamino, zou worden bevrijd. Totdat hij, Monostatos…
'U weet hoe ik ben! Mijn waakzaamheid…’
’…. verdient met lauweren te worden beloond’, bevestigt Sarastro. 'Geef deze man van eer meteen…’
'Reeds uw goedgunstigheid maakt rijk!’ zegt Monostatos, hoopvol naar zijn heerser opziend.
’… slechts zevenenzeventig slagen op de voetzolen’, beveelt Sarastro.
Want in ’s opperpriesters Heilige Hallen kent men de wraakzucht niet, behalve als het een schlemielige neger betreft, die het in zijn gekleurde kop heeft gehaald op een blank meisje verliefd te worden.
ER ZIJN DUIZEND exegetische boeken over Die Zauberflote verschenen. De een vindt in deze opera de hoogste wijsheid. De ander beschouwt het libretto als een verzameling slecht bijeengerijmde onzinnigheden en contradicties. Een enkel boek houdt zich bezig met de kwaliteit van de partituur. Voor Monostatos heeft vrijwel niemand een goed woord over. Een recente studie van onze landgenoot dr. F. de Graaff, emeritus-predikant te Hattum, typeert de Moor als 'de moderne aapmens’, een bundel onbeteugelde libidineuze driften zonder de vergeestelijkte component van ons, gesublimeerde bleekscheten. 'De aapmens wil de liefde, ook in het lichamelijke, op doen gaan in de moderne seksualiteit’, zegt dr. F. de Graaff. Vandaar dat Monostatos, de exotische kniebroek reeds rond de enkels en het zondoorstoofde geslacht in de richting van de sterren geheven, in het tweede bedrijf de slapende Pamina besluipt.
Is er iemand van de zedenpolitie in de zaal?
Welnee, het is nergens voor nodig. De Overijsselse predikant weet, als zo velen, gewoon niet wat hij hoort. Want, psychologisch en tekstanalytisch bezien, is Monostatos simpelweg niets menselijks vreemd, in positieve en negatieve zin, vergelijkbaar met het optreden van zijn joodse broeder Shylock die op de Rialtobrug tracht uit te leggen dat een mishandelde jood niet minder lijdt dan een mishandelde christen. 'Ah, daar heb je haar, de kuise schone!’ mompelt de Moor. 'Om haar wilden zij mijn voetzolen ervan langs geven. Wat kan ik eraan doen dat ik verliefd op haar ben geworden? Geen man zou onverschillig blijven bij zo'n aanblik. Dit vuur zal me nog verzengen! Als ik er zeker van zou zijn dat niemand me zag, zou ik het nog eens proberen. Een kusje zal toch wel zijn toegestaan?’
En hij zingt zijn kleine, vlinderlicht getoonzette, diepsmartelijke aria: 'Alles voelt liefdesvreugde, minnekoost en dartelt, dolt en zoent; enkel ik moet alle liefde mijden, want een zwarte, die is te lelijk. Heb ik dan geen hart gekregen? Ben ik niet van vlees en bloed? Altijd zonder vrouw te leven, dat is waarlijk hellegloed! Daarom wil ik, nu ik leef, minnekozen, kussen, teder zijn! Beste maan, vergeef: een schone heeft bezit van mij genomen. Mooi is ze! Ik moet haar kussen; maan, verschuil je alsjeblieft! Mocht het je soms te zeer ergeren, doe dan maar je ogen dicht.’
Monostatos’ gedrag is zonder twijfel in strijd met de eigentijdse, politiek correcte opvattingen over ongewenste intimiteiten op de werkvloer. Niettemin, Monostatos is bovenal een verschoppeling, een geisoleerd mens in een even vrouwenbeangste als vrouwvijandelijke maatschappij. Hoeveel humaner, begrijpelijker en sympathieker is zijn smeekbede om iets van vrouwelijke affectie, dan de godverlaten hanepraat die Sarastro’s waanwijze assistent-hulpsecretaris zich tegenover de jonge prins Tamino permitteert? - 'Een vrouw dus heeft jou zo verblind? Een vrouw doet weinig, buiten praten. Jij, jongeling, gelooft die zotteklap?’
Zotteklap die ten aanzien van Monostatos in den brede is (en wordt) bedreven door hele generaties Mozart-vorsers, een enkele contemporaine uitzondering daargelaten. Een van die uitzondering is de Nederlandse cultuurfilosoof Hans de Leeuwe, die wijst op het feit dat de naam Monostatos aan het Grieks moet zijn ontleend en in feite de alleenstaande betekent. De Leeuwe heeft een catalogus samengesteld van de negatieve adjectieven en substantieven waarmee Monostatos in de loop van twee eeuwen rond de oren is geslagen. Daarin wordt de Moor getypeerd als wulps, geil, wellustig, liefdesdol, plomp-zinnelijk, begerig, misdadig, duivels, verraderlijk, trouweloos, gruwelijk, kruiperig, vals en leugenachtig, boosaardig, sluw, vol leedvermaak, een overloper, een egoist, een booswicht, een psychopaat, een zwarte schurk en een rokkenjager met een ziek, afstotelijk karakter.
Ondertussen bloedt het hart van de meer sensibele toeschouwer. Werkelijk, Monostatos is een klassieke underdog met meer menselijke trekken dan zijn concurrent-in-sexualibus, de ambitieuze bleekscheet Tamino, laat staan zijn tweede concurrent-in-sexualibus, de bovenmenselijke Sarastro, met zijn discriminerende praatjes: 'Ik weet het! Jouw ziel is even zwart als je gezicht. Ik zal je streng straffen…’
NEE, ONSCHULDIG IS Monostatos niet. Hij is een slavendrijver tussen de slaven en hij terroriseert, verguisd door haar kuisheid, Pamina met alle hem ter beschikking staande middelen. De 77 slagen op zijn voetzolen zijn niet onverdiend. Hij heeft schuld - en hij moet daar voor boeten. Hij heeft zich slecht gedragen, maar het is het wangedrag van een mens in nood.
Veel begrip voor hem heeft de gemiddelde Mozartregisseur in de loop der tijden niettemin niet voor hem gehad.
Tot het Mozartminnende publiek in juni laatstleden, tijdens het Holland Festival, een werkelijk humane Zauberflote werd voorgezet, een Zauberflote waarin de opperpriester Sarastro waarachtig een moment van ware wijsheid demonstreert.
Het is het moment waarop het vonnis wordt voltrokken. Monostatos hangt ondersteboven op het toneel, in bange afwachting van zijn tuchtiging. De zweep treft de voetzolen van de Moor. Dan treedt Sarastro tussen martelinstrument en gemartelde, gebarend dat met die ene zweepslag kan worden volstaan.