Monumentale vrouw

Binnen de Nederlandse sociaal-democratie was Hilda Verwey-Jonker een intellectuele reus, maar toen ik in 1986 voor het eerst aanbelde bij haar appartement aan het Utrechtse Fruinplantsoen zag ik, nadat zij de deur had opengedaan, slechts het einde van de gang. Pas toen ik een fractie van een seconde later naar beneden keek, zag ik de 78-jarige sociologe, die al in 1937 deel had uitgemaakt van de commissie die een nieuw beginselprogramma moest formuleren, die van 1956 tot 1972 kroonlid van de SER was geweest en die de term ‘allochtoon’ had geïntroduceerd als aanduiding voor buitenlanders.
Hilda Verwey-Jonker was nooit langer dan 1 meter 47, en hoewel ze van deze geringe lengte vaak last heeft gehad was zij als gevolg van haar intellect niet iemand die snel over hoofd werd gezien.
Bovendien was zij in veel gezelschappen de enige vrouw. Hoewel ze doordrongen was van het belang dat vrouwen meer invloed kregen, heeft het haar altijd tegengestaan dat ze dikwijls als 'excuus-Truus’ werd gebruikt. Toen zij in 1945 werd gevraagd zitting te nemen in het zogenaamde Noodparlement, dat tot aan de verkiezingen van 1946 zou functioneren, vroeg zij SDAP-voorzitter Koos Vorrink waarom zij hiervoor werd uitverkoren. Deze antwoordde slechts: 'Er moet een vrouw in.’ Hierop antwoordde ze dat ze dan ook wel de werkster van het partijbureau konden benoemen en weigerde zij zitting te nemen. De uitspraak van Vorrink zou ze gebruiken als titel voor haar in 1988 verschenen memoires.
Volgens biografe Margit van der Steen getuigde Verwey-Jonkers antwoord van 'weinig respect voor de werkster’. Dit lijkt mij nogal vergezocht, aangezien zij slechts wilde aangeven dat het haar tegen de borst stuitte dat zij niet op grond van haar capaciteiten maar louter op grond van haar sekse werd uitgekozen. Hoewel Van der Steen groot respect heeft voor de intellectuele capaciteiten en de gedrevenheid van Verwey-Jonker, krijg je dikwijls de indruk dat zij enorm haar best heeft gedaan om toch vooral geen hagiografie te schrijven. Hierdoor is ze af en toe overdreven kritisch, waardoor ze socialistische idealen van de jonge Verwey-Jonker afdoet als 'gedweep’ en haar meermalen neerzet als iemand die erg 'elitair’ was. Maar Hilda Verwey-Jonker behoorde nu eenmaal tot een maatschappelijke en intellectuele elite, zodat het tamelijk onoprecht zou zijn geweest als ze had gedaan alsof dat niet zo was. Bovendien heeft zij haar bevoorrechte positie altijd gebruikt om de samenleving te dienen.
De af en toe hyperkritische houding van Van der Steen - die onverlet laat dat zij ruime aandacht besteedt aan Verwey-Jonkers dappere optreden tijdens de oorlog en de grote invloed die zij na de oorlog in tal van commissies en adviesraden uitoefende - komt vermoedelijk voort uit het feit dat zij de memoires van haar onderwerp tot uitgangspunt heeft gekozen. Een veel gehoorde klacht over Er moet een vrouw in was dat Verwey-Jonker zo afstandelijk en rationeel schreef over wat haar dreef en wat andere mensen voor haar betekenden. Van der Steen wil in feite 'achter’ dat zelfportret kijken, en de 'echte’ Verwey-Jonker ontdekken. Dat is legitiem, maar dit bewuste wantrouwen krijgt soms ook iets geforceerds en vermoeiends. Opvallend aan die memoires was namelijk de bescheidenheid van Verwey-Jonker, bijvoorbeeld als ze schreef over haar rol bij de steun aan joodse vluchtelingen. Volgens Van der Steen zit er iets achter die bescheidenheid, want 'het schrijven van een autobiografie is per definitie een teken van uiterste onbescheidenheid’. Dat iemand zo'n boek ook kan schrijven om verantwoording af te leggen lijkt de biografe te zijn ontgaan.
Wat ook jammer is, is dat Van der Steen zich niet iets meer heeft verdiept in de vooroorlogse sociaal-democratie. Dan was Verwey-Jonkers relatie tot het marxisme wat beter uit de verf gekomen en had haar analyse van het fascisme meer reliëf gekregen. Bovendien had zij Willem Banning dan niet afgeschilderd als een van de 'partijleiders’, die het ontbrak aan 'vernieuwende intellectuele bagage’, en had zij ingezien dat de 'vernieuwing’ die de SDAP tussen 1933 en 1937 doormaakte voor een heel groot deel zijn werk was.
Ondanks deze kanttekeningen is Drift en koers een informatief en lezenswaardig boek over een monumentale vrouw, die zelfbewust, eigengereid en met tomeloze inzet de rol van publieke intellectueel heeft gespeeld. Dat zij misschien niet de meest warme persoonlijkheid is geweest die je je kunt voorstellen, lijkt mij minder relevant dan het feit dat zij ruim zeventig jaar lang de maatschappelijke ontwikkelingen heeft geanalyseerd en heeft trachten aan te geven hoe en in welke richting deze beïnvloed konden worden.
Toen ik haar ter gelegenheid van haar 85ste verjaardag, in 1993, voor De Groene Amsterdammer wilde interviewen vond zij dat goed, maar dat moest dan wel ergens over gaan. Haar levensverhaal had ze al in haar memoires verteld, dus dat ging ze niet overdoen. Nee, ze wilde wel even haar ergernis spuien over de belabberde staat van het toenmalige feminisme, en en passant kraakte ze nog wat harde noten over het feit dat Nederlandse vrouwen te weinig kinderen kregen, het gebrek aan visie bij Wim Kok en de veel te sentimentele houding tegenover buitenlanders, waarbij elke kritische opmerking werd afgedaan als 'racisme’. Geen gemakkelijke tante, wel een groot intellectueel.

MARGIT VAN DER STEEN
DRIFT EN KOERS: DE LEVENS VAN HILDA VERWEY-JONKER, 1908-2004
Bert Bakker, 596 blz., € 49,95