Anna Enquist, De sprong: Vijf monologen

Monument voor een dochter

Anna Enquist

De sprong: Vijf monologen

Uitg. De Arbeiderspers, 112 blz., € 12,50

Het ergste wat je als recensent kunt doen, behalve je vrouw, je kind of je buurman de hemel in schrijven zonder erbij te vermelden dat de besproken auteur in een zekere verhouding tot je staat, is je ex-vrouw, je rivaal of je vijand de grond in schrijven zonder erbij te vermelden dat de besproken auteur in een zekere verhouding tot je staat. Beide vergrijpen zijn de meest duidelijke voorbeelden van het vellen van een literair oordeel waarbij buitenliteraire argumenten de doorslag geven. Buitenliterair is inderdaad een moeilijk woord, en wat het eigenlijk betekent is nog veel moeilijker. Het komt erop neer dat je iets búiten de tekst laat meespelen bij je waardering voor een boek. Behalve een vete of vriendschap kan dat ook de foto op een achterflap zijn, het feit dat iemand behalve schrijver ook recensent is, of de wetenschap dat iemands dochter is overleden.

Het ingewikkelde aan de kwestie is dat de scheidslijn tussen literaire en buitenliteraire argumenten vaag is. Buitenliteraire argumenten spelen altijd een rol én zijn not done. Misschien is een recensent zich daarom vaak niet eens bewust wát precies bepaalt of hij een boek al dan niet welwillend ter hand neemt; helemaal blanco is hij in ieder geval nooit als hij een boek begint te lezen. Hij kent de uitgever, heeft eerder werk van deze schrijver gelezen, komt hem regelmatig tegen op de tennisbaan of weet dat hij goed bevriend is met de hoofdredacteur van zijn krant, om maar wat te noemen.

Af en toe voelt iemand — meestal een schrijver — de behoefte van leer te trekken tegen dat stelletje «domme mestkevers» (Renate Dorrestein), door bijvoorbeeld regels voor recensenten te formuleren (Javier Marías). Idealiter komt het erop neer dat een criticus oprecht zou moeten zijn, en zich alleen met het werk bezighoudt en niet met de auteur. Op het eerste oog nogal wiedes, op het tweede gezicht nogal clean en hol. Want wat is oprecht? Soms is het het meest oprecht om de buitenliteraire werkelijkheid expliciet aan bod te laten komen, en dus te zondigen tegen die tweede regel.

Sinds de dochter van Anna Enquist dodelijk verongelukte, bijna twee jaar geleden, kan ik niet meer «gewoon» haar werk lezen. Ondertussen was zij echter vorig jaar schrijfster van het boekenweekgeschenk, waarvan ik in elk geval wist dat de tekst tot stand was gekomen vóór het ongeluk. Misschien dat deze wetenschap hielp om De ijsdragers gematigd kritisch te durven bespreken; misschien dat collega-recensenten in een aanval van zogenaamde zakelijkheid dachten het júist de grond in te moeten boren. Ik weet het niet zo goed; de receptie van Enquists werk, zowel van haar proza als van haar poëzie, gaat sowieso met een ongekende en verbazingwekkende agressie gepaard.

Onlangs kwam een nieuw boek van haar uit: De sprong, bestaande uit vijf monologen. In dit boek geeft Enquist blijk van een verrassende veelzijdigheid. Tegelijkertijd brengt de monoloogvorm het beste in haar schrijverskwaliteiten naar boven. Uit haar twee grote romans, Het meesterstuk (1994) en Het geheim (1997), was al duidelijk geworden dat Enquist niet uit is op experimenteren, maar op het componeren van klassieke drama’s die het moeten hebben van hun gewoonheid. Haar romanpersonages zijn mensen van vlees en bloed, met hun eigen geschiedenis, obsessies en drijfveren, zodat lezers zich een voorstelling kunnen maken van die figuren en zich met hen kunnen identificeren. In die psychologische aankleding is Enquist erg bedreven, zo blijkt andermaal uit deze monologen.

In de eerste monoloog laat ze Alma Mahler aan het woord. In luttele pagina’s wordt het drama opgeroepen van de vrouwelijke kunstenaar die niet genoeg heeft aan haar eigen werk, maar haar bestaansrecht óók ontleent aan het mannelijk genie dat ze boven zichzelf plaatst. «Ik speelde voor Klimt, ik componeerde voor Alex. Als Gustav mij weergeeft in zijn thema besta ik. Ik verdwijn als ze niet naar mij verlangen.»

De twee volgende monologen heten Cato en Leendert, een liefdespaar in Rotterdam, mei 1940. Wat een illegaal rendez-vous had moeten worden, loopt dankzij de bombardementen uit op vluchten, schuilen en vergeefs wachten. De vierde tekst is een monoloog van een joodse kleermaker die bij zijn emigratiepoging vanuit Warschau naar Amerika, begin vorige eeuw, strandt in Rotterdam. Hij is zo bang dat de nieuwe taal zijn moedertaal zal verdringen («Ik wilde mijn mond niet opendoen, ik moest de woorden van mijn oude taal zo veilig mogelijk bewaren») dat hij zijn trommelvliezen doorprikt. Vier mooie monologen, die blijkens de verantwoording achterin in opdracht waren geschreven en gebaseerd zijn op historische bronnen.

De laatste tekst, … en ik ben Sara, staat los hiervan, en zet tegelijkertijd ál het voorgaande in een bitter licht. Het is de monoloog van een meisje, twintiger, vervuld van levensangst en levensvreugde, dromend van een zangcarrière, het liefst voor altijd met haar broer bij haar moeder in de auto op weg naar maakt-niet-uit, tegelijkertijd vast van plan de wereld in te trekken. Op een vroege ochtend strandt ze op de Dam. «Een rij toeristen stond al te wachten bij de museumingang. Ik wachtte ook, rustig en bedaard, tot het licht op groen sprong.» Meer nog dan een vitale tekst over een breekbaar jongevrouwenleven is dit een totale knal voor je kop.