Hôtel du Nord van Remco Campert

Monterheid tegen beter weten in

Ooit was Walter Manning een veelbelovend dichter, maar na een vernietigende recensie gaf hij de poëzie eraan en werd hij schrijver van filmscenario’s, dat wil zeggen ‘leverancier van teksten waarmee hij zijn brood verdient’. Aan het begin van Hôtel du Nord, de nieuwe roman van Remco Campert, is de desillusie totaal: Manning heeft hals over kop het filmfestival in Berlijn verlaten, een ultrakort afscheidsbriefje voor zijn vriendin achterlatend in hun hotelkamer: ‘Ik ben weg.’ Over die woorden heeft hij nog lang gepiekerd, maar weg zijn, verdwijnen in de anonimiteit is precies wat hij wil.

Remco Campert, Hôtel du Nord

Medium campert hoteldunord

Hij zoekt zijn toevlucht in een hotel aan de Noord-Franse kust, in het fictieve plaatsje Duneville. Het is het ‘dode seizoen’, er zijn geen toeristen, het regent doorgaans en Manning doet dan ook niet veel anders dan op bed liggen, de minibar van zijn hotelkamer plunderen en bedenken hoe hij kan oplossen in een niemandsland. Alle ballast afwerpen, drinken, dronken zijn en slapen en opgaan in de onzichtbaarheid, dat is wat hij wenst.

Maar dat is natuurlijk eenvoudiger gedacht dan gedaan. Voor hij het weet maakt hij toch dagboekaantekeningen, het schrijven blijft een automatisme. En hij kan wel proberen na het dichten ook de film achter zich te laten, maar de film en het filmische bewustzijn – het feit dat hij zichzelf telkens als personage in een of andere filmscène ziet rondlopen en dat hij maar al te goed weet dat hij een rol speelt, in het geval van zijn vlucht een theatrale, vals romantische rol – dringen zich voortdurend op. Alleen al de naam van het logement waar hij verblijft: Hôtel du Nord. Dat is ook de titel van de Franse speelfilm uit 1938 van Marcel Carné, waarbij de ouders van de hoteleigenares, die er allebei een figurantenrolletje in speelden, elkaar leerden kennen. In die film nemen twee werkloze geliefden hun intrek in een hotelkamer om zelfmoord te plegen, omdat ze niets meer hebben om voor te leven. Die zelfmoord lukt niet, er volgen allerlei verwikkelingen, en wat dramatisch begon, eindigt als een komedie.

Dat geldt ook voor de roman Hôtel du Nord. Campert schetst overtuigend de eenzaamheid en ontheemding van Manning, maar verlegt dan abrupt het perspectief naar andere personages – vriendin Nora Dorée, actrice en doorbrekende filmster, filmregisseur Mike, roddeljournalist Henri Donk. Ook zij worden, om met Lucebert te spreken, gepresenteerd als ‘broodkruimels op de rok van het universum’. Ze zijn nog niet zo desolaat als Manning, ze worstelen even goed met hun plaats in de wereld. Maar dan zijn er ook verwikkelingen en eindigt wat begon als een dramatische film als ‘een comedy-caper’.

Hôtel du Nord doet denken aan een pentekening: met een paar trefzekere lijnen weet Campert een veelheid aan beelden op te roepen. De impasse van Manning is invoelbaar, maar tegelijkertijd ironiseert Campert diens poging de ‘totale vrijheid’ en ‘afgrondelijke eenzaamheid’ na te jagen. Hij laat Manning aan het eind van de roman in zijn dagboek noteren dat het allemaal ‘quasifilosofie’ is, ‘dikke woorden’, ‘luchtverplaatsing’. Uiteindelijk gaat het erom dat je in het leven geen rol speelt, maar iemand bent. In Mannings geval: iemand die schrijft. En dat je je, hoezeer je je ook van je eigen tijdelijkheid en onbelangrijkheid bewust bent, met de wereld verbindt. Typisch Campert: de melancholie te lijf met monterheid tegen beter weten in.


Remco Campert, Hôtel du Nord, De Bezige Bij, 136 blz., € 17,90

E-book