Perquin

Mooi

Er zit een man in de trein waar ik mijn ogen niet vanaf kan houden. Ik ben de enige niet: het echtpaar tegenover me, een man en een vrouw van rond de veertig met wandel­schoenen aan, werpt ook steeds een blik. De man slaapt. Zijn grote hoofd hangt, als de kop van een tulp, neerwaarts aan de dunne nek. Te zwaar om te dragen. Zijn huid is pokdalig. Er zitten kleine gaatjes in zijn neus en wangen, sommige zo groot als speldenknoppen. Zijn onderkaak steekt ver naar voren, terwijl zijn voorhoofd sterk terugwijkt. Zijn mond, waar een speekselsliert uit hangt die op de voorkant van zijn morsige trui een plasje vormt, lijkt op een wond. Twee hevig doorbloede lippen, paarsig glanzend. Zijn haar is dik en bruin en kaarsrecht afgeknipt, waardoor het nogal kunstmatig oogt, als iets dat niet bij hem hoort. Ik kijk naar hem en denk hetzelfde wat ik denk als ik heel mooie mensen zie: hoe kan het zo gemaakt zijn, hoe kan het zo beeldvullend zijn, waarom wil ik blijven kijken? Ik vind lelijkheid altijd iets sympathieker dan schoonheid. Misschien omdat lelijkheid ondanks zichzelf bestaat, er feitelijk niet wil zijn. Schoonheid wordt graag onderstreept en uitgelicht, houdt van zichzelf, wentelt zich in blikken – terwijl lelijkheid bij voorkeur achteraan blijft en aandacht slecht verdraagt. Maar dit kijken, denk ik, is in zekere zin ook wellustig, bijna pervers. Een vorm van ramptoerisme. Want het echtpaar en ik staren nu onafgebroken, hoewel we doen alsof dat niet zo is. We kijken subtiel, via de spiegeling van het raam. We kijken omdat het kan, omdat het haast onmogelijk is om niet te kijken. Terwijl de trein schommelt en de speekselsliert danst op de maat, vormt de slapende man een uitzicht op wat ons bespaard is gebleven. De vrouw van het echtpaar strijkt in een onbewust gebaar over haar gezicht. De man van het echtpaar gaat iets breder zitten. Ach, ook dat is zo sympathiek van de lelijkheid, denk ik. Dat je er in je alledaagsheid naast kunt gaan zitten om je dan, stiekem, even heel mooi te voelen.