Monument

Het nationale monument in het verenigde Duitsland is vooralsnog dat van Bismarck, groenuitgeslagen aanwezig op menig marktplein. Daar hoeft men geen ideologische gevolgtrekkingen aan te ontlenen. Er gebeurt nu eenmaal veel voordat een standbeeld omver wordt gehaald. Zo'n monument is vooral een beschermd stadsgezicht, vergelijkbaar met de overdaad aan Jeanne d'Arcs in Frankrijk, ondanks het feit dat de Heilige inmiddels door Le Pen is geannexeerd.

Bismarck was het borstbeeld der Pruisische nationalisten. Jeanne d'Arc, voor zover politiek in te delen, is het symbool der katholieke nationalisten. Daar doet niemand moeilijk over. Ingewikkelder, althans in Duitsland, wordt het als het om de linkse dwarsliggers gaat, Rosa Luxemburg of Carl von Ossietzky. Als naar hen een plein of een school dreigt te worden vernoemd is er altijd gedonder. De sociaal-democraten, gesteund door de Grünen, zijn voor, de christen-democraten zijn tegen en de liberalen zijn voor óf tegen, afhankelijk met welke partij zij in een coalitie zitten. De argumentatie van de tegenstanders is altijd hetzelfde. De betrokkenen waren, menen zij, de doodgravers van de republiek van Weimar en als zodanig de wegbereiders van Adolf Hitler. Het is een klassiek misverstand. Hitler was waarachtig mans genoeg om zijn eigen weg naar de dictatuur te plaveien. Het is een overgevoeligheid waar Nederland aanmerkelijk minder last van heeft. Er is hier weliswaar een soort discussie gevoerd over de vraag of het Jodenlaantje de joodse medeburgers wellicht onwelgevallig zou zijn, terwijl ook de Stalinlaan niet lang heeft standgehouden, waar weer tegenover staat dat Marcus Bakker, die toch tamelijk lang de valse goden heeft gediend, braaf zijn eigen Marcus Bakkerzaal in de Tweede Kamer heeft gekregen. Zoiets is in Duitsland vooralsnog onmogelijk. Dit wordt veelal geïnterpreteerd als een bewijs hoe moeilijk de Duitsers het vinden om met het verleden in het reine te komen. Dat is gemakzuchtig geredeneerd. Het ongelukkige land is deze eeuw twee keer door een totalitaire ramp getroffen, het nationaal-socialisme (dertien jaar) en het communisme (veertig jaar), zodat er veel te ruimen viel. Men had alleen al dagwerk aan het zuiveren van de naambordjes. In beide gevallen, in 1945 en 1989, ging er een stormwind door de straten, die dit soort tastbare herinneringen aan de zwarte jaren met zich meevoerde. Zowel de Hermann Goering Platz als de Wilhelm Pieck Allee werden naar brave, niet aanstootgevende democraten herbenoemd. En als ‘onvaderlandslievende elementen’ als Kurt Tucholsky of Bertolt Brecht al een eigen straat werd vergund, dan lag deze meestal aan de periferie van de betreffende gemeente. De joden speelden in dit soort gedachtenwisselingen een bescheiden rol. Zij kregen hun plichtmatige herinneringsplaquette. Een keer per jaar werd de Woche der Brüderlichkeit uitgeschreven, waarin van zowel joodse als niet-joodse zijde vrome woorden werden gesproken, om vervolgens 51 weken lang weer langs in plaats van met elkaar te leven. Voor de rest zijn er weinig problemen. Het antisemitisme is in Duitsland geen factor meer, net zomin als de joden. Maar een echt nationaal monument, waarin de joden recht werd gedaan, was er eigenlijk niet. Maar nu komt het, in het herrezen Berlijn, zij het op een moment dat de laatste overlevenden bijna zijn uitgestorven. Er is jaren over gedebatteerd, maar zelden op hoog niveau. Er is tot aanstootgevends toe over de esthetiek van de diverse ontwerpen geruzied, alsof een monument per definitie mooi moet zijn. Het monument waartoe eindelijk is besloten, gaat in zijn megalomanie twee voetbalvelden beslaan, maar liever dat dan een kwart voetbalveld, half verborgen achter een serie kraampjes met Bockworsten. De strijd is nu gestreden. Niemand die de bouw van het monument meer kan tegenhouden, ook niet die fijngevoeligen die voorspellen dat het voornamelijk een monument van slechte smaak zal worden. Niettemin is er een verschil tussen een maquette en het uiteindelijke resultaat. Zoals in Amsterdam het Museumplein-ontwerp niets zegt over het kunstzinnige voetbalveld tussen Rijksmuseum en Concertgebouw. Nu al, op de rand van voltooiing, is de kritische stemming in de hoofdstad in het voordeel van de architect aan het omslaan. Zo kan straks het aanstaande gedenkteken in de Duitse hoofdstad als zonder meer indrukwekkend worden ervaren. Een hele wandeling wordt het wél.