Montuurjacht

Vier-en-een-half uur ben ik op pad geweest om een nieuw montuur uit te zoeken, om ten slotte een bril aan te betalen die nu juist zo min mogelijk montuur heeft: louter glazen, met ranke pootjes eraan. Die moesten dan wel ‘geboord’ worden, dus gold hier niet de één-uur-service waar ik op had gehoopt.

In elk geval tot Pasen, en waarschijnlijk zelfs iets langer, zou ik me moeten behelpen met mijn huidige bril, waarvan de coating tegen krassen en/of spiegelen gestaag was afgebladderd, hoogstwaarschijnlijk, zo zei de opticien met een achteloosheid die juist des te bestraffender aandeed, omdat ik me had laten verleiden tot het gebruik van vochtige, voorverpakte brilpoetsdoekjes. ‘Die zijn funest, net als afwasmiddel en heet water.’

Alle drie die zondes had ik begaan. Maar waarom verkocht de supermarkt die klotedoekjes dan? (‘Geschikt voor elk type glas’, meldt het doosje glashard.) Hadden ze soms een heimelijke afspraak met het opticiengilde?

Wat die montuurjacht zo tijdrovend had gemaakt was de mode. Ragfijne of gewoon subtiele monturen zie je amper meer. Waar ik ook binnenstapte, overal was het groot, dik, vet en donker, alsof we weer terug waren in de jaren van de hoornen brillen, van Sartre, Bomans en Vestdijk.

‘Zit daar een golfbeweging in?’ vraag ik de opticien, die zelf een sportief-hip-kleuren-geval droeg. (Opticiens, vertelde een boekhandelaar mij tijdens het laatste Boekenbal, dragen zelf altijd een bril, ook als ze er geen nodig hebben, dan zit er ongeslepen glas in.)

‘Dat weet ik niet zeker’, sprak de brillenman. ‘Ik zie het wel fluctueren tussen ronde, ovale en vierkante glazen.’

De schrijver en zijn bril. Voor sommigen is het geen accessoire van het gelaat, maar haast een remplaçant ervan. Bij Youp van ’t Hek en Arnon Grunberg volstaat een afbeelding van hun brilmontuur boven een column. Tom Lanoye begon als slagerszoon met een brilletje, maar heeft er nu minstens tien, in de blitste kleuren en de kekste designs.

Mijn achterflap- en interviewfoto’s kan ik dateren aan de hand van mijn bril: gemiddeld eentje per boek. Ik debuteerde brilloos, en toen ik op een feestje bij de uitgeverij binnenstapte met bril 1 (ovaal, goudkleurig), dacht een vrouw van de promotieafdeling dat ik hem louter als imago-attribuut droeg (met het ongeslepen glas van de brilloze opticien). Volgens haar zag ik er ineens veel intelligenter uit.

Bril 2 behoorde tot het genus der ‘semi-randlozen’. Als ik mijzelf in bladen terugzie, kijk ik doorgaans nederig omlaag of juist hautain opwaarts, niet omdat dit mijn aard is, maar omdat fotografen me dat vragen: de flits spiegelt anders in het glas.

En nu dus randloos. Logischerwijs is laseren de logische vervolgstap, maar dat zaakje vertrouw ik niet. Eén sullige rekenfout van zo’n co-assistente die te veel doorzakt met haar vroegere clubgenootjes, en ik kan overstappen op braille. Daarbij: als ze bij de pr-afdeling vinden dat een bril me intelligenter maakt, dan is het omgekeerde ook waar. Die plotselinge vlaag van randloosheid is al op het randje, welbeschouwd. ‘Als iemand een pet draagt, ziet hij er meteen een stuk dommer uit’, opperde iemand laatst.

Na het pinnen van mijn aanbetaling kwam mijn gehavende semi-randloze bril me nog armoediger voor. Ik had het gevoel dat iedereen de deplorabele staat zag – alsof ik in een hemd vol vlekken rondliep. Bovendien scheen de zon fel, en juist dan maken die glazen alles nevelig en diffuus, alsof zich tussen mij en de wereld een behendige Monet-epigoon had gedrongen.

Ineens herinnerde ik me dat ik mijn vorige bril nog had. Thuis trok ik meteen mijn oude bril 1 (behorend bij boek 2 dus) uit het zijportier van mijn auto. Een vriend heeft onlangs schoenen op maat laten maken in Italië. Daar instappen voelde volgens hem ‘net alsof je met een vroegere vriendin neukt; je glijdt er zo in…’ Met vroegere brillen gebeurt er iets soortgelijks. Je herkent de rand in je blikveld onmiddellijk, herkent die specifieke omlijsting en kadrering van de wereld en onwillekeurig maakt dat perspectief herinneringen los. Elk montuur is een madeleine, begreep ik, en ik doe er goed aan oude brillen nooit bij het vuilnis te kiepen, hoe verschrompeld de coating ook moge zijn.

‘Zo, heb je een nieuwe bril?’ vraagt iemand me ’s avonds op een borrel.

‘Nee, een oude’, zeg ik, en leg het hele avontuur uit. Van de bladderende coating, de hoornen mode, de semi-randloosheid en de funeste werking van brilpoetsdoekjes.

‘Nou, hij staat je anders best goed, deze bril’, is het antwoord. ‘Je lijkt er een stuk intelligenter door.’