De Efteling-attractie Monsieur Cannibale, Kaatsheuvel © Marcel van den Bergh / ANP

De mensen die het Gesamtkunstwerk van Anton Pieck (1895-1987) in het Brabantse Kaatsheuvel uitbaten, ook wel bekend als de Efteling, lieten al eerder weten dat de kannibaal in staat van ontbinding verkeert. Deze maand is het stoffelijk overschot afgevoerd. Monsieur Cannibale, zoals zijn officiële naam luidt, was zwart, bijna naakt, dik. Door zijn neusbotje stak een pollepel. Nu dus overleden.

De racistische karikatuur heeft plaatsgemaakt voor een attractie met de naam ‘Sirocco’. Bezoekers zullen niet meer in kookpotten maar in theekopjes ronddraaien, onder het oog van Sinbad de Zeeman. In Twitterstan werd al gegrapt over komende protesten. Onderliggende vraag: hoe koloniaal, neo-imperialistisch of oriëntalistisch verbeeldt Brabants trots het kalifaat van de Abbasiden?

De grappen ontsproten aan kannibaals doodsoorzaak. Want kritiek bracht de Efteling ertoe om hem op 32-jarige leeftijd een harde dood te laten sterven. ‘Past niet meer in de tijd’, verklaarden Piecks protagonisten. Zij willen verhalen vertellen ‘op een inclusieve manier’ en ‘met het nieuwe thema’ een ‘positief beeld’ schetsen ‘van de rijke Arabische cultuur’. Dus: Sinbad de Zeeman.

Voortschrijdend inzicht. Vijf jaar geleden reageerde de Efteling nog tamelijk vinnig op Cannibale-critici. ‘Wij generaliseren niet’, zei de woordvoerder van de Efteling: ‘We beelden alleen karakters uit. Wij denken dus ook niet dat alle stiefmoeders slechte mensen zijn, zoals bij Sneeuwwitje, of dat alle mensen met obesitas veel papier eten, zoals Holle Bolle Gijs.’ Kortom, niet iedere Afrikaan met een pollepel door zijn neus en een koksmuts op zijn hoofd eet mensen. Alleen deze.

Ik kan deze reactie makkelijk terugvinden, omdat ik zelf eens een stukje schreef over de kannibaal van Kaatsheuvel. Tijdens een bezoek aan de Efteling was ik verbaasd dat ladingen krantenpapier werden volgetikt over Zwarte Piet terwijl ‘geen haan’ naar de kannibaal kraaide.

Die haan wilde ik wel zijn en dat heb ik geweten. Van onbekenden kreeg ik woedende reacties, samen te vatten in het anglicisme dat iemand op Twitter naar mijn hoofd slingerde: ‘Man, krijg een leven!’ Vrienden stuurden zuchtende apps: ‘Wil je Wilders in de kaart spelen?’

Bezoekers draaien nu rond in theekopjes

Die vraag begreep ik wel. Wijst iemand op het racistische gehalte van een verschijnsel, dan meent iedereen die is gehecht aan dat verschijnsel dat hij is uitgemaakt voor racist. Dat is onterecht en als reactie komt de beledigde partij tot kronkelredeneringen als die van de Efteling. Of die zoals we kennen van verdedigers van Zwarte Piet; denk aan het schoorsteenroet.

Met andere woorden: anachronisme opgemerkt, woede oorverdovend (ons wordt alles afgepakt!) waarna de politicus incasseert en de negerzoen, de jodenkoek of de zwart geschminkte hulp van Sint Nicolaas alsnog verdwijnt. Zo ook hier. Er kwam een petitie en zelfs een protestactie bij de attractie. Bezoekers hielden borden omhoog met ‘KOZP’ (Kick Out Zwarte Piet), ‘BLM’ (Black Lives Matter), Geert Wilders zei dat het ‘van de gekke’ was – de protesten – en nu verdwijnt de attractie en ontvang ik lacherige apps: ‘Hé, gast, ben je nu blij?’

Dolblij natuurlijk. Ik voel de macht van de stukjesschrijver in alle vezels van mijn lichaam. Al moet ik erkennen dat een Amerikaanse me al voor was geweest in The Wall Street Journal, zo leerde enig googelen. Ze was verbaasd. Haar kritische opmerking over de Cannibale in een verder lovende recensie van het Pieck-attractiepark had geleid tot een doodsbedreiging; dat had ze nog niet eerder meegemaakt. Heetgebakerd volkje, die Hollanders.

Toch is het fenomeen allesbehalve Hollands. In de week van de aangekondigde dood van Cannibale kwam opvallend nieuws uit Polen. Opvallend, omdat voorvechters van de nationale identiteit daar politiek sterker staan dan in Nederland. (Ze leiden de regering.) Toch besloot Krakau’s gemeenteraad het verkopen van ‘geluksjoden’ actief tegen te gaan.

Het gaat om beeldjes van orthodox geklede joodse mannen die geld tellen. Na de moord op drie miljoen Poolse joden (1939-1944) en de emigratie van het leeuwendeel van de driehonderdduizend overlevenden (1945-1948 en voorjaar 1968) raakten de poppetjes snel in zwang. Na de val van het communisme ontstond zelfs een markt voor schilderijtjes met dezelfde afbeelding: bebaarde orthodoxe jood telt zijn geld. Ze zouden geluk brengen, vandaar de naam geluksjoden. Mensen hangen ze boven hun deur.

Protesten tegen de geluksjood kwamen vooral uit Amerika en Israël. Pools tegenprotest volgde. Niks niet antisemitisch archetype, maar een nationale traditie, eeuwenoud. Bovendien kwam de groeiende populariteit voort uit nostalgie, zeiden de verdedigers: de Polen misten de joodse gemeenschap en vandaar dat ze er eentje boven hun deur hingen.

Landelijk leek er geen vuiltje aan de lucht voor de geluksjood, totdat Krakau dus besloot geen vergunning meer te verlenen aan souvenirstands die de poppetjes of de schilderijen verkopen. De grote vraag is nu: gaat de geluksjood ondergronds? Zal hij onder de toonbank worden verkocht?

Zoiets kun je je niet afvragen bij Monsieur Cannibale. Die is echt dood. Of toch niet? Deze week bleek dat de Erfgoedvereniging Bond Heemschut wil dat hij een plek krijgt in het Rijksmuseum in Amsterdam. Cannibale zou uitstekend illustreren ‘hoe snel het denken over racisme en het koloniaal denken verandert in het Nederland van nu’. Ik geef de erfgoedvereniging nog een goede kans ook. Ideale polderoplossing. Iedereen wint.