Interview met Lida Abdul

‘Monumenten maken van oorlog iets aantrekkelijks’

De Afghaanse videokunstenaar Lida Abdul stelt met haar werk de vraag aan de orde: hoe gaan we om met rampzalige, door mensen teweeggebrachte gebeurtenissen? Afghanistan biedt haar fascinerende mogelijkheden.

Lida Abdul was zeven jaar oud toen ze een bezoek bracht aan de boeddhabeelden in de Bamiyanvallei in Afghanistan. Het was voor haar een overweldigende ervaring die ze nooit zou vergeten. Ruim twintig jaar later waren de enorme beelden wekenlang in het wereldnieuws, in hun voortbestaan bedreigd door de Taliban. Deze voerden hun dreigement ten slotte uit en de boeddha’s werden opgeblazen met dynamiet. Abdul, in 1973 geboren in Kaboel, moest na de sovjetinval haar land ontvluchten. Na jaren van ballingschap en een studie in de Verenigde Staten keerde ze terug naar Afghanistan. Nu woont ze weer in Kaboel en werkt ze als kunstenaar met fotografie, video, film en live performance. Haar werk is doortrokken van door mensenhanden teweeggebrachte verwoesting en de vraag hoe overlevenden van een ramp met hun eigen verleden omgaan.

Lida Abdul: ‘Het verlies van de boeddhabeelden was een desastreus moment in de geschiedenis. Niet alleen voor Afghanistan, maar voor de hele wereld. Vroeger was de Bamiyanvallei een heilige plek, een plaats van verzoening en meditatie. Daarna werd het een rampgebied, een plek van absoluut geweld. Ik wilde er video-opnamen maken, maar zodra ik in Bamiyan aankwam raakte ik in de problemen. De mensen wilden niet met me werken, ze vonden het brengen van een eerbetoon aan de boeddha’s anti-islamitisch. Hoewel ze aanvankelijk erg kwaad waren, raakten we al doende toch in gesprek. Het bleek dat ze niets meer met de beelden te maken wilden hebben uit angst dat hun iets zou overkomen; veel mensen in de omgeving waren al vermoord door de Taliban. Ik heb duidelijk gemaakt dat het mij niet om de religie te doen was, maar om de geschiedenis. We hebben drie uur met elkaar gesproken, en uiteindelijk hebben ze toch toegestemd, onder voorwaarde dat de video niet ter plekke zou worden vertoond.’

Medium lida 20abdul

Abduls videoperformance Clapping with Stones toont de grotten waarin de boeddha’s zich vroeger bevonden. Op de voorgrond zie je een groep in het zwart geklede mannen staan. Ze rapen stukken steen van de grond en slaan de stenen tegen elkaar; echo’s weerkaatsen in de nu lege grotten. In deze voorstelling van Abdul – wier werk gekenmerkt wordt door repetitieve, bijna rituele handelingen – wordt de stilte van de afwezige boeddha’s onderstreept door het geluid van de stenen. Het enige wat rest is de herinnering.

Lida Abdul: ‘Het is verbluffend om te zien hoe religie en beelden een doelwit zijn geworden. Hetzelfde geldt voor architectuur. Architectuur wordt in oorlogstijd niet per se een doelwit omdat ze ons herinnert aan het verleden, maar omdat ze onze aspiraties voor het heden verbeeldt. Het laat zien hoe we – willen – leven. De Twin Towers en de twee boeddha’s, ze zijn allebei een doelwit van woede en jaloezie geworden.

Een bombardement vernietigt niet alleen gebouwen. Het is ook een poging om de aspiraties die in de architectuur worden vormgegeven weg te vagen. Toen ik Kaboel weer terugzag, was ik totaal geshockeerd. De stad is een complete ravage, overal waar je kijkt zie je puin en ruïnes. Hoe moet je je als mens verhouden tot een dergelijke omgeving? Na verloop van tijd begon ik de architectuur van de stad beter te begrijpen – de architectuur zoals zij nu is. Er zijn inderdaad overal ruïnes, maar er zijn ook overal graven. En er is militair materieel, overgebleven van dertig jaar oorlog. Enorme apparaten die gestrand zijn op het aardoppervlak, als dinosaurussen. Ergens trof ik tanks aan, het waren er zeker meer dan vijftienhonderd, netjes op een rij alsof ze op een parkeerplaats stonden. Om een dergelijk absurd landschap het hoofd te kunnen bieden brak ik het op in kleinere elementen. Of om het met Derrida te zeggen: ik deconstrueerde het landschap. Wat overbleef waren graven, ruïnes en militair materieel.

Mijn eerste performance na terugkomst in Afghanistan gaat over een ruïne. De ruïne staat vlakbij het presidentiële paleis, midden in Kaboel. Het ziet eruit als een Grieks-Romeins gebouw, met allemaal kapotte pilaren die dwars door elkaar zijn gesmeten. Ik ben het gaan schilderen, alle brokstukken heb ik wit geschilderd – tot het kleinste steentje aan toe. Na twee dagen werken was het hele gebied getransformeerd. Ik wilde een soort beeldhouwwerk maken, als antwoord op diegenen die denken dat vernietiging de oplossing is voor sommige problemen. Tegelijkertijd wilde ik de ruïne behouden voor de toekomst, niet als monument maar gewoon als ruïne. De videoperformance heb ik The White House genoemd.

Ik wil geen monumenten oprichten om de oorlog te herdenken. Ik verafschuw de monumenten voor de Vietnamoorlog die je overal in de Verenigde Staten tegenkomt. Ze verhullen hetgeen er gebeurd is, zodat de geschiedenis verloren raakt. Monumenten maken de oorlog tot een aantrekkelijk object, ze geven het beestje een naam en daarmee is de kous af. Op die manier krijgen mensen niet de kans om na te denken over wat er werkelijk is gebeurd, en wat dat voor hen heeft betekend.

The White House is eerder een antimonument, waarmee ik het verhullende van monumenten wil problematiseren. In mijn werk probeer ik juist een opening te bieden, een ruimte waar mensen hun ervaringen kunnen overdenken en verwerken. Rouwen alleen is niet genoeg; je moet jezelf de ruimte geven om te verwerken en te genezen.’

‘De vraag die ik in mijn werk probeer te stellen is: hoe gaan we om met rampzalige gebeurtenissen in ons leven? En vooral: hoe kunnen we na de catastrofe weer verder? Het is niet mijn bedoeling om daarbij een schuldige aan te wijzen, om te zeggen dat de Amerikanen het hebben gedaan, of de Taliban. Ik probeer alleen een andere ruimte te creëren, een plek om datgene wat gebeurd is te overdenken, om te begrijpen hoe mensen ermee kunnen leren leven. Neem het volgende voorbeeld. Tijdens de oorlog zijn een heleboel mensen omgekomen die nooit zijn teruggevonden. Zonder lichaam kan er geen begrafenis zijn, en het ontbreken van dat ritueel is een traumatische ervaring die veel Afghanen hebben meegemaakt. In een van mijn voorstellingen wordt het ontbrekende ritueel nagebootst. Je ziet twee mannen die stenen aan het begraven zijn, maar tijdens de “begrafenis” voeren ze ook een verhitte discussie: moeten de stenen wel begraven worden? Zijn ze niet harder nodig in de huizenbouw, met zoveel mensen die nog altijd in tenten wonen? Het moment van de voorstelling – met de mannen die in de aarde graven en over de stenen praten – creëert een opening waarin mensen hun ervaringen in een ander licht kunnen bezien om het zodoende te verwerken.

De mensen die in mijn werk optreden zijn nooit professionele acteurs, het zijn altijd mensen die ik ter plekke op straat tegenkom. Ook de dingen waarmee ik werk zijn echt, het zijn geen in een studio nagemaakte kopieën. Afghanistan biedt fascinerende mogelijkheden wat dat betreft. Ik hoef niet te werken met nephelikopters, ik werk met echte helikopters die zijn neergeschoten. Het is absurd, maar tegelijkertijd is het de dagelijkse realiteit. Midden in Kaboel liggen twee Russische vliegtuigen, zomaar op een voetbalveld. Ze zijn doormidden gebroken en doorzeefd door minstens vierhonderd kogels. Ik heb geen idee hoeveel mensen daar gestorven zijn. Het is natuurlijk een treurig beeld, iets wat je op de voorpagina van The New York Times of The Guardian zou kunnen aantreffen.

In mijn werk probeer ik er op een andere manier naar te kijken. Ik probeer de beelden zoals ze in de media getoond worden om te vormen tot een plek van overdenking. De vliegtuigen liggen als lichamen op het Afghaanse aardoppervlak. Immense, gebroken lichamen, maar kinderen spelen ermee. Ze proberen ieder kogelgat op te vullen met katoen. Het is hun manier om zich te verhouden tot hun eigen geschiedenis. En tegelijkertijd laten we de wereld zien: kijk, we hebben hier geen speelgoedmodelletjes uit de winkel. Dit is een land waar kinderen spelen met echte vliegtuigen.’

Werk van Lida Abdul is te zien op de tentoonstelling Guestroom, een presentatie van het Prins Claus Fonds in museum Het Domein, Kapittelstraat 6, Sittard. De tentoonstelling loopt tot 11 maart. Lida Abdul was een van de winnaars van de Prins Claus Prijzen 2006