Tentoonstelling: ‘Tell Me Your Story’

Mooi. En lelijk ook

Kunsthal Kade in Amersfoort toont honderd jaar Afrikaans-Amerikaanse kunst. Mag ook de ‘vuile was’ worden getoond, net zo vanzelfsprekend als witte kunstenaars dat doen?

Kara Walker, The Plantation Fambly Romance, 1997 © Kara Walker en Sikkema Jenkins & Co.

Zelf schrijf ik meestal ‘Afro Amerikaans’ of ‘Afro Amerikanen’, dat is korter en heeft nog een beetje verbinding met de spreektaal. Liever geen plechtstatigheid als het niet hoeft. Maar Rob Perrée, gastcurator bij Kunsthal Kade in Amersfoort, gebruikt in woord en schrift ‘Afrikaans-Amerikaans’, de letterlijke vertaling van African American, en zo luidt ook de ondertitel van de tentoonstelling die hij samenstelde: Tell Me Your Story: 100 jaar storytelling in Afrikaans-Amerikaanse kunst.

Nu zou er een verhitte woordenstrijd tussen ons moeten losbarsten, om het radicaal eigentijds te maken. Maar dat gebeurt niet. Hij zegt Afrikaans-Amerikaans, ik neem het van hem over. Te bewonderen: zo’n vijftig werken van Afrikaans-Amerikaanse kunstenaars, daterend van de inmiddels mythische Harlem Renaissance uit de jaren twintig van de vorige eeuw tot aan de huidige periode, door Perrée ook wel aangeduid als de ‘Bloom generation’. Dat tekent niet alleen de bloei maar ook de veelzijdigheid van de getoonde werken, als in Mao’s – overigens zeer korte – liberalisatieprogramma ‘Laat honderd bloemen bloeien’.

‘Nooit waren Afrikaans-Amerikaanse kunstenaars zichtbaarder dan nu’, zegt Perrée. ‘De directeur van het MoMA noemde ze “de interessantste kunstenaars van het moment”. En in Nederland zijn veel van die werken en die mensen onbekend.’

Veel werk komt uit bruikleen; Perrée glundert nog steeds dat hij erin geslaagd is zoveel bij elkaar te krijgen. De kunsthistoricus is nu 25 jaar met dit onderwerp bezig, vanaf het moment dat hij in 1995 in New York woonde; toen was O.J. Simpson elke dag in het nieuws, Oprah Winfrey bezig een tv-heilige te worden en o ja, leefde hijzelf samen met een ‘activistische, zwarte man’. Want Perrée is wit, zo noemt hij het zelf ook: geboren in Limburg, getogen in Veghel waar hij als puber bezeten luisterde naar de lp van Nina Simone’s Strange Fruit, terwijl daar in die omgeving ogenschijnlijk niet zoveel aanleiding toe was. Jaren later, in New York: die overdonderende ervaring van het Afrikaans-Amerikaanse kunstaanbod, alles wat hij niet of nauwelijks kende, alles waar Nederland geen weet van had. ‘De kunstmarkt waarin Schnabel en Koons domineerden was eind jaren tachtig ingestort, galeries moesten op zoek naar alternatieven, en er waren genoeg gretige zwarte kunstenaars die zich wilden bewijzen.’ Perrée maakte afspraken met Afrikaans-Amerikaanse kunstenaars, critici en curatoren. Klein, maar veelbetekenend zinnetje uit de catalogus: ‘Dat ik een witte man was, speelde toen nog geen rol.’

Hij aarzelt niet als ik ernaar vraag. ‘Dat zou nu heel anders zijn.’

We lopen langs de zalen, en dan zie ik werk dat ik ken, van Betye Saar, geboren in 1926 en een van de nog levende legenden die op deze tentoonstelling te zien is. Een ouderwets wasbord, waarop vroeger geboend werd, daarboven het gefiguurzaagde silhouet van een anonieme, zwarte vrouw met haar handen in de wastobbe. In stralende wasreclameletters daaronder lezen wij vervolgens: ‘Sunnyland’, en de titel van het geheel: The Liberation of Aunt Jemima. En Aunt Jemima is dan weer de prototypische zwarte dienstvrouw, zoals zij in honderden Amerikaanse reclames werd afgebeeld.

Op het wasbord zelf is nu een voorstelling te zien (even goed kijken) van een zwarte man die gelyncht wordt. Daaronder lezen we: ‘On the dark side’. De donkere kant van het Sunnyland.

Het werk is nog steeds een klap in je gezicht, juist omdat het er van een afstand zo aandoenlijk gezellig en folkloristisch uitziet. Niet moeilijk, lekker herkenbaar. Betye Saar maakte deel uit van de Black Arts Movement, en haar assemblages en installaties getuigen van zwart feminisme en een radicaal anti-racisme. De boodschap is niet te missen, het is de tegenstelling met de schijnbaar onbezorgde huishoudelijkheid die zorgt voor de stomp in de maag.

Perrée heeft het werk van Saar met dat van onder meer Charles White en Jacob Lawrence geschaard onder het hoofdstuk: Post Harlem Renaissance. Want de Harlem Renaissance, de ‘kunstexplosie’ die in de jaren twintig plaatsvond in het zwarte Harlem in New York, was toch vooral een literaire beweging: letterlijk ging het om ‘storytelling’ bij schrijvers als Langston Hughes en de filosoof Alain Locke, die in 1925 de bloemlezing The New Negro samenstelde. Locke’s nieuwe, zwarte Mens wilde niet langer beantwoorden aan de stereotypen die wit Amerika koestert, hij wil zwart zijn, zij is zelfbewust, en ondertussen valt het Gouden tijdperk van Harlem in stoutmoedigheid en experimenteerlust misschien nog het beste te vergelijken met de seksuele en kunstzinnige experimenten, zoals die in Berlijn plaatsvonden in de jaren twintig.

Met dit verschil, dat de Harlem Renaissance vooral toch een zwarte aangelegenheid was. Of, zoals schrijver en dichter Langston Hughes het in 1926 formuleerde: ‘We younger Negro artists intend to express our individual darkskinned selves without fear or shame. We know we are beautiful. And ugly, too.’ Wij laten ons donkergekleurde Zelf zien, of het nu mooi of lelijk is.

Die laatste toevoeging is veelzeggend, en speelt nog steeds een rol. Ja, black is beautiful, de Afrikaan-Amerikaan heeft veel om trots op te zijn, maar mag zo iemand ook z’n ‘lelijke’ kanten laten zien, of die van zijn ‘gemeenschap’? Mag de zogenaamde ‘vuile was’ worden getoond, net zo vanzelfsprekend als witte kunstenaars dat doen?

Of is de zogenaamde positieve correctie, het positieve beeld verplicht?

'Sunnyland' is een klap in je gezicht, omdat het er van een afstand zo aandoenlijk uitziet

De nazaten van de Renaissance -periode of de ‘post Harlemites’ dragen eenzelfde zelfbewustzijn uit en zien zwart Amerika als een eigenzinnige cultuur, die voldoende waarde in zichzelf draagt om serieus genomen te worden.

Wie kijkt naar het werk van bijvoorbeeld Charles White (1918-1979), wordt de wereld binnengetrokken van zwart Amerika: bridgende zwarte vrouwen, met sigaret en monocle, die de intimiteit en vanzelfsprekendheid van de zwarte wereld belichamen, alsof daar vlak buiten niet een mijnenveld wacht aan raciale vooroordelen. Het portret van de zwarte arbeidster (Woman Worker, 1951) laat een flinke zwarte vrouw zien met vastberaden maar vermoeide ogen, die toch volstrekt soeverein die wereld inblikt. White had communistische sympathieën, maar van propagandistische kwaliteiten kun je dit werk niet beschuldigen. Daarvoor kent het te veel dimensies.

Er zit in al die Afrikaans-Amerikaanse werken iets wat Amerikanen ‘savvy’ noemen: wereldwijs, op de hoogte van de laatste trends en dingen. Voor mij, als late bewonderaar van de Harlem Renaissance, is dit mijn stille trots: er was kosmopolitisme en cocaïne, er was stijl en smaak, the Lord werd er net zo goed vertegenwoordigd als de lesbo: gekleurd en zwart Amerika liep mijlenver vóór op wit Amerika.

Natuurlijk betrof dat maar een heel klein, kunstzinnig deel van dat zwarte Amerika. Zelfs de meeste inwoners van Harlem zullen het in die tijd nauwelijks ervaren hebben. Maar: zwart en gekleurd waren even de voorlopers, en zeker niet de achterblijvers.

Betye Saar, Sunnyland, 1998 © Robert Wedemeyer / Betye Saar & Roberts Projects, Culver City, California / Collectie Museum Hedendaagse Kunst De Domijnen

Honderd jaar lang zal dat ene zinnetje van Langston Hughes leidraad blijven voor de werken en de beoordeling van de Afrikaans-Amerikaanse kunstscene. ‘Beautiful and ugly too.’ In het begin van de jaren zestig, als de Civil Rights Movement haar successen boekt, zie je dat een kunstenaar als Wadsworth Jarrell met zijn, ook qua vorm revolutionaire portret van Angela Davis, een eenduidige politieke en artistieke boodschap verkondigt. Het accent ligt overduidelijk op het ‘beautiful’, op de politieke strijd en de rechtvaardigheid, en minder op de individuele expressie of ontplooiing.

Maar in de jaren negentig van de vorige eeuw, en het begin van deze eeuw (de tijd dat Perrée in New York belandde) wordt de artistieke ruimte voor Afrikaans-Amerikaanse kunst weer vergroot. Een van de bekendste exponenten van die vrijgevochten groep is Kara Walker (1969). Ooit zei ze in een interview met The Guardian dat ze niet van plan was werk te maken over slavernij. ‘Alles wat mensen van mij willen weten heeft met slavernij te maken, want blijkbaar is zwart het enige dat ik ben.’

Aan die belofte heeft Walker zich niet gehouden. Ze werd bekend door haar uitgeknipte, zwart papieren silhouetten, voortdurend in beweging, die het leven verbeelden van zwarte Amerikanen uit het Zuiden van vóór de Burgeroorlog. Slavernij is een gegeven en Walker laat niet alleen de verschrikkingen zien van die tijd, maar ook de dubbelzinnigheden en contradicties. Ze schroomt niet om ook ‘the ugly’ van de tot slavernij gedwongen Afrikaans-Amerikanen te laten zien. Onvrijwillige seks. Verleiding van the Master – door de Vrouw. Onderlinge machtsverhoudingen. In 1994 brak zij definitief door met haar werk, dat een complete muur beslaat. De provocatieve titel: Gone: An Historical Romance of a Civil War as It Occured b’tween the Dusky Thighs of One Young Negress and Her Heart.

Dat is beslist een ander verhaal dan het zoetsappig racistische Gone with the Wind. Tussen de ‘schemerige dijen van een jonge zwarte vrouw’ speelt zich een ‘historische romance’ af van een Burgeroorlog. Walker schroomt niet de stereotypen die leven over Afrikaans-Amerikaanse vrouwen zelf te gebruiken: bolronde billen, grote lippen.

Vanaf dat moment wordt Walker een van de bekendste Afrikaans-Amerikaanse kunstenaars, maar er is ook kritiek, vooral vanuit Afrikaans-Amerikaanse hoek.

Betye Saar, de kunstenares van het vlijmscherpe The Liberation of Aunt Jemima, laat er geen misverstand over bestaan dat Kara Walker met dit werk aan de verkeerde kant van de geschiedenis is terechtgekomen. ‘The work of Kara Walker is sort of revolting and negative and a form of betrayel to the slaves, particularly women and children.’ Behoorlijk weerzinwekkend werk, een verraad aan de vrouwen en kinderen die tot slaaf werden gemaakt.

Hier botst een oudere generatie (Saar) met een jongere (Walker), maar vooral ook botsen hier verschillende visies op wat Afrikaans-Amerikaanse kunst moet en vermag. Is het vooral een instrument in de politieke strijd, met zekere educatieve en corrigerende bedoelingen? Of hoort ook het verwarrende, het hoogst individuele tot haar domein? ‘Ugly too’, zei Langston Hughes al.

Deze tentoonstelling moest een naam en een onderwerp hebben: Afrikaans-Amerikaanse kunst, over een periode van honderd jaar. Maar curator Perrée heeft ervoor gewaakt dé Afrikaan-Amerikaan op te voeren, alsof die in serieproductie komt. De verscheidenheid aan werken laat zien dat groepskunst uiteindelijk niet bestaat.


Tell Me Your Story, t/m 17 mei, Kunsthal Kade, Amersfoort, kunsthalkade.nl