Inclusief erfgoed

Monumenten voor het heden

Hoe vertel je als hulporganisatie over je werk zonder op te scheppen? Studenten van de Reinwardt Academie ontwierpen een tentoonstelling voor de Hoftuin van de Protestantse Diaconie in Amsterdam.

Tre’Shawn Griffin-Noordermeer presenteert zijn ontwerp voor de Hoftuin van de Protestantse Diaconie, geïnspireerd op het verhaal van de barmhartige Samaritaan © AHK

‘Philanthropic campus, dat is eigenlijk niets’, zegt Roel Boogaard vrolijk, terwijl we samen door de Hoftuin lopen, het hart van zijn filantropische campus – wat dat dan ook precies mag betekenen. De tuin en de gebouwen eromheen zijn eigendom van de Protestantse Diaconie. De christelijke hulporganisatie beslaat het hele huizenblok midden in het centrum van Amsterdam, naast de Hermitage.

De Corvershof, het grootste gebouw van de diaconie, was oorspronkelijk een armenhuis voor oudere echtparen. Boven de imposante houten deur vallen met enige moeite nog versregels in zeventiende-eeuws Nederlands te ontcijferen. Zoo weldoen dank verdient en armenzorg beloning/ druipt Corvers naam en Trips op ieders tong als honing. De bouw van het pand werd gefinancierd uit de nalatenschap van schepen en kolonel Joan Corver en zijn vrouw Sara Maria Trip, beiden op jonge leeftijd overleden. Het echtpaar liet hun aanzienlijke vermogen na aan de diaconie. Dankzij meer van zulke erfenissen groeide het complex langzaam uit tot een heel huizenblok, dat ook nu nog in handen van de organisatie is; alleen het gebouw van de Hermitage, waar tot 2006 nog ouderen woonden, werd daarna verkocht aan de gemeente en tot museum verbouwd. Daarnaast bezit de organisatie nog een aantal panden op andere plekken in de stad, waar bijvoorbeeld ex-gedetineerden of voormalig verslaafden wonen.

De organisatie stamt uit een tijd waarin er nog geen verpleeghuizen, uitkeringen of voedselbanken bestonden. In de loop der jaren veranderde de functie van de diaconie, toen de overheid een deel van de oorspronkelijke taken overnam. In een klein deel van de gebouwen wonen nog steeds ouderen, maar de Corvershof biedt tegenwoordig kantoorruimte aan ngo’s, en in het souterrain zit het Wereldhuis, een opvang voor ongedocumenteerden. De diaconie staat, benadrukt Boogaard, los van de protestantse kerk, met een eigen bestuur en eigen financiën. Hij is zelf weliswaar lid van de kerk, maar verzekert me dat het geen voorwaarde is om er te werken.

Al sinds haar oprichting opereert de diaconie grotendeels in stilte. Opscheppen over liefdadigheidswerk hoort als rechtgeaarde calvinist natuurlijk niet, dus aan de buitenkant van de gebouwen is amper een verwijzing naar het werk te vinden. Ook in de Hoftuin heeft het merendeel van de bezoekers geen idee wat zich in de omliggende gebouwen precies afspeelt. Daarom werd Boogaard aangesteld als ‘kwartiermaker philanthropic campus’, om van alle medewerkers, vrijwilligers, ongedocumenteerden en passanten die zich in en rond de diaconie bevinden een echte gemeenschap te smeden.

Als het terrein zich echt wil ontwikkelen tot een filantropische campus, moet in de onzichtbaarheid toch verandering komen. Daarom besloot de diaconie, die normaal gewend is om de mensen om zich heen te hulp te schieten, ditmaal zelf hulp van de buren in te schakelen. Ze kwamen een paar honderd meter verderop uit, aan de andere kant van het tunneltje dat onder de drukke Weesperstraat doorloopt. Daar is de Reinwardt Academie gevestigd, onderdeel van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. De academie biedt een bachelor- en masteropleiding op het gebied van cultureel erfgoed aan. Vast onderdeel van de masteropleiding museologie is dat de studenten zich buigen over een erfgoedvraagstuk van een echte opdrachtgever. Dit jaar was de opdracht om een permanente tentoonstelling voor de Hoftuin te ontwerpen, die het werk en de geschiedenis van de diaconie belicht. ‘Op een manier die bij ons past’, voegt Boogaard daar snel aan toe; het mag natuurlijk niet opzichtig worden.

Een decembermiddag. Het is nog geen vier uur, maar buiten heeft de schemering al ingezet. In het klaslokaal met uitzicht op de Hortus Botanicus buigen vijf masterstudenten zich over hun maquettes. Ze bouwen het grachtenblok dat naast hun school ligt na met piepschuim, ijsstokjes en karton. Er klinkt zoete kerstmuziek door een paar meegebrachte speakers, in de lucht hangt de geur van lijm. De aanwezige studenten komen elk uit een ander land: Nederland, Italië, India, China en Amerika. De andere helft van de klas is al naar huis vertrokken voor Kerst of geveld door de griep. Daarom staan Naveen Beesa (35) en Lin Li (27) er vandaag maar met z’n tweeën voor in plaats van met hun groep van vijf, en dat blijkt nog niet zo eenvoudig. Ze buigen zich over hun miniatuurpaviljoen, doorsnede ongeveer vijftien centimeter, met zeven gelijke zijden (‘gebaseerd op de zeven werken van barmhartigheid’), gemaakt van transparant plastic.

Het bouwwerk, dat in de Hoftuin een plaats voor tentoonstellingen en activiteiten zou moeten worden, oogt nog wiebelig. Li studeerde voordat ze naar Amsterdam kwam architectuur in Guangzhou, Zuid-China. Ze laat het uitzagen van ondersteunende blokjes piepschuim liever over aan Beesa, terwijl ze op haar Apple-laptop professioneel ogende visualisaties van hun ontwerp laat zien. Na haar studie vond ze een baan bij de educatieve afdeling van een museum, waarna ze in Nederland terechtkwam voor de master museologie.

In bochten enkronkels trekt het rode lint, ‘de reis van het leven’, door de Hoftuin

Beesa had zo zijn eigen redenen om naar de Reinwardt Academie te komen: hij is, vertelt hij, al ceo van een museum in zijn woonplaats Hyderabad, een metropool in het zuiden van India. Zijn grootouders verzamelen al decennialang Indiase kunst, die ze hebben ondergebracht in hun eigen stichting, de Jagdish and Kamla Mittal Museum of Indian Art. Een gebouw en tentoonstellingen heeft de verzameling nog niet, maar daar moet binnenkort verandering in komen. Zodra Beesa, die voorheen als investeringsbankier werkte, zijn carrièreswitch heeft bekroond met een masterdiploma van de Reinwardt, gaat hij terug naar Hyderabad.

De meeste masterstudenten hebben al werkervaring, soms zelfs binnen de museumwereld. Toch kiezen ze dus nog voor deze opleiding, die anderhalf jaar duurt en nu ruim tienduizend euro kost. De Reinwardt-master leidt niet specifiek op tot het beroep van conservator, dat meestal door kunsthistorici of historici wordt uitgeoefend, maar afgestudeerden weten wel vaak werk te vinden in de competitieve wereld van tentoonstellingsontwerp, ook internationaal.

Studenten van de Reinwardt Academie bespreken elkaars ideeën © Bob Bronshoff

Aan de andere kant van het lokaal hanteert Tre’ Shawn Griffin-Noordermeer – ‘ik heb altijd graag een lange naam gewild’ – het lijmpistool. Griffin-Noordermeer (25), met kerststrikje en blauwe lok in zijn pony, komt uit een klein plaatsje in Ohio. Drie jaar geleden verhuisde hij naar Leiden voor een uitwisseling van een half jaar, maar zes uur nadat het vliegtuig was geland ontmoette hij zijn echtgenoot, aan wie hij de tweede helft van zijn dubbele achternaam te danken heeft. Hij is een van de weinigen met enige ervaring in het bouwen van maquettes: ‘Op de middelbare school heb ik vier jaar gewerkt aan een maquette van een Tudor-landhuis in Engeland uit de Tweede Wereldoorlog, met 64 kamers.’ Het eindresultaat was twee bij twee meter.

Maar ik moet niet denken dat het alleen maar een praktische opdracht is, verzekert docent Paul Ariese me. Vandaag zitten ze dan toevallig te knippen en plakken, maar achter de twee tentoonstellingsontwerpen schuilt een berg voorbereiding en denkwerk, en dan moeten ze ook nog een theoretische paper schrijven. Ter voorbereiding hielden de studenten interviews in de Hoftuin, stelden ze profielen van de verschillende soorten bezoekers op en plozen ze boeken uit over de geschiedenis en de identiteit van de diaconie.

Waar de groep van Beesa en Li hun ontwerp baseerde op Jezus’ zeven werken van barmhartigheid, haalden Griffin-Noordermeer en zijn groepsgenoten hun inspiratie uit het bijbelverhaal van de barmhartige Samaritaan. ‘Wees een goede buur’, werd het leidende principe, dat ze naar een tentoonstelling vertaalden in de vorm van een meanderend rood lint. ‘Ons lint symboliseert de reis van het leven’, legt Griffin-Noordermeer uit.

Ups en downs, bochten en kronkels, dwars door de Hoftuin heen. Soms verandert het in een bankje, op sommige plaatsen verdwijnt het in de grond of schiet het juist de lucht in, zodat je eronderdoor kunt lopen. Langs het lint is informatie over de geschiedenis van de diaconie te lezen en misschien vormt een deel van het bouwwerk zelfs een glijbaan voor kinderen. De masterstudenten van Reinwardt ontwerpen een concept, geen volledig uitgewerkt plan. Praktische beperkingen als materiaalkeuze en ook het exacte budget hoeven ze in hun voorstel nog niet mee te nemen.

‘Erfgoed is meer dan mooie objecten in een ivoren toren. Wij halen het uit die toren’

Behalve het rode lint bestaat de tentoonstelling uit elf figuren die een rol hebben gespeeld in de geschiedenis van de diaconie: van Sara Maria Trip tot een ongedocumenteerd kind in deze tijd. Kijk uit dat die kleine beeldjes geen tuinkabouterachtig effect krijgen, waarschuwt Ariese.

Op de stoep aan de gracht staat een groepje jonge mannen van Afrikaanse afkomst te roken. Een groter contrast tussen de welvaart van de grachtengordel uit de Gouden Eeuw en de bezoekers van het Wereldhuis is amper denkbaar. Hier komen mensen die voor hun basisbehoeften afhankelijk zijn van de bed-bad-broodregeling van de gemeente. Overdag staan ze op straat, zonder geld of perspectief. Wie geen papieren heeft, kan niet werken, geen huis huren, geen opleiding volgen, geen bankrekening openen en eigenlijk niet eens naar de dokter. Zeker in de winter is het daarom druk in het Wereldhuis, waar dagelijks een warme lunch wordt geserveerd. Naast het Wereldhuis zit in het souterrain van de Corvershof ook nog een daklozenopvang en de Sociale Kruidenier: een winkel waar mensen met een minimuminkomen tegen lage prijzen producten kunnen kopen die de voedselbank niet heeft.

Ook op deze grijze decemberdag vormt zich in het Wereldhuis een lange rij mensen uit allerlei landen voor het eten, dat in grote aluminium cateringschalen warm wordt gehouden. In het gewelfde bakstenen souterrain staan eenvoudige houten tafels en stoelen, helemaal achterin zijn in wat kleine kantoortjes hulporganisaties voor gezondheidszorg en bijstand in de asielprocedure gevestigd. Er worden soms ook Nederlandse lessen of andere cursussen gegeven, maar het Wereldhuis is voor veel mensen vooral een warme en droge plek, en de enige plaats waar ze een warme maaltijd kunnen eten. Terwijl we een kinderwagen passeren, merkt Boogaard op dat ze de laatste tijd steeds vaker kinderen zien in het Wereldhuis. Geen idee waarom, voegt hij er direct aan toe. Met politiek houdt de diaconie zich, net als met religie, niet bezig.

Voordat de Reinwardt-studenten aan hun ontwerp begonnen, hielden ze tientallen interviews in de Hoftuin: met museumbezoekers en voorbijgangers, toeristen en Amsterdammers, maar ook met bezoekers van het Wereldhuis. Van alle groepen hadden zij de sterkste band met de tuin, vertellen de studenten. Sommigen beschouwden het zelfs een beetje als ‘hun’ tuin, waar ze in de zomer sporten of ontspannen in de zon. Ze voelen zich er, ook zonder papieren, thuis en veilig – anders dan bijvoorbeeld in het Vondelpark. Eigenlijk zitten de meesten er helemaal niet op te wachten dat er iets verandert aan de Hoftuin. En als er dan toch per se iets nieuws moet komen, dan graag praktische, gebruiksvriendelijke verbeteringen: stoelen, een speeltuin of een barbecue.

‘Als je zelf niet overtuigd bent, kun je de klant ook niet overtuigen.’ Streng kijkt Ariese de groep rond. Het is begin januari en de datum van de eindpresentatie nadert. Hij benadrukt het nog maar eens: de klant moet het voorstel meteen begrijpen en ook het bidbook moet voor zichzelf spreken. Kritisch bekijkt hij de vorderingen van zijn studenten – letterlijk, terwijl hij zich over de maquette buigt – en bevraagt hij hun ideeën, om hen alvast voor te bereiden op eventuele lastige vragen van de opdrachtgevers.

Bij de groep van het glazen paviljoen met zeven zijden breekt lichte paniek uit als Ariese informeert naar de beoogde omvang van het geheel: hoeveel is het grondoppervlak eigenlijk? De studenten kijken elkaar vragend aan, er worden vlug getallen vermenigvuldigd op telefoons. 250 vierkante meter, is het voorlopige antwoord, al lijkt die berekening wel erg hoog uitgevallen. Terwijl Ariese suggereert dat ze het paviljoen beter wat kunnen laten krimpen, want ‘dit is een derde van de grote hal in het Tropenmuseum’, googelt Li op haar laptop nog eens de formule voor de oppervlakte van een cirkel. Gelukkig hebben ze nog even om het model aan te passen.

‘Erfgoed is meer dan mooie objecten in een ivoren toren. Als het in een ivoren toren staat, halen wij het er meteen uit’, zegt Ariese een week later, bij de opening van de eindpresentatie. Erfgoed behoort niet alleen tot de geschiedenis, maar moet ook nu toegankelijk zijn, zoals de monumentale Hoftuin een decor moet worden voor betekenisvolle ontmoetingen in het heden.

Behalve de tien masterstudenten zijn er vandaag vijf docenten aanwezig en ook twee opdrachtgevers: Roel Boogaard en de directeur van de diaconie, Paul van Oosten. Hij worstelt al sinds zijn aantreden, meer dan twintig jaar geleden, met de inrichting van de Hoftuin, dus hij kan niet wachten om de ideeën van de studenten te horen. In zijn reactie op de presentaties komt hij superlatieven te kort: het liefst zou hij meteen zakendoen. ‘Wat kost het? Een paar ton?’

Daarop hebben de studenten nu geen antwoord, maar een paar weken later vertelt Ariese dat de diaconie in gesprek is met ‘Team Moov’, de groep van het rode lint. Het zal, vanwege praktische obstakels als vergunningen en technisch ontwerp, nog wel even duren voordat de tentoonstelling te bezoeken is. Zodra die overwonnen zijn, trekt een rood lint bezoekers voortaan de Hoftuin binnen.