TONEEL A Streetcar Named Desire

MOOI WEERZIEN

Stella leeft met haar lief Stanley in de grote stad in een klein huis dat een ‘vervallen charme’ bezit, zo schrijft auteur Tennessee Williams in de eerste decoraanwijzing van zijn klassieker A Streetcar Named Desire (1947). Opeens staat Stella’s zus Blanche voor de deur. Ze was blijven wonen in het ouderlijk huis, de langzaam door schulden uit elkaar vallende villa Belle Reve (echt verval dus). En nu staat Blanche berooid op de stoep. De eerste conversatie tussen de zussen verloopt meestal in een grote staat van overspannenheid. Dat gaat hier ook zo, maar toch net even een tikje anders. Regisseur Eric de Vroedt geeft de actrices Janni Goslinga (Stella) en Tamar van den Dop (Blanche) de ruimte om in die openingsscène een hoop ‘zusjes’-dingen te introduceren. Ik heb er geen ander woord voor, maar ze bestaan, die ‘zusjes’-dingen: liedjes, grapjes, stemmetjes, grollen waarvan de houdbaarheidsdatum al lang is verstreken, een reeks kleine rituelen waaronder de intimiteit én de onhandigheid tussen de meiden als het ware wordt bedolven.
Het publiek zit bij deze coproductie van Toneelgroep Amsterdam en Toneelschuur Haarlem aan weerszijden van de intieme speelvloer, ik keek recht in het gezicht van Van den Dop en in de rug van Goslinga. In dat ruime openingskwartier wordt een wereld opengetrokken waarin geen ruimte is voor irritatie over het gehieper tussen zussen, waarin je meteen op het spoor van de kern komt: wát is hier in godsnaam aan de hand? Van toeschouwer word je direct speurhond. Kort hierop komt Stanley (Mohammed Azaay) binnen, hij laat een blik vallen op de driftig aangesproken whiskyfles, en hij plaatst zijn onbetaalbare openingsdialoog. Stanley: ‘Drank verdampt snel bij dit weer.’ Blanche: ‘Ik gebruik zelden drank.’ Stanley: ‘Sommige mensen gebruiken zelden drank, maar de drank gebruikt hen wel!’ Meteen zijn de contouren van deze één-op-één-pikkebroek geschetst: zuiplap, charmeur tegen wil en dank, ongeleid projectiel, uitgerust met een speciale antenne voor levensleugens. En dus voor Blanche. Stanley’s wraak op alles wat hij haat aan burgerlijkheid werkt hier als het tergend langzaam verscheuren van stapels onbetaalde rekeningen. En dus van Blanche.
Het podium is heel klein, je ziet alles, wat je in het zicht mist hoor je des te beter en dat het allemaal bijna drieënhalf uur duurt weet je pas als je weer buiten staat. Van mensen die waren gaan kijken hoorde ik (gode zij dank áchteraf) opgewonden verhalen over actualisering, het integratiedebat en zwart-wit-tegenstellingen. Niks van gemerkt. Deze voorstelling is een ijzersterk verhaal, met dramaturgisch vernuft en intelligentie aangepakt, gespeeld door een prachtploeg aan toneelspelers, die ook in de kleinere partijen sterk weerwerk geeft: de buurvrouw van Cigdem Teke, Wouter van Oord (haar man) en bovenal Leon Voorberg, die Mitch speelt, voorbestemd om Blanche rust te geven – tot Stanley er een fikse stok voor steekt – en die enkele liefdesscènes (of liever: pogingen daartoe) ten beste geeft die zó houtenklazerig ogen dat je er tranen van in je ogen krijgt. De vorm van Maze de Boer en Casper Leemhuis is net zo onopdringerig aanwezig als dat prachtgeluid van Florentijn Boddendijk en Remco de Jong. Geloof het of niet, ik dacht op een bepaald moment: wat is daar toch gaande in die ‘buitengang’ van de Toneelschuur, bleek het de passerende tram te zijn! Wie geluid zo kan wegmasseren als een klein kreetje in een spookhuis, die is een goeie. Ik zal nog eens wat onthullen, dierbare lezer: ik hou eigenlijk helemaal niet van deze larmoyante toneeldraak. En het zijn niet de slechtste voorstellingen die je tussen bedrijven en scènes door lijken toe te roepen: nou, Zonneveld, over dat vooroordeel zou ik nog maar eens goed nadenken! Het was ook in dat opzicht een mooi weerzien. Aanbevolen!

A Streetcar Named Desire, Toneelschuur Haarlem, t/m 7 juni. Frascati Amsterdam, 16 t/m 27 september