Czeslaw Milosz

Monument van de Poolse poëzie

Czeslaw Milosz, A Treatise on Poetry

Vertaald door Robert Hass

Uitg. Ecco Press, distributie in Nederland Nilsson & Lamm

In de doorlopende horror story die de geschiedenis van Polen in de laatste eeuw is, vormt de korte tijd van onafhankelijkheid (1918-1939) een bloeiende, vredige oase. Een van de grote schrijvers die in deze periode voor het eerst van zich lieten horen, is de dichter, essayist en latere Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz. In zijn lange epische gedicht Traktat poetycki, nu voor het eerst in het Engels vertaald als A Treatise on Poetry, wordt de twintigste-eeuwse geschiedenis van Polen verteld aan de hand van de ontwikkeling van de Poolse poëzie. Stromingen, scholen, eenlingen, genieën, warhoofden — de gebruikelijke ondefinieerbare horde professionele zonderlingen die de verzamelde dichters van een land uitmaken, wordt hier voorgesteld als het hart van de Poolse historie.

Milosz schreef zijn Traktat in 1955, vier jaar nadat hij politiek asiel had aangevraagd in het Westen. Toch is er in dit lange gedicht geen plaats voor de nostalgie van de emigrant. In een koude, gedistantieerde, epische stijl beschrijft Milosz de wederwaardigheden van tientallen vrijwel vergeten dichters en hun zoektocht naar het vormgeven van een eigen verbeeldingswereld. Nu, meer dan 45 jaar later, heeft ex-poet laureate Robert Hass het samen met Milosz naar het Engels vertaald. Belangrijker, Milosz heeft het gedicht aangevuld met meer dan zestig pagina’s annotaties, waarmee deze noten net iets meer ruimte innemen dan het gedicht. En dat is niet overbodig. Het werk staat zo vol met cryptische verwijzingen naar de Poolse cultuur en de Poolse geschiedenis dat alleen een doorgewinterde specialist, en zelfs misschien die niet, het zonder de noten goed zou kunnen doorgronden. Gelukkig is Milosz zijn gedicht niet gaan uitleggen. Zijn noten zijn een handleiding, niets meer. Bovendien gaan de annotaties vaak dóór waar de poëzie ophoudt, zodat het aanhangsel eigenlijk een nieuw op zichzelf staand werk is geworden.

Het gedicht begint in 1900 in Krakow, ooit hoofdstad van het koninkrijk Polen, nu een slaperige provinciestad in het Habsburgse keizerrijk. Vervolgens speelt het zich af in het Warschau van de jaren twintig, hoofdstad van de nieuwe Poolse staat, om tot een voorlopige climax te komen in de beschrijving van de Duitse bezetting van Polen. Met een in ijs gedoopte pen beschrijft Milosz de hulpeloze pogingen van de Poolse dichters om ofwel zich te onttrekken aan de gruwelen van hun geschiedenis en zich terug te trekken in een innerlijke belevingswereld, ofwel hun talent in te zetten voor de ondergrondse beweging en patriottistische poëzie te gaan schrijven (Milosz hoorde zelf bij de laatste groep). Beide partijen onthoudt hij zijn kritiek niet. Wie zich als dichter probeert te onttrekken aan de geschiedenis negeert zijn belangrijkste thema’s; wie zich voor de politieke kar spant, verliest artistieke kwaliteit.

De verschrikking van de Duitse bezetting komt in de poëzie slechts ter sprake in een paar goed gekozen toespelingen, maar in de annotaties laat Milosz nog even de feiten passeren in zijn droge, beknopte stijl. Zo beschrijft hij hoe bij de opstand van Warschau in 1944 (de grootste opstand die door een bezet volk tegen de nazi’s is ondernomen) het Rode leger, dat zijn troepen al rondom Warschau had samengetrokken, bewust de Duitsers de tijd gaf de opstand neer te slaan. Moskou had de regering van Polen immers al klaarstaan en zat niet te wachten op een patriottistische volksopstand. In korte tijd werden 200.000 Polen vermoord en werd de stad volledig in de as gelegd. Na dat afgewacht te hebben trok het Rode leger binnen.

De centrale vraag die het gedicht stelt, is hoe een dichter, of eender welke kunstenaar, hierop moet reageren. En óf er wel een zinvolle reactie mogelijk is. Dit soort vragen klinken nu misschien uitgekauwd, eerder voer voor een tweedejaars filosofiestudent, maar toen Milosz ze formuleerde, in het begin van de jaren vijftig, waren ze dat nog niet. Toen Milosz dit gedicht schreef, was hij een onbekende dichter die onafhankelijk van Adorno en Ahrendt antwoorden probeerde te vinden op dergelijke vragen. Daarom klinkt A Trea tise on Poetry zo verrassend fris.

In zekere zin is het schrijven van het gedicht zelf een poging geweest om een poëzie te scheppen die de geschiedenis aankan. Milosz begreep heel goed dat als zijn poging overtuigend wilde zijn, hij een meesterwerk moest schrijven. En dat heeft hij gedaan. A Treatise on Poetry is een erg lastig, maar beklemmend en meeslepend monument van de Poolse poëzie. Geschreven bovendien met een ambitie die zijn gelijke in de vorige eeuw niet kent. Er moet heel, heel snel een Nederlandse vertaling komen.