Mooie jaren

Opeens zijn de jaren zestig en zeventig weer enigszins in de mode.

Ik zie weer hippiekleren. Broeken met wijde pijpen, bloemetjesoverhemden, lang haar.

Het waren ‘mijn’ jaren. Daarmee bedoel ik dat die tijd mij vormde.

Ik was een puber met interesses die mij een paar maten te groot bleken. Ik las Sartre, omdat de docent die ik bewonderde daarmee wegliep en omdat zowel Bob Dylan als Simon and Garfunkel die naam wel eens hadden laten vallen. Ik droeg een wit pak, omdat dat het uniform was van de provo’s en wie wilde er geen provo zijn? We waren bloedrood. We schuwden het geweld niet. Niet zozeer omdat we tegen onze ouders waren, maar omdat die te laf waren om de echte oorzaken van de oorlog aan te pakken.

Het is allemaal bekend. Uw rechtsstaat is de mijne niet, onderschreef ik. Fuck the system onderschreef ik. Het kraken had mijn sympathie. Et cetera, et cetera.

En mijn ouders maar zeggen dat ze daarvoor niet een oorlog hadden gewonnen.

Maar er was ook iets anders.

Door de oorlog was ons gezin in tweeën gespleten, althans in hun positie tegenover de overheid.

Mijn vader, oud-koloniaal, kon onmogelijk zijn trouw aan volk en vaderland verlaten ofschoon die hem diep hadden teleurgesteld. Hij was jurist, assistent-resident geweest, hij had op verschillende momenten trouw gezworen en eden afgelegd. Op de bijbel, wat voor hem toen nog een heilig boek was.

Mijn moeder daarentegen steunde mij als would be-provo. De les die zij uit de oorlog had meegenomen was: ‘Niemand, maar dan ook niemand zal mij ooit nog vertellen wat ik moet doen, want feitelijk bestaan er geen wetten en regels, want die zijn door mensen verzonnen die niet altijd het beste met je voor hebben. Het nazisme bestond ook uit regels en het Japanse regime ook!’

Ikzelf heb altijd gevonden dat die kant van die generatie onderbelicht is gebleven.

Fuck the system. Dat was mijn mantra

Wie hadden met welke mentaliteit de oorlog gewonnen?

Wie waren de daadwerkelijke verzetshelden geweest? En wie was er fout?

In de jaren zestig en zeventig hoorde ik van zowel mijn vader als mijn moeder verhalen over wie er werd ontzien, welke bedrijven straf hadden verdiend en maar gewoon door mochten gaan. Mijn vader, zeer koningsgezind, wist via-via van de persoonlijke invloed die prins Bernhard uitoefende om bedrijven aan de gang te krijgen, zoals Werkspoor. Hij vond de rol van voorzitter Donner van de ‘zuiveringscommissie’ onbegrijpelijk, terwijl vader ook begreep dat Nederland weer vooruit moest in de wereld. De kleine mensen werden gepakt, de grote bedrijven ontzien. Voor mijn moeder had dat de consequentie dat ze links ging stemmen, voor mijn vader dat hij nog rechtser werd dan hij al was. Rechts is anti-overheid.

De jurist in mijn vader vond de wereld na de oorlog onrechtvaardiger geworden, maar haalde er zijn schouders over op. Zelfs binnen een democratie zou je niets aan bepaalde vormen van macht kunnen doen, om de doodeenvoudige reden dat sommige bedrijven de democratie konden omzeilen.

Fuck the system. Ik schreef die zin in en op al mijn schoolschriften.

Het was mijn mantra.

We lazen Lenin, Bakoenin en Marx. We wilden Walden en Revolutie. Sommigen van ons deden mee aan de koffiepluk in Nicaragua, anderen gingen in Tsjecho-Slowakije de boeren helpen.

Aan de keukentafel ontwikkelde ik mijn eigen cynisme dat zich pas jaren later definitief zou nestelen in mijn persoonlijkheid.

Nu ik regelmatig door verschillende functionarissen met enige regelmaat een fascist en een racist word genoemd, en ik weet dat deze roepers over tien jaar in de veroverde landhuizen en de gekraakte grachtenpanden zullen zitten, moet ik vaak aan die jaren zestig en zeventig denken.

Mijn mooiste jaren.

Ik kon me toen nog veroorloven dom te zijn.