H.J.A. Hofland

Mooi debuut

Kunnen we in dit Nederland, in de zomer van 2002, het lezend publiek nog aan de kop zeuren met buitenlandse politiek? Wat is dat? Hebben we niet genoeg te beleven in het circus van onze binnenlandse politiek? En zijn we niet een klein landje — niet meer gidsland, niet meer poldermodel — dat al genoeg te stellen heeft met zijn eigen junks en buitenlanders? Laat mij, voor deze gelegenheid, schrijven dat ik ook iets voorspeld heb. Het resultaat van onze jongste revolutie is dat we verder provincialiseren. U zult vragen: is daar iets tegen?

Op het ogenblik zijn alle Amerikaanse ambassades in Europa bezig met het schrijven van rapporten waarin ze melden hoe de plaatselijke regering en bevolking staan tegenover een mogelijke oorlog met Irak. In Washington loopt het meningsverschil daarover hoog op. Aan de ene kant staat de president met zijn getrouwen: vice-president Dick Cheney, veiligheidsadviseur C. Rice, minister van Defensie Rumsfeld en zijn plaatsvervanger Wolfowitz. Ze willen er zo snel en zo hard mogelijk op los slaan.

Aan de andere kant zien we — met uiteenlopende argumenten — de generale staf en het State Department. De generaals verzekeren al maanden dat een grote landoorlog een leger van 250.000 man vergt, en dat dit niet op de been valt te brengen. Bovendien, rederenen ze, zal zo’n grootschalige actie alleen een duurzaam succes hebben als regering, politiek en volk het uithoudingsvermogen kunnen opbrengen om na de overwinning Irak te herbouwen tot een democratische staat. Ook daaraan wordt zwaar getwijfeld.

De andersoortige tegenstand komt van Colin Powell. Zijn lange ervaring zegt hem dat door een grote oorlog, nu of morgen, het hele Midden-Oosten in een onbeheersbare heksenketel zal veranderen. Deze zienswijze wordt door de vrienden van Bush hardnekkig bestreden. Dit alles is geen inside information. Het nieuws over de vorderingen staat iedere dag te lezen in Amerikaanse kranten die ook in Nederland te koop zijn, en op de websites.

«De haaien» worden Cheney, Rumsfeld c.s. in de New York Times genoemd. «Het is tijd voor Powell om zich in te graven», schrijft de krant. «Bush heeft hem meer nodig dan hij de president.»

Wat heeft dit alles met Europa, in het bijzonder met Nederland te maken? Zal het iets uitmaken wat hier wordt gezegd, als de meerderheid in de Amerikaanse regering zich onherroepelijk tot het unilateralisme heeft bekeerd, en er onherstelbaar van overtuigd is dat de Europeanen, ondankbaar, hun oude vrienden alleen in de weg lopen?

Nee, het zou geen verschil maken als de regering-Bush, met een grote meerderheid in het Congres, de vastberaden monoliet was die ze voorgeeft te zijn. Maar in toenemende mate is het tegendeel het geval. De populariteit van de president daalt naarmate zijn zelfoverschatting stijgt.

De meerderheid van de Amerikanen zal hem wel op zijn woord willen geloven als hij zegt dat Saddam een schurk van de hoogste ongewenstheid is, maar dat is iets anders dan 250.000 man overzee sturen, met de enige zekerheid dat een aantal in bodybags zal terugkeren.

Het is niet in het belang van Europa, noch van Amerika dat binnen nu en een paar maanden een grote oorlog tegen Saddam wordt begonnen. De overheersende fractie in de Amerikaanse regering, die met de president dat wél wil, moet aan het verstand worden gebracht dat in geval van een voldongen feit niet op de Europeanen te rekenen valt. Dat is geen anti-Amerikanisme maar rampenpreventie, en daardoor ook: buitenlandse politiek. Onze nieuwe minister van Buitenlandse Zaken heeft er verstand van. Hij heeft ervaring als diplomaat, hij luistert naar zijn ambassadeurs die hem dezelfde boodschap geven. Hij kan proberen er een Europese zaak van te maken. Hij zal de enige niet zijn. Geachte excellentie Jaap de Hoop Scheffer, maak er een mooi debuut van!