Rotterdam is bijna af

Mooi hoeft het niet te zijn, als het maar werkt

De stad is nog niet helemaal voltooid, maar 75 jaar na het begin van de wederopbouw komt het moment dichtbij dat de wonden zijn geheeld. ‘Rotterdam zit niet vastgeroest aan het verleden, vandaar dat men er geen moeite mee heeft jonge monumenten te slopen.’

Medium rotterdam2

Op een zonnige vrijdagmiddag rijd ik naar het buurtschap Berkenwoude in de Alblasserwaard. Een geniepige ondergaande zon verblindt me zo dat het moeite kost de brede sloten aan weerszijden van het smalle polderweggetje te ontwijken. Hier woont, in een voormalige koeienstal, Riek Bakker, die tussen 1987 en 1993 directeur stadsontwikkeling van de gemeente Rotterdam was. Ze komt nog dagelijks in de stad – Berkenwoude beschouwt ze als een soort buitenwijk waar meer Rotterdammers zijn neergestreken. Al twee decennia adviseert ze de gemeente over de Kop van Zuid.

Riek Bakker stond aan de wieg van deze ‘sprong over de Maas’. Bevlogen als vanouds geeft ze de reden aan: ‘Ik vond het niet kunnen dat Zuid er maar bij hing in Rotterdam alsof het een tweederangs stadsdeel was met tweederangs burgers. De haven trok op dat moment weg naar het westen, naar de Maasvlakte, maar ondertussen bleven er wel werknemers achter die steeds minder emplooi vonden in die haven.’

Sociaal gezien moest er wat gebeuren, omdat Rotterdam veel meer dan Amsterdam een arbeidersstad is, met veel import. Drenten en Limburgers, daarnaast ook Antillianen en Kaapverdianen die op de laaggeschoolde banen in de haven af kwamen. Bovendien was de ontwikkeling van de Kop van Zuid met zijn verlaten vemen en werven noodzakelijk om de binnenstad meer ruimte te geven. ‘Zo groot is het centrum van Rotterdam niet als je het vergelijkt met Amsterdam’, zegt Bakker.

Ze omschrijft de periode van haar directeurschap als een flow. Burgemeester Bram Peper voelde de noodzaak van een sprong voorwaarts, Ien Dales reorganiseerde de sociale dienst, Jan Deutz (later topman bij ing) leidde het grondbedrijf en Riek Bakker diende de stedenbouwkundige dienst smoel te geven. Want die had op dat moment nog geen aanzien. Ze werd smalend weggezet als een ‘landschapsarchitect die zich met de stedelijke ruimte en architectuur bemoeide’. ‘Een landschapsarchitect stond toen in de hiërarchie van het ontwerpen onderaan’, zegt ze.

Bakker presenteerde zich niet als ontwerper maar als strateeg die partijen om de tafel probeerde te krijgen, als iemand die processen uit het slop trekt. Dat doet ze als onafhankelijk adviseur nog steeds. Van het bestuur kreeg ze carte blanche. En ze profiteerde van de wil van de politiek om de Kop van Zuid bij de binnenstad te betrekken.

Het ging verbazingwekkend snel. Een rechtbank, de Belastingdienst, het Luxor Theater, de bioscoop Lantaren/Venster, tal van appartementblokken en niet in de laatste plaats de Erasmusbrug gaven gezicht aan de nieuwe loot aan het Rotterdamse centrum. Over de Erasmusbrug van Ben van Berkel zegt ze: ‘Een tram over een brug! Dat was in de wereld nog nooit vertoond op dat moment. Het kon omdat de grote zeeschepen toch niet meer de Maas op voeren. Die bleven op de Maasvlakte. Dat het zo’n symbool zou worden voor het nieuwe Rotterdam had ik overigens niet voorzien. Maar het was wel een gelukkige omstandigheid.’ Als de marathon van Rotterdam wordt gelopen, in feite prestigieuzer dan die van Amsterdam, is de Erasmusbrug de verbindende en symbolische schakel tussen noord en zuid.

Hotel New York kreeg begin vorig jaar gezelschap van het megablock De Rotterdam met een NH Hotel erin. Het was architect Rem Koolhaas die de nieuwe dynamiek van de stad heeft gevoed en gevuld. Koolhaas heeft hoe dan ook veel aan Rotterdam te danken: hier brak hij in 1994 door met de Kunsthal.

Bakker is laaiend enthousiast over het grootste gebouw van Nederland. ‘De Rotterdam dicht de oeverwand van de Maas, verbindt de gebouwen aan die kant. Het is stoer, het past bij de rivier. Ik heb in mijn tijd als directeur altijd gezegd tegen het bestuur: jullie beschouwen de Maas als een soort snelweg voor schepen. Het centrum staat met zijn rug naar de rivier toe. Om dat te veranderen was een kade met stevige gebouwen aan de overkant nodig. Die is nu met De Rotterdam gevuld.’ Dat het volume van het gebouw van Koolhaas het nietige Hotel New York lijkt te pletten en ook lijkt weg te concurreren als hotel wuift ze weg als ‘minder belangrijk’: ‘Het is de wet van meer cafés in een straat. Die gaan beter lopen als ze elkaar beconcurreren.’

Rotterdam is de beste stad in Europa om in te leven. Dat was het oordeel van de Britse denktank Academy of Urbanism, die de stad op 14 november een Urbanism Award gaf. Rotterdam liet de Deense stad Århus en het Italiaanse Turijn achter zich. ‘De stad heeft een jonge, open, tolerante gemeenschap die vernieuwende architectuur en stedelijk ontwerp en nieuwe bedrijfsmodellen omarmt. De strategie is om families en bedrijven naar het centrum te trekken met huizen, uitstekend openbaar vervoer en een levendige publieke ruimte’, zo formuleerde Steven Bee van de Academy de charme van Rotterdam. Internationaal trekt de emancipatie van Rotterdam dus de aandacht, want ook Tripadvisor en andere reisconsultants bevalen de stad aan als de hotste bestemming in dit deel van Europa. Het is wel eens anders geweest.

Aan de keukentafel in haar modern verbouwde voormalige stal leg ik Riek Bakker de conclusie voor dat Rotterdam zeventig jaar na het bombardement en zestig jaar na de wederopbouw voltooid is. Rotterdam is af. Ga maar na: afgelopen jaar is de stad voorzien van een nieuw centraal station, werd De Rotterdam opgeleverd en is recentelijk de Markthal bij station Blaak geopend, geoormerkt als een instant succes. Een nieuw stadskantoor is in aanbouw (opnieuw van Koolhaas), een depotgebouw van Museum Boijmans staat op de lijst, evenals de ontwikkeling van de shopping mall Magic Cube naast de Koopgoot. Het mag een wonder heten, want op het moment dat Bakker bij de stedenbouwkundige dienst aantrad, was de aandacht van de gemeente vooral gericht op voorsteden als Alexanderpolder, en op de stadsvernieuwing in de ring rond de binnenstad. ‘Het leek wel alsof ze niet aan het centrum durfden te komen’, herinnert ze zich.

Pas door samenwerking met ontwikkelaars en corporaties nam de ontwikkeling van de binnenstad van Rotterdam een vlucht. Buiten die binnenstad ontstond een nieuwbouwwijk waar Bakker nog steeds trots op is. Prinsenland, aan de oostzijde van de stad, brak met de schamele ‘weg-met-ons’-architectuur uit de stadsvernieuwing door een slimme combinatie van ruime geschakelde huizen in een parkachtige omgeving. Voor het eerst durfde de gemeente het begrip kwaliteit op de agenda te zetten.

In de periode-Bakker hebben verschillende generaties architecten een kans gekregen en gegrepen, ook al vindt Bakker dat zelf niet de hoofdzaak: ‘Leefbaarheid en duurzaamheid zijn belangrijker.’ Niettemin zijn Van den Broek Bakema en Hugh Maaskant opgevolgd door Rem Koolhaas, Mecanoo, mvrdv, Ben van Berkel, Adriaan Geuze (West8) en na hen zus, NeutelingsRiedijk en zo meer. Alsof Rotterdam een proeftuin was voor verse afgestudeerden aan de TU Delft, een jaloers makend laboratorium, belichaming van ‘de uitvinding van de stad’.

Is die tijd voorbij, is het speelkwartier afgelopen? Riek Bakker memoreert dat zij in haar tijd altijd iets in de pijplijn had zitten: ‘Je moet ervoor zorgen dat je verder kijkt dan vandaag, dat er weer een nieuw project in het verschiet ligt.’ Dat lijkt nu minder het geval.

Waar zou een metropool met zoveel voltooide projecten naar moeten streven? Juist, herbestemming en herwaardering van zijn verleden, hoe jong dat ook nog is. Dat is nog niet zo eenvoudig. Het jonge monument het warenhuis van Huf is van de ondergang gered, maar staat grotendeels leeg. Hetzelfde geldt voor het monumentale postkantoor aan de Coolsingel. Gebouw de Unie, een gereconstrueerde schepping van Oud, heeft jaren dienst gedaan als debatcentrum maar is nu bizar genoeg getransformeerd in een homokroeg met een openbare douche als voornaamste attractie.

Een week later spreek ik twee vertegenwoordigers van een jonge generatie, Eeva Liukku en Sereh Mendias, die verbonden zijn aan het online magazine Vers beton. We spreken af in een espressobar in een gebouw van Hugh Maaskant, de architect van de wederopbouw. Het zal binnenkort worden gesloopt. Echt barmhartig springt Rotterdam niet om met zijn naoorlogse bouwverleden. Het magazine Vers beton is opgericht toen NRC Handelsblad naar Amsterdam verhuisde. Een groep jonge architecten, filosofen en schrijvers wilde op de terreinen van kunst, cultuur, economie en stedelijke ontwikkeling het gat vullen dat NRC had achtergelaten. Inmiddels trekt Vers beton zo’n vijftigduizend ‘abonnees’ en plaatst het elke dag twee nieuwe artikelen op de site.

De stad is ook in de ogen van Sereh en Eeva niet af, maar er is wel veel gebeurd. Bovendien maakt Rotterdam zich op voor de viering van 75 jaar wederopbouw; die ging vier dagen na het bombardement al van start. Eeva, opgegroeid in de stad, is kind van Fins/Vlaamse ouders en vertelt: ‘Ik kan me niet voorstellen dat ik ergens anders zou wonen. De stad is zo in beweging en die dynamiek zie ik dagelijks. Rotterdam zit niet vastgeroest aan het verleden, vandaar dat men er geen moeite mee heeft jonge monumenten te slopen. Rotterdam is in alles toekomstgericht.’ Dat heeft een geruststellend effect, vinden beiden. Wat er staat hoeft er niet voor altijd te staan. Het is de verlokkende tijdelijkheid van de architectuur. Oude steden met een historische bebouwing, die beschouwen ze als decor voor een vakantiereis. Die zijn niet bedoeld om te gebruiken of te bewonen, maar om te bezichtigen.

Hun verklaring voor de te ruime en dus te ongezellige binnenstad: ‘Vijftigduizend woningen zijn er weggebombardeerd, tienduizend zijn ervoor teruggekomen. Toen men begon met de wederopbouw was de binnenstad niet een plek om te wonen. Daar ging je hooguit winkelen of werken. Het wonen werd verbannen naar de satellietwijken en -steden.’

Buitenstaanders mogen Rotterdam beschouwen als een lelijk eendje, de inwoners vinden dat een geuzennaam

Het komt vermoedelijk voort uit de behoorlijk slechte reputatie van de vooroorlogse binnenstad. Bouwvallige huizen, die te dicht op elkaar waren gebouwd aan stinkende grachten. Vrijwel automatisch verlangde de Rotterdammer na 1945 naar licht en ruimte. Die vonden ze niet in het centrum maar in Krimpen en Capelle aan den IJssel, Hoogvliet en Spijkenisse. De Lijnbaan van Jaap Bakema werd in binnen- en buitenland geprezen. In feite is het een onding, oordeelt de jonge generatie nu. Al die dode expeditiestraten, niemand die boven de winkels woont en dan ook nog de verplichting om er omheen te fietsen.

In haar tijd probeerde Riek Bakker de winkeliers – grotendeels particuliere eigenaren – te bewegen tot vernieuwing. Het was trekken aan een dood paard. Ze hielden vast aan het oude concept. Dat was rigide en monomaan: wonen boven de winkels was er niet bij. Als ‘wraak’ bedacht de dienst van Bakker de ondertunneling van de Coolsingel die de Beursstraat en de Oldenbarneveltplaats met elkaar verbond. De Koopgoot – Rotterdammers zijn meesters in bijnamen – was de figuurlijke uitgestoken middelvinger naar de behoudende middenstand.

De afgelopen tien jaar gebeurde er zoveel dat het moeilijk was bij te houden. Elk jaar kwam er wel een nieuw complex bij, zeggen de vrouwen van Vers beton. Als een bezetene bouwde de herboren Dienst Stadsontwikkeling aan en rond de binnenstad. Vaak fraai en innovatief, zoals de kluswoningen op Spangen die een nieuwe trend hebben gezet. Soms opzichtig modieus – het Calypso-blok en de Pauluskerk van de Britse architect William Alsop. Ze zijn geen lang leven beschoren, voorspellen Liukku en Mendias.

Het groeiende zelfbewustzijn van Rotterdam manifesteert zich volgens hen op twee onverwachte plekken: Katendrecht en Tropicana. Katendrecht, de oude havenwijk met hoeren en passagierende zeelui, met vechtpartijen en verkrachtingen in kelderboxen, was een omgeving waar een meisje alleen zich twintig jaar geleden niet moest vertonen. Het is nu veranderd in een hippe wijk met restaurantjes, de Food Factory en een voorbeeldig opgeknapte openbare ruimte. Het geluk van Katendrecht is dat de negentiende-eeuwse panden dertig jaar geleden niet opzij zijn gezet door sociale woningbouw met zijn dodelijke trespa-gevels. Hier klopt het vooroorlogse hart van Rotterdam, alleen nu vriendelijker en authentiek.

Tropicana, ook zoiets. Het voormalige tropische zwemparadijs, dat in de Maas steekt, is veranderd in de aanstekelijke club Aloha met een café-restaurant waar de sporen van het zwemplezier gespaard zijn gebleven. Een architectonisch sieraad was het niet en zal het ook niet worden. Geen Rotterdammer die erom maalt. Buitenstaanders mogen de stad dan beschouwen als een lelijk eendje, voor de inwoners zelf is dat een geuzennaam. Ze worden inmiddels bijgevallen door de internationale aanprijzingen.

Medium rotterdam1

Je zou bijna vergeten dat bij al deze succesverhalen en -voorbeelden vergissingen zijn gemaakt. De bijna monomane nadruk op de stadsvernieuwing waarover Riek Bakker rept, is zo’n moment in de geschiedenis, hoewel het ervoor gezorgd heeft dat een sociale ‘onderklasse’ behoorlijk kon wonen en ook nog aan de rand van de binnenstad. Zelf heeft ze spijt van het vonnis om Heijplaat, dorp aan de zuidwestkant van de stad, op te offeren voor de haven. De bewoners kwamen in opstand tegen hun ‘arbeidersidylle’. Wie er rondloopt, kan niet anders dan gecharmeerd raken van de huizen en kantoren in Amsterdamse School-stijl. Rond 1992 was het een gedoodverfd sterfhuis. Sinds een paar jaar organiseert Museum Boijmans in de voormalige Onderzeebootloods een spraakmakende expositie en is Heijplaat weer tot leven gekomen, een onverwachte attractie in de rafelrand van de stad.

Want dat is steeds vaker een factor van belang in de metropool van deze tijd: het hoeft niet mooi of idyllisch te zijn, eigenzinnigheid en authenticiteit geven de doorslag. Rotterdam heeft zijn rafelranden midden in en rondom de stad. Het succes fou zijn het voormalige hoofdpostkantoor bij het station en het Schieblock daar vlakbij. Dat postkantoor zou vijftien jaar geleden zijn afgeschreven als een brute betonkolos; godzijdank is het bewaard gebleven als Central Post en opgeknapt, compleet met de typerende abstracte reliëfs uit de jaren vijftig. Dat het AD het zielloze kantoor in de Alexanderpolder heeft ingewisseld voor een etage in dit gebouw is veelzeggend. De Rotterdamse krant bij uitstek is terug in het hart van het nieuws.

Het Schieblock, dat grenst aan het Hofplein, is qua architectuur nog anoniemer en betekenislozer dan het postkantoor. Het was tot sloop gedoemd totdat ZUS Architecten met een lumineus plan kwamen. In afwachting van sloop en herbestemming of omgekeerd stelden ze in 2009 voor een aantal nooit uitgevoerde plannen alsnog te realiseren en zo een nieuwe tijdelijke functie te geven aan het gebouw. Architecte Elma van Boxel van zus stelt: ‘Te lang is het gebruik van een gebouw veronachtzaamd. Zo zijn er twintig jaar geleden kantoren neergezet die alleen als kantoor kunnen fungeren. Nu zijn ze waardeloos.’

Het Schieblock zou je een vorm van stadsreparatie kunnen noemen, een testcase voor hoe je op kleine schaal een stuk stad kunt oppeppen. Een pars pro toto voor Rotterdam. Het blok zelf werd een bruisende collage van werkplaatsen en events, met een biertuin op het dak. Een stadsboerin kweekt er haar gewassen. Het architectonische element is de Luchtsingel, een houten brug over de drukke Schiekade naar het oude Hofspoorstation. Die Luchtsingel, zegt Van Boxel, was decennia geleden al getekend als fly-over. Hij is er gekomen, maar niet in beton en niet zo massief.

Terwijl Riek Bakker juicht over de radicale herbestemming van het Schieblock en de manier waarop de Luchtsingel via crowdfunding tot stand is gekomen, is ze sceptischer over de Markthal van mvrdv boven op de Binnenrotte. Ook de vertegenwoordigers van Vers beton plaatsen kanttekeningen, maar hun bezwaren richten zich vooral op het elitaire karakter van de markthandel. De gewone Turkse marktkoopman zou hier niet makkelijk een plaats kunnen veroveren. Bakker vindt het te groot en te dominant voor zijn omgeving. ‘Zo’n complex zou je eerder in een buitenwijk verwachten.’

Dat neemt niet weg dat er 75 jaar na het bombardement opnieuw een gat in het centrum is gedicht. De Binnenrotte was veranderd in een weifelend plein nadat de trein ondergronds was gegaan. Hetzelfde gold vijftien jaar geleden voor het Schouwburgplein, een winderige vlakte, totdat de nieuwe schouwburg, een megabioscoop en de inrichting van de openbare ruimte door Adriaan Geuze het tot een levendige ontmoetingsplek maakten. Flaneren doe je er nog steeds niet, maar rondhangen en skaten is voor Antilliaanse jongeren een favoriete bezigheid.

Opmerkelijk is dat de ontmoeting steeds vaker lukt in Rotterdam, of het nu gaat om een verhitte discussie in het Douwe Egberts Café of in de biertuin op het dak van het Schieblock. Elma van Boxel noemt het blok ‘een pareltje in de stad’ ook al zie je de schoonheid er niet meteen van af. Maar haar generatie is er ook niet direct op uit de zoveelste egotrip in beton en glas te gieten. ‘We doen onderzoek, zoeken de mogelijkheden van hergebruik en herbestemming.’ Dat mag ook wel met een kantoorleegstand van twintig procent, vele malen hoger dan elders in Nederland. Dan ga je er niet nieuwe kantoren aan toevoegen.

Nee, een stad is niet af, nooit af, kan ik concluderen na alle gesprekken en wandelingen door Rotterdam, hoewel Manhatten aan de Maas realiteit is geworden. Bakker vindt het een gemiste kans dat de stad niet heeft ingezet op nieuwe technologie na het verdwijnen van de haven. Misschien is er een kans voor het radicale plan om de stad op het gebied van energie ‘groen’ te maken, een plan dat eerder dit jaar op de Internationale Architectuur Biënnale werd gepresenteerd. Biobased technology, het recyclen van overtollige energie uit de raffinaderijen rond Pernis, zou Rotterdam het duurzaamst en schoonst van alle steden kunnen maken.

Er moet weer een stedenbouwkundige visie komen op de stad als geheel, bepleit Elma van Boxel, want die kan samenhang brengen in een stad die nu voornamelijk gefragmenteerd is. Werkgelegenheid moet terug in het hart van de stad. Vroeger werd de – vervuilende – industrie verbannen naar het platteland, maar vervuiling en geluidsoverlast zijn met succes bedwongen. Haar bureau ZUS Architecten onderzoekt de mogelijkheden van een Heineken-brouwerij in het voormalige postkantoor, waarmee Heineken Zoeterwoude achter zich zou kunnen laten. Een interessant plan omdat dit ook laaggeschoolden perspectief kan bieden.

Per slot van rekening is een stad niet alleen bedoeld voor uitgaan en winkelen. De terugkeer van de productie in het centrum kan de nodige levendigheid terugbrengen. Opnieuw is de succesvolle Markthal het lichtende voorbeeld – de boeren van Goeree-Overflakkee zijn met hun producten zichtbaar geworden, nadat voedsel lange tijd geanonimiseerd was.

Rotterdam is nog niet af, maar het moment dat de wonden zijn geheeld komt verrassend dichtbij.


Beeld: (1) De Kop van Zuid, Rotterdam (Frans Lemmens / HH). (2) Het dak op het Schieblock is omgetoverd tot een van de grootste stadslandbouwdaken van Europa (David Rozing / HH)