H.J.A. Hofland

Mooie doelen

Het wil er bij de eigentijdse Nederlanders niet altijd in, maar politiek bedrijven is iets anders dan een mooi doel nastreven. Een mooi doel wil iedereen; politiek is de kunst van het mogelijke. Vóór je aan de lange mars naar het mooie doel begint, moet je je afvragen hoe groot de kans is dat je het zult bereiken, of je op je vrienden kunt rekenen en of je de onderneming kunt betalen.

Nu vechten en bouwen Nederlandse soldaten in Afghanistan om het volk daar democratie en welvaart te brengen. Mooier doelen kun je niet verzinnen. Toen we eraan begonnen, zag het er nog betrekkelijk rooskleurig uit. We waren er niet alleen, maar als deelgenoot – en dat zijn we trouwens nog. Intussen is de animo van een aantal trouwe bondgenoten om in de gevaarlijkste delen van Afghanistan te blijven zichtbaar verminderd. Onze grote vriend Amerika heeft er al tienduizenden, kan er niet meer missen, want die zitten vast in Irak, waar ze proberen de burgeroorlog te bedwingen. De Nederlandse missie blijkt veel duurder te zijn dan was begroot. Er is ook gebrek aan helikopters. Kortom, het gaat niet van een leien dakje.

Gelukkig is er dan nog Georgië. Vorige week heeft de president van dit land, de heer Saakasjvili, met premier Balkenende gesproken. Als Nederland mocht besluiten zijn troepen in Uruzgan nog twee jaar te houden, krijgen de mannen steun van tweehonderd Georgische soldaten die in Irak door de Amerikanen zijn opgeleid. ‘Dit is een duidelijk teken dat de internationale gemeenschap niet toestaat dat Afghanistan een vrijhaven wordt voor terroristen’, zei minister Maxime Verhagen. Onze bewindsman is verknocht aan goede doelen.

Terwijl president Saakasjvili en premier Balkenende over de oplossing van het Afghaanse vraagstuk spraken, ontploften in Karachi twee zware bommen. Op deze manier verwelkomden Pakistaanse militanten of extremisten of aanhangers van al-Qaeda de leider van de oppositie, Benazir Bhutto, die na een vrijwillige ballingschap van acht jaar huiswaarts keerde. Haar triomftocht werd beveiligd door twintigduizend man veiligheidstroepen. Toch vielen er zeker 136 doden.

In januari worden in Pakistan verkiezingen gehouden. Na acht jaar te zijn geregeerd door president/generaal Musharraf verkeert het land, tevens atoommacht, in de schemer van een verdwijnend gezag. Musharraf is ook al het doel van aanslagen geweest. Na deze aanslag werd vermoed dat islamisten waren geïnfiltreerd in de veiligheidsdiensten. Deskundige waarnemers geloven dat Pakistan het risico loopt uit elkaar te vallen.

Wat heeft dit drama met onze politiek van het goede doel in Afghanistan te maken? In het Afghaans-Pakistaanse grensgebied, het ontoegankelijke Waziristan, hebben de Taliban zich gereorganiseerd. Daar wordt gerecruteerd, daar is de uitvalsbasis. En de Nederlanders, eventueel versterkt met tweehonderd Georgiërs, kunnen daar niets aan doen.

Pakistan is een ernstig probleem in wording, maar niet het enige. We hebben ook nog Irak, waar we weliswaar bijtijds zijn vertrokken, maar dat nog jaren het grote Amerikaanse vraagstuk blijft en dus indirect ook dat van ons. En Iran, dat misschien een atoombom maakt, wat president Bush weer niet kan toestaan, zodat hij de installaties daar moet laten bombarderen, wat, gegarandeerd, tot een onvoorstelbare vergroting van de chaos in de wereldpolitiek zal leiden. Het zijn allemaal reële vooruitzichten. Daarmee is niet gezegd dat dit alles ook werkelijkheid zal worden, maar een beleidsmaker moet nu eenmaal niet alleen het goede doel nastreven, maar ook rekening houden met het zwartste scenario.

In de discussie over Afghanistan, nog twee jaar bijtekenen of in 2008 vertrekken, doen we alsof het een bilateraal vraagstuk is. Wij kunnen de Afghanen niet in de steek laten, wij moeten in Uruzgan welvaart en democratie brengen, wij streven daar die goede doelen na. Dat is mooie onzin. Wij zijn niet meer dan een radertje in een grote machine die na 11 september 2001 is opgebouwd en in werking gezet, en waarvan het nog iedere dag duidelijker wordt dat de hoofdmachinist ervan niet deugt. Wij hebben over onze soldaten, die we omwille van het goede doel naar de andere kant van de wereld hebben gestuurd, uiteindelijk niets te vertellen.

In de verte doet het denken aan wat we in de jaren vijftig ‘de Nieuw-Guinea kwestie’ noemden. Ook daar een goed doel: de Papoea’s de democratie brengen. Buiten Nederland besefte iedereen dat het op een fiasco zou uitdraaien. We hadden er de middelen niet voor en onze beste vrienden hebben ons deze onderneming sterk afgeraden, jarenlang, tevergeefs. Ten slotte werden we door de Amerikanen op het juiste spoor gebracht. Ja, dat waren andere Amerikanen. Nu moeten we het nog een jaar met deze mislukte hoofdmachinist doen. Dat betekent: nu niets beloven!