Montere doodsangst

Het blijft een beproefd recept: ‘Er was eens…’ Magische woorden. De Rus Daniil Charms (1905-1942) begint er zijn gedicht Een verschrikkelijke doodmee: ‘Er was eens een man die honger had,/ hij zat aan tafel en at gehakt.’ Op zich niks wereldschokkends. ‘En naast hem stond zijn vrouw die steeds maar zei/ dat het gehakt te weinig varkensvlees bevatte.’ Binnen enkele regels zitten we in een licht komische situatie, met een hoop vragen. De man eet zoveel gehakt dat hij een ‘dodelijke zwaarte’ voelt en begint te beven en te huilen. Vervolgens stopt zijn gouden horloge met tikken en vallen zijn oren op de grond, waarna hij sterft. Einde gedicht. Veertien eenvoudige regels, maar wat wil het gedicht nu zeggen? Is dit een parabel? Moet ik Charms’ achtergrond erbij pakken en het gedicht plaatsen in de armoedige en angstige Russische jaren dertig van de vorige eeuw?

Toon Tellegen (1941) doet in zijn kinderboeken, proza en poëzie ongeveer hetzelfde als Daniil Charms, namelijk parabels vertellen die raken aan de grenzen aan het voorstellingsvermogen, met ‘er was eens’ als vertrekpunt. Zomaar een vroeg voorbeeld is het gedicht over een keizer die het koud heeft en vanaf zijn bordes roept: ‘Waarom heb ik geen kleren aan?’ Een grappige, wanhopige vraag, en uiteraard blijft alles en iedereen zwijgen. De slotstrofe vind ik op een vreemde manier aangrijpend:

Soldaten leggen aan
Zoeklichten zwiepen heen en weer.
Het is winter en ik ben een dichter
die over liefde schrijft en over niets,
niets anders,
ooit.

Ook in Tellegens nieuwe bundel Glas tussen ons spelen tragiek, het vreemde en vervreemding een belangrijke rol. Misschien is vervreemding niet het goede woord en is in dit werk gewoon niets onmogelijk. Ook in deze nieuwe bundel krijgen allerlei vrolijk makende personificaties als vanouds de ruimte, zoals in Groen van schaamte:

Kijk, en daar is mijn tegenzin,
mijn trouwe tegenzin in nu en straks
met zijn stramme pasjes,
zijn stroeve handjes, zijn kromme ruggetje –
hij is nooit ver weg, laat mij nooit in de steek

Het thema ‘liefde’ lijkt in Tellegens late werk verdrongen door de dood. Wat moet je met je sterfelijkheid? ‘Er zijn mensen/ die de dood niet onder ogen willen zien’, lees ik in het gedicht Avond. Die mensen verdwijnen ‘op motoren’, ‘langs de binnenwegen van het zelfrespect’, uit het gezichtsveld van de dood. Geweldige afleidingsmanoeuvre natuurlijk, al helpt het niets, zoals Van Eyck pesterig duidelijk maakte in zijn klassieker De tuinman en de dood. Nee, de ‘ik’ zou willen dat hij een vis was ‘en dat er geen land meer was,/ geen zand, geen zon, geen riet’. Water en ‘gebrek aan bewijs’, meer heb je als vis niet nodig om heerlijk onwetend te blijven.

De overleden, dierbare broer, onlangs nog door Tellegen herdacht in De seringenboom: Herinneringen aan mijn broer, komt ook in Glas tussen ons even buurten, bijvoorbeeld in Mijn hand: ‘Ik steek mijn hand uit/ en leg hem op tafel// mijn broer wil hem schudden,/ zo’n losse hand…’ In het kwetsbare Het gezicht van de eenvoud verhult het absurde nauwelijks het verdriet wanneer er plompverloren staat: ‘Mijn broer is dood’, en wordt afgesloten met ‘Alles is nieuw, maar ik mis mijn broer’.

Deze broer en de andere personages in Glas tussen ons zijn abstracties, en zowel de toon van de gedichten als de wereld die ze uitbeelden, is onnadrukkelijk tijdloos, soms zelfs een beetje weemoedig. Geen eigennamen, geen verwijzingen naar populaire cultuur of actuele maatschappelijke of politieke zaken, geen identiteitskwesties. De meest hedendaagse regel die ik las is ‘Studenten delen flyers uit’.

Zoals gebruikelijk buitelen de retorische vragen over elkaar heen, wordt er hardop nagedacht en kom ik veel herhalingen tegen, zoals in Muur:

‘U moet u bevrijden van uw onnatuurlijke pose’,
zei een stem,
‘want dat is zij, die pose van u, volstrekt
onnatuurlijk’

Af en toe is Tellegen wat te makkelijk, als hij bijvoorbeeld schrijft: ‘niet vergeten, fluisteren ze, we moeten iets niet vergeten,/ er is iets wat we niet vergeten moeten’. Maar veel vaker vind ik deze poëzie fascinerend, met haar montere doodsangst, haar mysterieuze transparantie. Met een paar streken schetst Tellegen een verhaal: ‘Ik liep langs de hel,/ de koeien van de duivel keken mij aan,/ ik was verdwaald’. De ‘ik’ kan een tram zijn, of een sloot. Mooi dat zo’n gedicht mijn ongeloof lijkt te snappen als er staat: ‘Hoe ben ik een sloot geworden?’ Nou, denk ik verlekkerd, vertel het me maar!

Steeds volgt het gedicht een eigenzinnige, ijzeren logica. Je rent er achteraan om de betekenis te achterhalen, maar het gedicht is sneller en hijgend blijf je staan kijken hoe de achterlichten van het gedicht verdwijnen in de nacht. Want het gedicht en de dichter moeten dóór, voor alles voorgoed voorbij is, zoals in Zonder spoor:

Maar ik moest verder, pretentieus geleuter kon
mij gestolen worden,
ik was op weg naar het paradijs, enkele reis,
ik was een echte dichter
of iets wat daarop lijkt,
niet meer verdrietig, niet meer eenzaam en al
helemaal niet meer alleen

Mijn naaste

Ze houden zijn gezicht vlak voor het mijne,
dit is hem! jouw naaste! heb hem lief!

ik zie hoe wrang en verwrongen hij is, ik wou dat hij mij onverschillig liet

hij schudt zijn hoofd, hij is bijna dood…
doe het niet, zegt hij, heb mij niet lief, doe het niet…

hij wringt zich los
en alles draait, alles tolt,
alles is zo kinderlijk eenvoudig.

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.