Mooi weer

DE KLIMAATCONFERENTIE van Kyoto staat voor de deur en dat zullen we weten ook. Een daverende perscampagne begeleidt de vertegenwoordigers van de 166 landen die volgende maand afspraken moeten maken voor het terugdringen van onze uitstoot van kooldioxide CO2.

De toenemende CO2-concentratie in de atmosfeer veroorzaakt naar verluidt een langzame opwarming van de aarde (het ‘broeikaseffect’) en een fatale klimaatverandering. De polen smelten, de woestijn rukt op. Strenge maatregelen zijn vereist. Om de geesten rijp te maken, krijgen we draconische weersverwachtingen voor de volgende eeuw voorgeschoteld. Als je de verzamelde voorlichters moet geloven, spelen onze kleinkinderen straks niet meer op het strand van Zandvoort maar op het strand van Amersfoort, vastgeketend te midden van woedende magneetstormen en gehuld in kunststof hansopjes met het oog op kankerverwekkende UV-straling.
Volgens sommige wetenschappers is het al te laat. De bijna-overstroming van ons land in 1994 werd door de klimatoloog Pier Vellinga al aan global warming toegeschreven en een bijeenkomst van Amerikaanse deskundigen bracht zelfs de warme golfstroom El Niño in verband met het oplopend kwik. In ons land luiden organisaties als Greenpeace, Milieudefensie en Natuur & Milieu verwoed de noodklok. Ze weten zich gesterkt door de tijdelijke Kamercommissie voor klimaatverandering, die vorig jaar vaststelde dat een CO2-reductie met 70 tot 90 procent noodzakelijk is. Ook de Amerikaanse broeikasactivisten trekken alle registers open. 'Scare 'em to death!’ luidt hun motto. Een van hen, Stephen Schneider, verkondigt dat het publiek moet worden opgeschrikt met 'versimpelde, dramatische uitspraken’ en dat deskundigen 'hun twijfels voor zich moeten houden’. Dat is niet aan dovemansoren gezegd.
Begin deze maand presenteerde het World Wildlife Fund (WWF) het 'internationale rapport’ State of the Climate. In deze flinterdunne brochure met veel tussenwit en postmodern verspringende alinea’s wordt verkondigd dat de klimaatsverandering al volop aan de gang is. De tekenen worden op een rij gezet: de zeespiegel rijst, de temperatuur van de oceanen stijgt, de Alpengletsjers zijn sinds 1850 gehalveerd, de permafrostgebieden in Siberië en Alaska ontdooien, tropische ziekten rukken op naar het noorden, en veel landen lijden onder een ongebruikelijke droogte. Afwijkende feiten worden niet vermeld, zoals het gegeven dat de ijskappen op Groenland en de Zuidpool dikker worden of dat satellietmetingen uitwijzen dat de temperatuur sinds de jaren zeventig licht gedaald is. De opstellers erkennen dat hun empirische basis smal is, maar ze wuiven eventuele bezwaren weg met een beroep op het holistisch vermogen van de lezer: 'Elke kleine verandering hoeft op zichzelf niets te betekenen, maar als je hem beschouwt als onderdeel van een wereldomvattend patroon, ontstaat er een heel ander beeld.’ Dat is inderdaad schokkend, in zoverre dat het wereldbeeld van de paranoïde schizofreen wordt verheven tot wetenschapstheorie.
TIME MAGAZINE KWAM deze maand met een speciaal milieunummer. Het bevat een CO2-artikel dat volledig steunt op Benjamin Santer, onderzoeksleider bij het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de VN en alarmist van het ergste soort: 'Alles wat we weten, zegt ons dat het klimaat gaat veranderen. Tijd is een luxe die we ons niet meer kunnen veroorloven.’ Om Santers betoog kracht bij te zetten, bedient de journalist zich van handgrepen waarmee slechte horrorschrijvers hun plot aandikken. Zware stormen worden bij hem 'freak storms’ ('bizarre stormen’) en er gebeuren tegenwoordig 'vreemde dingen met het wild’.
Ogenschijnlijk dragen al die teksten het stempel van wetenschappelijke goedkeuring. Een terugkerend motief is de bewering dat er in wetenschappelijke kringen consensus heerst. Heeft niet het prestigieuze, tweeduizend man sterke IPCC de opwarming van de aarde bewezen en de gevolgen tot achter de komma berekend? Volgens de IPCC-computers zal de zeespiegel de komende eeuw tussen de 15 en 95 centimeter stijgen. Landen als Bangladesh en Portugal verzinken in de golven, de rest van de mensheid krijgt te kampen met ongewoon hevige stormen en overstromingen. In de aanloop naar 'Kyoto’ ondertekenden vijftienhonderd natuurwetenschappers een verklaring die daarenboven moordende hittegolven, ongekende voedsel- en drinkwatertekorten en een explosie van huidkanker en tropische ziekten in het vooruitzicht stelt.
IS DE TOESTAND werkelijk zo ernstig of proberen de voorstanders van CO2-reductie vooral zichzelf te overtuigen? Het zou niet de eerste keer zijn dat milieudeskundigen zich overschreeuwen. Sinds Rachel Carson in 1962 haar Silent Spring de wereld in slingerde, wil het maar niet vlotten met de ondergang van het mensdom, ondanks lekkende olietankers, Indonesische bosbranden en de vertraagde melt-down van Tsjernobyl.
Oudere Time-lezers herinneren zich wellicht dat hun lijfblad in 1972 ook al een doemscenario opstelde, toen voor een Nieuwe IJstijd. Omdat de positie van de aardas veranderde, zou de wereld vijf tot tien graden afkoelen, zo luidde de waarschuwing uit wetenschappelijke kringen; weldra zouden Canada en Siberië onder het uitdijende poolijs verdwijnen.
Er is niets van terecht gekomen en intussen is het ene na het andere doemscenario geflopt. Na de misplaatste ophef over uitgeputte oliereserves, het uitsterven van onooglijke diersoorten, het oprukkend ozongat en het door onze oosterburen zo onterecht bejammerde Waldsterben is terughoudendheid op zijn plaats. De feiten zijn bovendien bij lange na niet zo overtuigend als de CO2-ideologen willen doen geloven.
Op zichzelf is het broeikaseffect een normaal verschijnsel: het houdt een deel van de zonnewarmte vast en draagt ertoe bij dat de aarde warmer is dan het heelal. Nadat de zonnestralen het aardoppervlak hebben verwarmd, kaatsen ze terug naar de ruimte. Die weerkaatste straling wordt gedeeltelijk afgeremd of vastgehouden door atmosferische gassen zoals kooldioxide CO2, waterdamp, lachgas en ozon. Naarmate de concentratie van die gassen toeneemt, houdt de atmosfeer meer energie vast en wordt de aarde warmer. Dit laatste fenomeen, waarover alle opwinding is ontstaan, heet in vaktermen het 'versterkte broeikaseffect’. De hamvraag is of dat versterkte broeikaseffect bestaat, en zo ja, of het wordt veroorzaakt door de kooldioxode die vrijkomt bij onze verbranding van kolen, olie en gas.
WAT DAT LAATSTE aangaat: het staat vast dat het CO2-gehalte in de atmosfeer is toegenomen, maar uit onderzoek van 'oud’ poolijs blijkt dat die toename al in de zeventiende eeuw is begonnen, dus vóórdat de mens kolen of olie ging stoken. Een ander vaststaand gegeven is dat de temperatuur de laatste honderd jaar met ongeveer een halve graad Celsius is gestegen, al weet niemand precies hoe dat komt. Over de vraag of de temperatuur verder zal stijgen bestaat - anders dan de broeikasactivisten beweren - in het geheel geen consensus. Hier is de wetenschap verdeeld in believers en non-believers. De believers baseren zich op de verontrustende uitkomsten van computermodellen, terwijl de non-believers wijzen op het beperkte belang van zulke modellen en de slechte ervaringen met voorspellingen in het verleden. Volgens sommigen is de klimatologie zelfs te jong voor enigerlei consensus. Het is een wetenschap in ontwikkeling, voortgestuwd door almaar nieuwe gegevens en herinterpretaties van ouder materiaal.
Om een voorbeeld van het laatste te noemen: de metingen van Nasa-satellieten waaruit blijkt dat de atmosfeer niet warmer wordt, werden tot voor kort van de hand gewezen omdat ze afweken van de vertrouwde metingen op de grond. Tegenwoordig moeten de grondstations toegeven dat zíj er misschien naast zitten, omdat hun apparatuur is opgesteld in de nabijheid van woon- en industriegebieden die dankzij het toegenomen energieverbruik de laatste tientallen jaren warmer zijn geworden. En een eventueel verband tussen de temperatuurstijging van de afgelopen eeuw en de CO2-uitstoot is in elk geval niet rechtlijnig. Dat blijkt uit het feit dat de voornaamste opwarming zich voordeed in de periode 1890-1940, terwijl de uitstoot van broeikasgassen pas na 1940 een hoge vlucht nam. Enige jaren geleden opperden Deense onderzoekers dat een verhoogde zonneactiviteit weleens debet zou kunnen zijn aan de temperatuurstijging, een mogelijkheid die onlangs door het KNMI is onderschreven.
HET IPCC IS vanaf het begin geconfronteerd met tegenacties van sceptici. Naar aanleiding van de klimaatconferentie van Rio in 1992 ondertekenden ruim vierhonderd wetenschappers het Heidelberg Appeal, een manifest tegen de 'irrationele denkbeelden’ en 'pseudo-wetenschappelijke argumenten’ die het milieudebat dreigen te overwoekeren. Het aantal ondertekenaars is gegroeid tot bijna drieduizend. Twee jaar geleden stelden nog eens tachtig wetenschappers de Verklaring van Leipzig op, die waarschuwt tegen een 'gevaarlijk simplisme’ inzake het broeikaseffect.
In de Verenigde Staten is het IPCC hevig aangevallen omdat het de gebruikelijke eisen van wetenschappelijke zorgvuldigheid niet in acht neemt. Het heeft onder meer de hand gelicht met de peer review, waarbij wetenschappers elkaars werk beoordelen alvorens tot publicatie wordt overgegaan. Sommige IPCC-medewerkers mochten hun eigen onderzoek beoordelen, anderen mochten het werk van hun collega’s niet inzien. De definitieve versie van een cruciaal technisch rapport uit 1995 kregen de wetenschappers niet eens onder ogen. Functionarissen van het IPCC verklaarden dat ze zeker wilden zijn 'dat het technische rapport overeenkwam met de aanbevelingen voor de beleidsmakers’.
Een wetenschappelijk antwoord kon niet uitblijven. In 1996 publiceerden Europese en Amerikaanse klimatologen - van wie sommigen nota bene betrokken zijn bij het IPCC - de bundel The Global Warming Debate. Daarin wordt een aantal conclusies van het IPCC onderuitgehaald. De peperdure 'supercomputers’ worden belachelijk gemaakt, de modellen en meettechnieken ontkracht. Met gepast leedvermaak wordt verhaald hoe vaak het IPCC zijn verwachtingen heeft moeten bijstellen. In 1989 voorspelde het panel een temperatuurstijging van vijf graden binnen vijftig jaar. Een jaar later was sprake van 3,2 graden, in 1992 nog maar van 2,5 en in 1996 was de ondergrens gedaald tot 0,8 graden in de komende honderd jaar. Een dergelijke stijging valt binnen de normale klimaatgrenzen en heeft geenszins consequenties.
HOE JE OOK over de materie denkt, The Global Warming Debate heeft een levendige internationale discussie op gang gebracht. In Nederland is daar echter nog weinig van te merken. De Amsterdamse docent milieugeschiedenis Wybren Verstegen is een van de weinige dissidenten die zich roeren. In Trouw klaagde hij vorig jaar dat Nederland achterloopt: 'Kritiek op het IPCC en kanttekeningen bij het broeikaseffect zijn wekelijkse kost in het buitenland. Hoor en zie Channel 4 en BBC, lees The Sundy Telegraph en The Independent. In de Verenigde Staten struikel je over de publicaties waarin afwijkende standpunten worden verdedigd. Zo niet in Nederland. Het IPCC werkt onder auspiciën van de Verenigde Naties, dus zal het wel goed zitten.’ Daar kunnen we aan toevoegen dat het CO2-leerstuk is gecanoniseerd door de genoemde kamercommissie en niet te vergeten de milieubeweging. En vooral die laatste laat weinig ruimte voor discussie.
Martina Krüger, milieuwetenschapper en klimaatwoordvoerder van Greenpeace, weet zeker dat de overgrote meerderheid van de wetenschappers een toekomstige, door de mens veroorzaakte temperatuurstijging onderschrijft. Krüger: 'Een handjevol mensen doet of er een debat gaande is, maar dat is een verdwijnende minderheid. We hebben eens een klein onderzoekje gedaan naar hun argumenten, maar die zijn allemaal weerlegd. De IPCC-berekeningen worden daarentegen steeds nauwkeuriger en de CO2-dreiging blijkt nog verontrustender dan we dachten.’ Zelfs de auteurs van The Global Warming Debate neemt zij niet serieus: 'Sommigen claimen status met de bewering dat zij voor het IPCC werken, maar dat is helemaal niet waar.’ Misschien had Greenpeace toch een wat groter onderzoekje moeten doen, want The Global Warming Debate bevat bijdragen van tenminste vijf klimatologen van naam die wel degelijk voor het IPCC hebben gewerkt.
'Klimaatman’ Wim Kersten van de vereniging Milieudefensie is terughoudender. Kersten: 'We kunnen het versterkte broeikaseffect inderdaad niet bewijzen, maar als het eenmaal bewezen wordt, is het te laat om er iets aan te doen. Tot die overtuiging zijn we geleidelijk gekomen. Ons milieustandpunt is een uitvloeisel van allerlei discussies over kernenergie, alternatieve energiebronnen en zure regen. Eind jaren tachtig kwam daar het broeikaseffect bij. Wij grijpen zo'n onderwerp altijd aan om te pleiten voor een breed beleid, gericht op het terugdringen van vervuiling, verspilling van fossiele brandstoffen enzovoort. En overtuigde tegenstanders in Nederland ken ik eigenlijk niet, behalve Böttcher.’
HET IS TYPEREND dat de meeste Nederlandse milieuactivisten, gevraagd naar een spraakmakende tegenstander, spottend Frits Böttcher noemen. De Leidse emeritus-hoogleraar en science clown vraagt erom. Hij is een van de oprichters van de Club van Rome en naar eigen zeggen levenslang dwarsligger. Aangezien de meerderheid van de collega’s het versterkte broeikaseffect onderschrijft, ontkent hij het. Hij ondersteunt zijn standpunt echter nimmer met eigen publicaties en er hangt een benzineluchtje om hem heen. Böttcher drijft sinds 1980 een piepklein onderzoeksinstituut in Den Haag, dat voornamelijk op geld van Shell, Bovag en Rai draait. Dat maakt hem tot een gemakkelijke kop van jut voor de milieubeweging.
Maar de gebruikelijke links-rechtsverdeling gaat niet meer op. De scepsis heeft ook toegeslagen bij de Socialistische Partij. Milieuwoordvoerder Remi Poppe noemt het IPCC-rapport een 'politiek stuk, geen wetenschappelijk rapport’. Het broeikaseffect, zo schrijft hij in De Tribune, is een afleidingsmanoeuvre: 'Het is voor politici veel makkelijker om te praten over zoiets ongrijpbaars als de CO2-uitstoot dan over concrete milieuproblemen. Aan wat mensen werkelijk nodig hebben - rust, ruimte en zeggenschap over hun eigen bestaan - heeft het economische systeem geen boodschap, dus daar willen de politieke leiders niet over praten. De broeikasadepten zouden zich beter kunnen inzetten voor een politiek die zich richt op de menselijke waardigheid dan schijngevechten te leveren tegen de CO2-uitstoot.’
Een andere scepticus, de Utrechtse geoloog Harry Priem, schreef twee jaar geleden al in NRC Handelsblad dat het broeikaseffect een speeltje voor politici is: 'In plaats van zich te moeten bezighouden met milieuproblemen waar direct wat aan te doen is, kunnen zij zich visionair profileren met de planetaire CO2-catastrofe.’ Onze bijzondere gehechtheid aan sombere scenario’s kon hij niet verklaren, al opperde hij dat de calvinistische erfenis er niet vreemd aan was: 'Misschien is het geen toeval dat de CO2-apocalyps vooral door “broeikasdeskundigen” van de Vrije Universiteit wordt verkondigd - na elke storm zien we er een in het NOS-journaal vertellen dat dit het begin is van het broeikasonheil.’ Voor ingewijden was duidelijk op wie hij doelde: de reeds genoemde VU-hoogleraar en fanatieke IPCC'er Vellinga, die in 1995 zei dat we de Elfstedentocht voortaan konden vergeten. Twee jaar later werd de Tocht der Tochten alweer verreden.
WYBREN VERSTEGEN (voor de goede orde: ook VU) verklaart het uitblijven van een Nederlands debat vooral uit institutionele oorzaken. Verstegen: 'Er is een gevestigde orde van klimatologen die aan onderzoeksinstituten als KNMI of IPCC verbonden zijn en in opdracht werken. Dat maakt ze niet tot slechte wetenschappers, maar ze bemoeien zich niet met de politieke aspecten van hun werk omdat ze dan hun opdrachtgevers voor de voeten lopen. Het gevolg is dat de opdrachtgevers politiek gaan bedrijven met hun onderzoek, doorgaans in de lijn van het broeikasactivisme. Milieuorganisaties pakken dat op en gaan nog verder in hun standpunten. Universitaire academici daarentegen kunnen het zich veroorloven om sceptisch tegenover het broeikasidee te staan. Maar daarvan zijn er in Nederland helaas te weinig. En het CO2-probleem is een prachtige kapstok voor de overheid, je kunt er allerlei investeringen en besparingen aan ophangen die de burger anders niet zou slikken. Bij het IPCC overheerst de politieke agenda helemaal. Een groot deel van de medewerkers bestaat uit politici, hoge ambtenaren, milieuwetenschappers, economen en andere niet-klimatologen. Het panel is een makelaar in standpunten, de wetenschappers worden op afstand gehouden.’
Overigens onderschrijft ook Verstegen dat onze polders een goede voedingsbodem zijn voor het doemdenken. Hij constateert dat de halve oplage van Grenzen aan de groei in Nederland is verkocht en verwijst naar de Britse historica Anna Bramwell, die in haar boeken Ecology in the 20th Century (1989) en The Fading of the Greens (1994) aannemelijk maakt dat onze fascinatie voor milieucatastrofes wortelt in de godsdienst. De zwartste scenario’s gedijen in gebieden waar het protestantisme vanouds domineert, dus in Noord-Amerika, Scandinavië, delen van Duitsland en Nederland. De calvinistische preoccupatie met eenvoud, spaarzaamheid en zieleheil, verbonden met romantische noties over de eenheid van mens en natuur, uit zich in een algehele afkeer van consumentisme, vervuiling en technische vooruitgang. De komende milieuramp is de straf voor de moderne hoogmoed. Hoe Bramwell over de campagne rond 'Kyoto’ denkt, kan zij helaas niet zeggen. Als ik haar bel op haar werk bij de Europese Commissie in Brussel blijkt zij - o ironie - een spreekverbod te hebben omdat haar mening afwijkt van het EU-standpunt over CO2-normen.
TOCH IS HET GROTE en vaak oprechte engagement van onze milieu-activisten niet louter te verklaren uit voorouderlijke zwaartillendheid. Met name in Nederland en Duitsland heeft het klimaatdebat een technocratisch gehalte, waardoor elke discussie onmogelijk is. De experts claimen een absoluut gelijk dat hun collega’s elders niet durven opeisen. In Milieudefensie van 8 augustus vorig jaar schreef René Cuperus, medewerker van de Wiardi Beckman Stichting, hierover behartenswaardige woorden. Hij constateert dat in ons land over de CO2-reductie anders wordt gedebatteerd dan over kwesties als de collectieve lastendruk of internationale migratie. De experts meten zich de rol van 'zieners en bewakers’ aan: 'Als ware technocraten houden zij de burgers pseudo-objectieve milieunormen voor waaraan men maar even “binnen één generatie” moet voldoen.’ De dramatisering van het debat - volgens Cuperus belichaamd door het 'immer ontevreden gezicht’ van Lucas Reijnders - maakt de normen ononderhandelbaar. In een democratie hebben deskundigen echter nimmer het alleenrecht op de waarheid. Een democratische samenleving reageert niet op absolute claims en harde data, enkel op onderhandelbare argumenten. Uiteindelijk, aldus Cuperus, verschilt het CO2-probleem niet van de sociale kwestie. Om mensen te overtuigen, zal de CO2-reductie op dezelfde wijze aan de orde moeten worden gesteld als de eisen van de arbeidersbeweging: 'De sociaal-democratie heeft ondervonden dat niet concepties als Verelendung of het “wetenschappelijke socialisme” de weg wijzen naar een meer beschaafde samenleving, maar dat het aankwam op constructief reformisme, op argumenten en overtuigingskracht.’
'De plannen voor CO2-reductie sluiten niet aan bij de dagelijkse praktijk, ze gaan over percentages en niet over mensen’, meent ook wetenschapssocioloog Jeroen van der Sluis, gepromoveerd op wetenschappelijke besluitvormingsprocessen bij organisaties als het IPCC. 'Het broeikaseffect is wel degelijk een probleem in de zin van een risico. Er zijn veel onzekerheden op wetenschappelijk gebied, maar dat global warming een serieus risico vertegenwoordigt, is onweerlegbaar. Met scherpe streefcijfers alleen bereik je echter niks. CO2-reductie moet zijn ingebed in voorlichting, in een herkenbare afweging van belangen, in een efficiënter energiegebruik, een mentaliteitsverandering en investeringen in nieuwe technologie. Louter hameren op die kooldioxide heeft geen zin.’