Is schoonheid een recht, een geluk, een talent, een privilege? (2021) © Jeff Spicer / BFC/ Getty Images

Tweehonderd jaar geleden was in de meeste huizen geen spiegel te vinden. Honderd jaar geleden hadden de meeste mensen maar een paar stijve, geposeerde studiofoto’s van zichzelf, en stapten de geïllustreerde tijdschriften over van tekeningen op foto’s. Zestig jaar geleden kwam, met de tv, een constante stroom van beelden van mooie mensen in elke huiskamer, en leerde de eerste generatie kinderen poseren voor de kiekjes van (meestal) papa. Tegenwoordig hebben mensen een cloud vol foto’s van zichzelf, en zien ze honderden foto’s per dag, vaak van mooie, of zorgvuldig mooi gemaakte mensen.

Er goed uitzien, kortom, is in de afgelopen eeuw steeds belangrijker geworden. De constante blootstelling aan beelden van aantrekkelijke mensen en aan informatie over hoe het best je uiterlijk te verfraaien scherpt ons gevoel voor schoonheid, van jongs af aan. We kijken met een kennersblik naar lichamen en gezichten, inclusief ons eigen lichaam: dit is goed, dit kan beter, hier kan een paar kilo af, die neus is net te groot, jammer van die broek bij dat figuur, zou botox geen idee zijn?

Aandacht besteden aan je uiterlijk, jezelf ‘mooi maken’ of ‘optutten’ gold lang als moreel dubieus – ijdel, oppervlakkig, hoogstens geschikt voor jonge vrouwen. Deze lichtzinnigheid bleef niet onbestraft: ‘wie mooi wil zijn moet pijn lijden’. In de spanne van een eeuw werd aandacht voor het uiterlijk een algemeen geaccepteerde bezigheid – voor mannen en vrouwen, jong en oud. De filosoof Heather Widdows noemt schoonheid een ethische plicht. Je moet er goed uitzien. Als je er niet goed uitziet word je daar, zoals dat veelzeggend heet, ‘op aangekeken’.

Dit maakt deel uit van een groter pakket van zelfactualisatie: je moet het beste uit jezelf halen. Schoonheid is een symbool voor dit ‘project van het zelf’, een zichtbaar teken dat iemand aan zichzelf werkt. Daarmee staat schoonheid voor competentie, controle, gezondheid, status, jeugd, rijkdom, zelfbeheersing. Mensen spenderen steeds meer geld, tijd en inspanning aan hun uiterlijk. We zien dit op veel terreinen: snel toegenomen uitgaven aan verzorgingsproducten, meer deelname aan sportieve activiteiten zoals fitness, die (deels) gericht zijn op verfraaiing van het lichaam, de opkomst van diëten, allerlei nieuwe beroepen en beroepssectoren gericht op uiterlijke verfraaiing, een explosieve toename van het gebruik van plastische chirurgie.

Ik noem dit: een uitdijend schoonheidsregime. In de afgelopen eeuw zijn steeds meer mensen opgenomen in een sociaal-cultureel systeem dat mensen voorhoudt dat ze er goed uit moeten zien. Anders dan vroeger is dit schoonheidsregime niet alleen voor jonge vrouwen of vrouwen van hogere afkomst, voor wie schoonheid altijd belangrijk was – zie de sprookjes met knappe prinsessen. In dit uitdijende schoonheidsregime is uiterlijk maakbaarder, en steeds belangrijker – voor relaties en werk, identiteit en sociale acceptatie, gedurende de hele levensloop. Dit leidt tot nieuwe vormen van sociale uitsluiting en stigmatisering en tot nieuwe ongelijkheden.

In de 21ste eeuw kunnen we schoonheid niet meer wegwuiven. Het is niet alleen een miljoenenbusiness die een stevig deel van het huishoudbudget opsoupeert, maar ook een bron van ongelijkheid: een vorm van kapitaal die dreigt de rijken nog rijker te maken, en de armen nog armer.

Waarom is het zo belangrijk om mooi te zijn? Allereerst door de ontwikkeling van een visuele mediacultuur. Met de explosieve groei van de massamedia zien mensen steeds meer beelden van andere mensen. Dit schoolde mensen in het kijken naar, en oordelen over uiterlijk. Media maakten mensen tot publieken; toeschouwers die met een kennersoog kijken naar een nieuwe klasse van mooie mensen: sterren, modellen, beroemdheden. Voortbouwend op onze aangeboren neiging om sterk te reageren op aantrekkelijke mensen en visuele prikkels, en op onze behoefte om mooi gevonden te worden, vormt deze mondiale visuele cultuur ons ‘gevoel voor schoonheid’, tot ver voorbij onze natuurlijke instincten.

Het schoonheidsregime dijde ook uit door de opkomende consumptiemaatschappij. De industriële revolutie betekende dat er consumenten nodig waren om alle nieuwe producten te kopen. Deze groei realiseerde zich vooral in de schoonheids-, mode- en cosmetische industrie. Tot laat in de negentiende eeuw bezaten de meeste Europeanen maar enkele sets kleding: ‘één in de kast, één aan de bast en één in de was’.

Een eeuw later zijn we, met hulp van mode, media en reclame, ervan overtuigd geraakt dat zelfs het tienvoudige niet voldoet. De cosmetische industrie vond sinds de negentiende eeuw het ene na het andere product uit: shampoo, tandpasta, scheerzeep, conditioner, haarverf, gezichtscrème, uitgesplitst in dag- en nachtcrème, en tot vijf-, zes-, zelfs zevenstapsprogramma’s. De mode- en schoonheidsindustrie creëerde het aanbod, de vraag volgde vanzelf.

Om de nieuwe schoonheidsproducten aan de man te brengen, moesten taboes op het najagen van schoonheid worden geslecht. Tot in de twintigste eeuw was het actief werken aan schoonheid maar moreel dubieus; make-up bestond wel, maar was voor vrouwen van lichte zeden. Een fatsoenlijke vrouw deed zoiets niet – om van mannen maar te zwijgen. De schoonheidsindustrie loste dit op door schoonheid te verknopen met gezondheid, hygiëne en zelfbeheersing. Dit schoonheid-als-gezondheidsverhaal speelde bijvoorbeeld een grote rol bij de stigmatisering van lichaamsgewicht. In nauwelijks vijftig jaar wisselden ‘slank’ en ‘vol’ stuivertje als toppunt van schoonheid. Deze snelle omslag wordt meestal verklaard uit de overgang van een wereld van gebrek naar een wereld van overvloed. De schoonheidsindustrie hielp graag mee met het bestrijden van het nieuwe, door overvloed gecreëerde probleem: de groeiende lichaamsomvang werd aangepakt met nieuwe producten die een slank, mooi lichaam beloofden.

In de consumptiesamenleving verkeerde het taboe op mooimakerij in het tegendeel: mooi maken moet. Niemand hoeft meer oud en uitgezakt te worden als de natuurlijke schoonheid verlept. Als je dus toch oud en uitgezakt wordt, was dat dus je eigen keuze en je eigen schuld. Zo werd schoonheid een levenslang project.

Daarnaast kreeg het schoonheidsregime de wind in de rug door de grote democratiseringsprocessen van de twintigste eeuw: de toegenomen macht van vrouwen, jongeren, arbeiders, seksuele minderheden, en mensen van niet-Europese afkomst. Schoonheid is een machtsbron: iets wat mensen graag willen bezitten of beheersen, maar waar niet iedereen toegang toe heeft. Zowel het vermogen om mooi te zijn en zich mooi te maken, als het vermogen om de eigen smaak te cultiveren en schoonheid te waarderen, was lang voorbehouden aan een selecte groep. Vooral vrouwen in de hogere klassen maakten zich mooi. Vooral mannen en vrouwen in de hogere standen hadden de mogelijkheden om hun smaak te ontwikkelen, door kunst, couture en de omgang met mooi uitgedoste dames. Tot de twintigste eeuw was het schoonheidsregime aristocratisch: voor en van een gesloten, welvarende elite.

De nieuwe schoonheidsidealen vereisten schoon haar, een verzorgd gezicht (1939) © George Karger / The Chronicle Collection / Getty Images
We kijken met een kennersblik naar ons lichaam: dit kan beter, hier kan een paar kilo af, die neus is te groot, zou botox geen idee zijn?

In de twintigste eeuw democratiseerde de toegang tot schoonheid. Steeds meer mensen kregen de mogelijkheid om zichzelf mooier te maken en ruimte om de eigen smaak te ontwikkelen, mede dankzij de media- en consumptiecultuur. Maar ook bredere maatschappelijke ontwikkelingen zorgden ervoor dat mensen meer controle kregen over hun lichaam en hun leven. In de grote democratiseringsgolf van de jaren twintig kregen vrouwen (en bijvoorbeeld ook mannen zonder vermogen) stemrecht. Vrouwen kregen ook op andere manieren meer zeggenschap over hun eigen leven: ze konden zonder chaperonne de straat op en mochten vaker zelf beslissen met wie ze wilden trouwen. Tegelijkertijd veranderden schoonheidsidealen: het korset verdween, rokken werden korter, haren afgeknipt. De nieuwe schoonheidsidealen waren ook democratisch: ze vereisten geen personeel of dure Parijse ontwerpers – maar wel een slank lichaam, schoon haar en een verzorgd gezicht.

Zo werd uiterlijk ook een symbolisch strijdperk. In de jaren zestig eisten, en kregen, emancipatiebewegingen meer macht voor jongeren, vrouwen, mensen met minder inkomen, homo’s en lesbiennes, en iedereen die niet wit of van Europese afkomst was. Uiterlijk stond symbool voor de nieuwe orde. Tuinbroeken en kort haar voor de feministen, lang haar en baarden voor de jeugd, en de algemene acceptatie van het arbeideristische kledingstuk bij uitstek: de spijkerbroek. De Amerikaanse burgerrechtenbeweging lanceerde de slogan ‘Black is beautiful!’ Ook vandaag kiezen sociale bewegingen schoonheid als strijdperk. De genderstrijd, bijvoorbeeld, uit zich in androgyne kleedstijlen en de omarming van niet-binaire schoonheidsidealen, zelfs op catwalks en in sjieke modebladen. De mondiale antiracismebeweging richt haar pijlen op de witte modewereld en zoekt naar nieuwe rolmodellen van kleur.

De overgang naar een diensteneconomie in de tweede helft van de twintigste eeuw droeg ook bij aan het uitdijende schoonheidsregime. De meeste mensen werken niet meer in industrie of landbouw, maar doen iets voor en met andere mensen: verkoop, onderwijs, zorg, advies, communicatie. Beroepen waarbij je er representatief moet uitzien. Een werkgever kan misschien niet eisen dat iemand mooi is, maar wel dat iemand zich mooi maakt. In veel banen zijn de eisen voor uiterlijke verzorging geleidelijk aan opgeschroefd.

De sociologen Marguerite van den Berg en Josien Arts beschreven hoe Nederlandse werklozen verplichte cursussen kregen om er beter uit te zien – inclusief kleding-, make-up- en dieetadvies. Dit was onderdeel van een hardhandig regime: als het uiterlijk niet verbeterd werd volgden financiële sancties. Door de flexibilisering van arbeid is het belang van uiterlijk voor werk verder toegenomen. Freelancers, ook in hogere segmenten van de arbeidsmarkt, moeten steeds opnieuw op zoek naar nieuwe opdrachten. Dit betekent dus: steeds opnieuw een goede indruk maken, vaak via online platforms waarbij een foto het eerst is wat men ziet.

De laatste belangrijke impuls voor het schoonheidsregime kwam van de nieuwe media die opkwamen na 2000. In de oude mediacultuur was de arbeidsverdeling duidelijk. De meerderheid van de mensheid was publiek: toeschouwers die kijken naar bijzondere mensen die er zijn om naar te kijken. In de nieuwe mediacultuur lopen deze rollen in elkaar over: we zijn publiek en degene naar wie gekeken wordt. Allemaal hebben we een virtuele dubbelganger, voor iedereen opzoekbaar, met zorg gecureerd, meestal net ietsje mooier dan ons alledaagse zelf. Vanaf elk platform straalt de gestileerde, gefilterde aantrekkelijkheid ons toe. Zelfs Zoom heeft een schoonheidsfilter.

Deze nieuwe mediacultuur doordringt ons hele leven: vriendschap, werk, liefde, hobby’s. Uiterlijk krijgt een grote rol in het vinden van banen en partners, twee van de meest cruciale gebeurtenissen in een mensenleven. Bij online datingplatforms zoals Tinder gaat de eerste selectie op basis van foto’s. Op cv’s staan vaak foto’s, zelfs bij kantoorbanen of posities op de universiteit waar uiterlijk toch niet hoort bij de beroepskwalificaties. Vooral jongere generaties leren zichzelf van jongs af aan te zien door de ogen van een ander, als ‘afbeelding’, en leren hoe dit beeld van zichzelf te perfectioneren en zelfs te manipuleren.

Het uitdijende schoonheidsregime is een ongepland gevolg van zeer uiteenlopende ontwikkelingen: mediacultuur, consumptiesamenleving, democratisering, diensteneconomie, nieuwe media. Allemaal versterken ze elkaar. Zo zijn we terechtgekomen in een wereld waarin het steeds meer loont om mooi te zijn, en waarin niet meedoen bijna onmogelijk werd. Het schoonheidsregime kreeg de vorm van een rat race. Als mensen elkaar meeslepen in de competitie om de ander net voor te blijven, levert iedereen steeds grotere inspanning, voor een gelijkblijvende beloning. Eenzelfde proces zien we bijvoorbeeld in het onderwijs. Wat uitzonderlijk was, wordt normaal. Wat normaal was, wordt onvoldoende. Zo slaat de mogelijkheid van mooi maken om in de verplichting tot schoonheid. En daar kan niet iedereen aan voldoen.

Schoonheid is een vorm van kapitaal. Het biedt sociaal voordeel aan wie het heeft; wie het niet heeft, of minder, ondervindt daar nadeel van. Sommige mensen hebben kapitaal dat iedereen wil hebben; anderen hebben het soort kapitaal dat wat minder in trek is. Naarmate het belang van schoonheid toeneemt, zullen ook de consequenties van mooi zijn – of niet – toenemen.

Sinds de jaren zeventig hebben economen, sociologen en psychologen laten zien dat mensen die algemeen worden beschouwd als mooi, knap of aantrekkelijk, hiervan voordeel hebben. Ze krijgen sneller een partner, worden aardiger en aantrekkelijker gevonden, vaker uitgenodigd voor sollicitatiegesprekken. Gedurende de levensloop stapelen zulke voordelen zich op tot een systematische voorsprong, want mooiere mensen hebben dus meer kans op een baan, een hoger inkomen, betere gezondheid, meer vrienden en zelfs een langer leven. Economen duiden dit aan als de ‘schoonheidspremie’, sociologen spreken van esthetisch kapitaal.

Dit creëert sociale ongelijkheid: schoonheid wordt omgezet in andere vormen van kapitaal zoals geld, status, opleiding, vrienden, gezondheid, en zoals alle kapitaal is schoonheid oneerlijk verdeeld. Sommige mensen hebben er meer van, anderen minder. Dit vermindert sociale kansen voor mensen met minder esthetisch kapitaal – bijvoorbeeld mensen die overgewicht hebben, of een gezicht dat niet voldoet aan algemeen geldende schoonheidsstandaarden.

Esthetisch kapitaal is echter niet willekeurig verdeeld over de samenleving. Mensen die sociaal op achterstand staan (bijvoorbeeld met een lagere opleiding of een migratieachtergrond) hebben een grotere kans om fysieke trekken te hebben die worden beschouwd als lelijk: overgewicht, slechte tanden, een ouder uiterlijk. Geld kan ook gebruikt worden om schoonheid te ‘kopen’: gezond eten, een goede tandarts, dure kleding, een personal trainer of cosmetische chirurgie. Het is dus niet alleen zo dat een mooi of lelijk uiterlijk leidt tot betere of slechtere levenskansen, maar sociale ongelijkheden maken mensen ook mooier of lelijker.

Sociologen noemen dit het mattheuseffect van ‘cumulatief voordeel’, naar het bijbelboek Mattheus waarin Jezus een oeroud sociologisch mechanisme identificeert: ‘Hij die heeft, hem zal gegeven worden.’ Ofwel: voordeel leidt tot meer voordeel, zo blijven ongelijkheden in stand, generatie na generatie. Het mattheuseffect is gebaseerd op wat sociologen de ‘conversie’ van kapitaal noemen.

De Brusselse socioloog Dieter Vandebroeck liet zien dat hogeropgeleiden makkelijker slank blijven door een combinatie van cultureel kapitaal – aangeleerde eigenschappen als zelfbeheersing, verfijnde smaak, kennis over voedsel, het vermogen om met complexe informatie om te gaan – en economisch kapitaal: betere materiële omstandigheden, geld voor gezond voedsel. De conversie kan ook simpeler: geld en sociale contacten bieden toegang tot hulpbronnen om mooier te worden, van botoxbehandeling tot het nummer van die goede kapper.

Mooiere mensen hebben meer kans op een baan, een hoger inkomen, betere gezondheid, meer vrienden en zelfs een langer leven

De toenemende vraag naar cosmetische chirurgie is een gevolg van het toenemende belang van schoonheid, maar versterkt en legitimeert dit ook. Het laat zien dat schoonheid het waard is om in te investeren, en normaliseert bovendien het idee van de verbetering van schoonheid. Als het normaler zal worden om het uiterlijk aan te passen kunnen steeds grotere ‘schoonheidskloven’ ontstaan. Dit zou bijvoorbeeld kunnen leiden tot de creatie van mooie ‘designer babies’.

Hoe verleidelijk dit is, bleek uit werk van de Nederlandse kunstenaar Bertrand Burgers, de Baby Builder (2020). Deze interactieve installatie gaf bezoekers van een tentoonstelling de mogelijkheid om hun kind genetisch te ‘engineeren’. 67 procent van de bezoekers zei vooraf het kind niet te willen aanpassen. Uiteindelijk koos 59 procent van deze kritische kunstliefhebbers voor verbetering van het uiterlijk van het kind – nipt minder dan verbetering van moreel niveau (64 procent) of intelligentie en persoonlijkheid (beide 68 procent). Op het moment dat de kans zich aandient om mooier te worden, is het moeilijk dat jezelf te ontzeggen. Laat staan je kind.

© Jeff Spicer / BFC / Getty Images

Het idee van esthetisch kapitaal is dat mensen het eens zijn over wat mooi zijn is: mensen hebben voordeel van hun uiterlijk omdat iedereen ze mooi vindt. Mensen zijn het echter regelmatig oneens over de schoonheid van anderen. Wat we mooi vinden wordt mede gevormd door onze sociale omgeving, en hierbij spelen klasse en opleiding maar ook etniciteit, regio, nationaliteit, seksuele oriëntatie of religie een rol. De schoonheidsstandaarden van dominante groepen worden vaak gezien als waardevoller, en deze fungeren dus als cultureel kapitaal dat toegang geeft tot netwerken en instituties met meer status. Zo worden de schoonheidsidealen van de dominante groepen de norm. Het dominante ideaal van wit, slank, gestroomlijnd en niet te overdadig, weerspiegelt de waarden van de Europese middenklasse: zelfbeheersing en matigheid in alles.

Schoonheidsstandaarden laten status en groepslidmaatschap zien. We herkennen iemands achtergrond aan diens kleding en uitdossing, en lichaamsvorm en -houding. Met onze gescherpte blik zijn we getraind in het herkennen van mensen die zijn zoals wij, of niet, en mensen met meer of minder status. Dit versterkt sociale ongelijkheden: rijke of hoogopgeleide mensen hebben voordeel van hun ‘goed verzorgde uiterlijk’; mensen met minder status worden aangekeken op hun ‘ordinaire’, armoedige, simpele, of ‘lelijke’ stijl.

Dit mechanisme is misschien minder intuïtief. Immers: als de juiste smaak zoveel voordeel biedt, waarom passen mensen hun uiterlijk of hun smaak dan niet gewoon aan? Allereerst: de smaken van mensen met status zijn vaak exclusiever: zeldzamer, duurder, lastiger eigen te maken en te belichamen. Slankheid, bijvoorbeeld, is geen universele voorkeur maar een cultuurspecifieke standaard, een weerspiegeling van middenklasse-ideologieën van zelfbeheersing in een tijd van overvloed. Dit schoonheidsideaal is moeilijker te bereiken voor Europeanen uit lagere sociale klassen.

De smaken van dominante groepen mensen zijn soms expres een ontkenning of omkering van de smaken van ‘gewone’ mensen. In mijn onderzoek zag ik dat lager opgeleide mensen of mensen van buiten de grote steden bij een mooie vrouw dachten aan iemand die er lief of aantrekkelijk uitzag. Hoger opgeleide stedelingen legden foto’s van zulke lieve of aantrekkelijke vrouwen snel weg, want die waren niet interessant genoeg: saai, alledaags, knap maar ‘blijft niet hangen’. Zij gaven de voorkeur aan ‘interessante’ of ‘authentieke’ schoonheid – ongewone gezichten en lichamen waarmee ze hun eigen originele en ontwikkelde smaak over het voetlicht konden brengen.

Smaak is weliswaar aangeleerd, maar zit wel heel diep. De socioloog Pierre Bourdieu liet zien dat deze gelijkstelling van smaak en zelf een belangrijke rol speelt bij de naturalisering van sociale ongelijkheden. Juist doordat we denken dat het er niet toe doet, omdat het ‘maar’ een kwestie van (zelfgekozen) smaak is, oordelen we hard en scherp over andere mensen en hun uiterlijk. We denken dat we mensen beoordelen, en daarmee uitsluiten, op basis van frivole voorkeuren. Maar onder deze frivole voorkeuren liggen harde sociale tegenstellingen.

Tegenwoordig hebben we te maken met een veelheid aan smaakmakende elites uit verschillende landen, via verschillende media en platforms. Hierdoor is het minder duidelijk welke schoonheidsstandaarden toegang geven tot ‘de beste’ netwerken. Op de universiteit zal een Kendall Jenner-look weinig opleveren, maar misschien werkt het als je het wil maken in de reclame. In Nederland scoort premier Rutte bij het volk met zijn All Stars-sneakers, maar bij een internationale grootbank had hem dat een reprimande opgeleverd.

In een gemondialiseerde, gedigitaliseerde, diverse samenleving heeft niemand meer het monopolie op goede smaak. Er zijn tegenwoordig varianten van cultureel kapitaal die corresponderen met verschillende staatshiërarchieën in plaats van een duidelijke statusladder waar de hogergeplaatsten bepalen wat mooi is en wat niet. Uitsluiting op basis van uiterlijk wordt daardoor niet minder – zeker met het uitdijende schoonheidsregime – maar wel complexer. Zo’n meervoudig statusstelsel biedt een glimpje hoop: als je uiterlijk op de ene plek niet gewaardeerd wordt, is er wellicht elders een plek waar het beter valt.

In het huidige politiek-culturele klimaat denken veel mensen over sociale ongelijkheden in termen van individuele kansen, keuzes en verantwoordelijkheden. Dit zien we bijvoorbeeld bij discussies over overgewicht. Dikke mensen worden hier vaak persoonlijk op aangekeken. Mensen zijn weinig terughoudend in hun openlijke afkeuring van overgewicht als ‘lelijk’, en mede hierdoor leidt overgewicht tot sociale uitsluiting. Ook andere aspecten van iemands uiterlijk leiden tot structurele, vaak niet erkende discriminatie.

Als schoonheid nog zwaarder gaat wegen – en dat lijkt me waarschijnlijk – is het belangrijk om ons rekenschap te geven van lookism: een nauwelijks erkende maar goed gedocumenteerde vorm van discriminatie. Wanneer vinden we schoonheid een legitiem criterium om iemand te beoordelen, en wanneer niet? Wanneer vinden we een tekortschietend uiterlijk verwijtbaar? Is een mooi uiterlijk een deugd, of een talent, of dom geluk? Als het geluk is, is het dan eerlijk om iemand daar nog verder voor te belonen?

Deze vragen zullen steeds prangender worden nu ongelijkheid groeit, in Nederland en wereldwijd, terwijl tegelijkertijd mogelijkheden om het digitale of ‘vleselijke’ uiterlijk te verbeteren, toenemen. Bewustwording is de eerste stap: het inzicht dat we collectief in een zelfversterkende cyclus zitten waarbij uiterlijk belangrijker wordt, en steeds meer beloond of bestraft wordt. Als we dit inzien, kunnen we nadenken of en hoe we dit proces willen bijsturen. Je zou kunnen denken aan regulering. Bepaalde vormen van discriminatie op uiterlijk kunnen strafbaar gesteld worden. Het gebruik van foto’s in cv’s kan men ontmoedigen, reguleren of zelfs verbieden.

De Amerikaanse econoom Daniel Hamermesh, gespecialiseerd in esthetisch kapitaal, stelde serieus voor om lelijke mensen te compenseren voor geleden schade. Je kunt ook overwegen de toegang tot deze waardevolle hulpbron te democratiseren. Er is een precedent: in Brazilië is plastische chirurgie opgenomen in het ziekenfonds, omdat – aldus een populaire slogan – ‘iedereen het recht heeft op schoonheid’.

Als ik dit vertel, schieten mensen meestal in de lach. Het wil er niet in dat schoonheid een recht is. Maar wat is het dan? Een gelukje? Een talent? Het resultaat van inspanning? Een privilege? In de 21ste eeuw zal deze vraag zich steeds harder aan ons opdringen. Want wat schoonheid ook is, ons leven zal er steeds meer van afhangen.


Giselinde Kuipers is onderzoekshoogleraar sociologie aan KU Leuven