Monseigneur muskens

De heilige Martinus van Tours deelde zijn mantel met een armoedzaaier. Naamgenoot monseigneur Martinus Muskens is al even sociaal voelend. Vorige week publiceerde de omstreden ‘broodbisschop’ zijn onheilsprofetie voor Europa
RELIGIE, verhelderde Marx, is een uiting van ellende èn een protest tegen die ellende. Ze heeft de gemiddelde gelovige echter maar weinig te bieden, niet meer dan een illusionair geluk dat voor even het ellendige bestaan verlicht. Sterker nog, ze verhindert zelfs de totstandkoming van werkelijk geluk. Door haar een surrogaat aan te bieden, houdt de godsdienst de massa in toom en een onrechtvaardig, kapitalistisch systeem in stand.

Dat van die opium en het volk dus.
Anno 1997 lijkt de kerk haar lesje te hebben geleerd. Geplaagd door de secularisatie en een daarmee gepaard gaande terugloop aan inkomsten, valt zij terug op haar oorspronkelijke doelgroep: de armen en behoeftigen der aarde. En dit keer biedt zij niet slechts doekjes voor het bloeden, geen escapisme inclusief instandhouding van ongelijke maatschappelijke structuren - nee, de massa mag, geruggesteund door de rooms-katholieke top van Europa, weer in opstand komen. Het neo-liberale systeem is de kerk zo welgevallig niet meer, en ditmaal antwoorden de horden van God met een recht-voor-z'n-raap-offensief.
Monseigneur Muskens, bisschop van Breda, slaagde er op Prinsjesdag vorig jaar in met een paar opmerkingen het zelfgenoegzame feestje te verstoren dat de paarse regering ter meerdere glorie van een geslaagde begroting vierde. De armoede in Nederland was volgens Muskens vele malen groter dan het kabinet-Kok deed geloven. ‘God’, sprak de bisschop, 'vindt het niet erg dat iemand een brood wegpakt bij de bakker, als hij zo arm is dat hij noch zichzelf noch zijn kinderen eten kan geven.’ Geen zalvende praatjes dus, maar een goddelijk begrip voor de arme die in opstand komt.
Zijn opmerkingen over de armoede staafde Muskens met cijfers uit de nota Arm Nederland, die in oktober 1996 aan minister Melkert van Sociale Zaken werd aangeboden. Daarin staat dat 22.000 Nederlandse huishoudens soms onvoldoende te eten hebben, 43.000 gezinnen de warme maaltijd geregeld moeten overslaan en dat ruim een half miljoen huishoudens geen nieuwe kleren kunnen bekostigen.
Nederland in rep en roer. Dat betekende meer dan een half miljoen potentiële wetsovertreders! Onbegrip en scherpe kritiek was ’s bisschops deel. 'Bisschop zet aan tot stelen’ kopte de Telegraaf. Die man kent de bijbel niet, suggereerde Frits Bolkestein. Een persoonlijke belediging, meende premier Kok zelfs: 'Ik kom zelf uit een gezin waarin elk dubbeltje moest worden omgedraaid’, verklaarde de minister-president, 'maar we waren te trots om zelfs maar met een vinger te wijzen naar wat ons niet toebehoorde.’
De bisschop hield stand. Ambtgenoten uit heel Europa vielen hem bij, en Kok zag zich genoodzaakt een oude les in de praktijk te brengen: If you can’t beat them, join them. Monseigneur Muskens werd op het presidentiële torentje genood, won er nog net geen zieltje bij, maar verliet het Binnenhof even later met de oren vol beloften van beterschap.
Voortaan was hij bondgenoot van God èn Kok.
MARTINUS 'Tiny’ Petrus Maria Muskens werd in 1935 te Elshout, Noord-Brabant, geboren. Hij studeerde theologie aan het seminarie van Den Bosch en werd in 1962 priester gewijd door de Bossche bisschop mgr. Bekkers. Het ziet ernaar uit dat monseigneur Muskens de lessen van deze leermeester nimmer vergeten is, want zijn optreden is geheel in stijl met dat van zijn illustere voorganger. Mgr. Bekkers, die een forse dosis progressiviteit mag worden aangerekend, daar hij zich eind jaren vijftig al voorstander verklaarde van de anticonceptiepil, liet zich kennen als een sociaal bewogen man, die pleitte voor meer toenadering tot het gewone volk. En dat volk sloot hem, in tegenstelling tot zijn collegae kerklei ders, voorgoed in het hart. Ga op een willekeurig plein in Den Bosch staan, roep heel hard: 'Kennen jullie bisschop Bekkers nog?’ en op het gezicht van vrijwel iedere oudere passant verschijnt een melancholieke glimlach.
Want hoewel dat op enige onwennigheid stuitte, liet mgr. Bekkers zich altijd van zijn gewoonste kant zien. Zo gewoon dat toen eens de behoefte tot toiletbezoek wel zeer dringend werd, hij niet schroomde zijn chauffeur bij een boerderij te laten stoppen en de bewoners te vragen of de bisschop even de nood mocht komen ledigen. De boerenfamilie, op slag in rep en roer, ontbood de bisschop daarop in de verduisterde opkamer waar op een verhoging in allerlijl een po was neergeplant, geflankeerd door twee brandende kaarsen.
Het was monseigneur Bekkers die de jonge priester opdroeg missiologie te gaan studeren in Nijmegen. Muskens promoveerde er met een studie over de islam in Indonesië en werd kort daarop uitgezonden naar de voormalige kolonie, alwaar hij blijk gaf van een groot respect voor de niet-christelijke inlander. In 1978 werd hij benoemd tot rector van het Pauselijke Nederlandse College te Rome en werd daarmee een soort katholiek diplomaat in het Vaticaan, tot hij in 1994 geroepen werd voor het ambt van bisschop te Breda.
Veel ophef werd toen nog niet van hem verwacht. Weliswaar verklaarde Muskens zich voorstander van het opnemen van tradities uit andere godsdiensten, zoals hindoe-riten en Afrikaanse stammenreligies, maar dat had paus Johannes Paulus II ook al gedaan. 'Op de drempel van de nieuwe eeuw’, voorspelde de kersverse bisschop, 'worden wij een multiculturele kerk.’
Monseigneur Muskens weet hoe zich te gedragen. Zijn jaren in Rome hebben hem geleerd hoe zowel Vaticaanse als Nederlandse kerkleiders niet voor het hoofd te stoten. Wel bewees hij geen zacht ei te zijn, door niet terug te schrikken voor boude uitspraken. Over Bolkestein bijvoorbeeld. De VVD-leider had de bisschop, volgens diens zeggen, slechts ontvangen om een monoloog af te steken, en verzocht hem, toen hij er eindelijk in slaagde het onderwerp armoede aan te snijden, het pand weer te verlaten. Muskens daarover in de pers: 'Dat iemand met zo'n positie met zoveel mensen om zich heen negen dagen na mijn brood-uitspraak nog steeds niet wist wat ik precies had gezegd, vind ik onbegrijpelijk. Hij dacht dat ik mensen aanspoorde om te stelen. Het is niet te begrijpen dat hij op zo'n vooraanstaande positie zit.’
Afgelopen week, bewust aan de vooravond van de Eurotop, deed de bisschop het geschrift Elk mens heeft een naam: Pleidooi voor een sociaal Europa verschijnen. Het gaat hier om een niet mis te verstane onheilsprofetie van de bisschop. Want voorwaar, het einde der Europese tijden is aangebroken! Zo waarschuwt hij ons. Zoals de Romeinen in de vierde eeuw hun rijk moesten prijsgeven aan Helleense, Syrische en Perzische beschavingen, zo zal Europa, zo wij niet oppassen, binnen afzienbare tijd weer ten prooi vallen aan een Oosters gevaar: 'De Aziaten worden ons de baas. Ze zullen het Westen absorberen als water in een spons.’
Ook legt hij in het boekje nog eens de achtergronden van de katholieke rechtvaardiging van het proletarisch winkelen uit. Hij citeert daartoe artikel 2407, paragraaf 7, van de nieuwe catechismus van de rooms-katholieke kerk, waarin het volgende geschreven staat: 'Er is geen sprake van diefstal als men de toestemming van de eigenaar kan veronderstellen, of als de weigering ingaat tegen de redelijkheid en tegen de universele bestemming van de goederen. Dit is het geval bij een dwingende en klaarblijkelijke noodtoestand, waarbij het enige middel om te voorzien in onmiddellijke en essentiële behoeften (voedsel, kleding, huisvesting) erin bestaat te beschikken over en gebruik te maken van de goederen van derden.’
Dus: heb je geen dak boven je hoofd, mag je het huis van een ander betrekken. Waarmee bijna tweeduizend jaar na de kraak van een stal in Betlehem door een timmerman en diens hoogzwangere vrouw, de - niet onbemiddelde - Vaticaanse republiek tevens een solidariteitsverklaring afgeeft aan de inmiddels op sterven na dode krakersbeweging. De bisschop zelve gaat nòg een stapje verder wanneer hij even later 'het grootgrondbezit’ bestempelt tot een 'structurele zonde’ en een 'extravagante misdaad’.
MGR. MARTINUS Petrus Maria Muskens, die een goed christen is, doet zijn naamgenoot bisschop Martinus van Tours alle eer aan. In de vierde eeuw na Christus wierp deze heilige zijn mantel af om hem met een royaal gebaar in tweeën te snijden en te delen met de eerste de beste armoedzaaier die op zijn pad kwam. Een geste die nog jaarlijks op 11 november wordt herdacht met een lampionoptocht en een raar liedje (Sint Maarten, Sint Maarten/ de koeien hebben staarten/ de meisjes hebben rokjes aan/ daar komt Sint Martinus aan).
Van de heiligverklaring van een tweede, twintigste-eeuwse Sint Maarten is voorlopig nog geen sprake.
Monseigneur Muskens, die een goed mens is, wordt wijd en zijd met onbegrip, spot en hoon ontvangen. En argwaan, vooral veel argwaan. Lacherig wordt hij Sinterklaas of Robin Hood genoemd. De schijn-heilige zou een goedkoop publiciteitsoffensief zijn gestart.
Die afwijzende reactie lokt vragen uit: Waarom reageert men zo heftig op een bisschop die zijn zorgen om de minderbedeelden uitspreekt - een gelovige dus, die naastenliefde predikt? Is het zo raar dat een katholiek om enige compassie met de armen vraagt?