‘mooie mannen, lekker weer’

Een gesprek met de schrijfster van Retour Nairobi. Uitgeverij De Geus, 238 blz., f32,50
WAT BEZIELT een Amsterdamse sociologe om haar vaste baan als wetenschappelijk medewerkster te verruilen voor een aanstelling aan een universiteit in Nairobi? Voor Agnes Sommer (41) was het vertrek naar Afrika in 1991 het logische gevolg van de reizen die zij sinds het midden van de jaren tachtig naar dat continent had gemaakt. De overgang was groot. Sommer kwam in Kenia terecht aan een universiteit zonder kantoren, in een bibliotheek zonder boeken en tussen studenten die amper konden lezen of schrijven. Het leverde haar voldoende stof voor een maandelijkse column in het Amsterdamse universiteitsblad Folia Civitatis en voor een boek, Retour Nairobi, dat onlangs is verschenen. Sinds een paar weken is Agnes Sommer terug in Nederland. Voor onbepaalde tijd, maar liefst niet voor lang, want Afrika blijft trekken.

Sommer: ‘Mijn eerste reis was een groepsreis, in 1987. Ik was uitgekeken op mijn baan als docente vrouwenstudies en boekte een tocht door Afrika, in zo'n verbouwde truck vol oude hippies die net als ik de reis niet alleen aandorsten. We hobbelden vijf maanden lang door tien Afrikaanse landen, met Nairobi als eindpunt.’
Sommer spitste de oren toen ze verhalen hoorde over de Maasai-krijgers aan de Keniase kust en hun white ladies, hun blanke vriendinnen. Ze ging kijken en werd hals over kop verliefd. Eenmaal terug in Nederland besloot zij haar proefschrift aan dit fenomeen te wijden. 'In die tijd kwam op de universiteit het onderzoek naar sekse en kleur in de mode. Maar het waren vooral zwarte collega’s die onderzoeksvoorstellen deden, vanuit hun perspectief als zwarte vrouw. Daar kon ik als blanke niet mee uit de voeten. Ik raakte in Kenia gefascineerd door de combinatie krijger-blanke vrouw. Wat moesten die toch van elkaar?
Ik heb Europese vrouwen ontmoet die het hele jaar spaarden om twee keer per jaar een paar weken door te brengen met hun vriend. De aantrekkingskracht van de Maasai op blanken was bij de eerste kolonisten al groot. Hoewel de meeste krijgers trouwens geen Maasai zijn, maar Samburu. Maasai- en Samburu- mannen stralen een bepaalde mannelijkheid uit zonder macho te zijn. Het zijn krijgers, maar ze hebben ook iets vrouwelijks; ze tooien zichzelf met kettingen, kralen en spiegeltjes.’
De blanke vrouwen onderhouden de mannen. 'Het is een verhouding waarin je niet afhankelijk bent, niet de mindere. De white ladies zijn beter opgeleid, rijker en ouder. Eigenlijk het omgekeerde van het gebruikelijk patroon.’
Ook Sommer zelf raakte verwikkeld in een relatie met een Samburu. 'Dat mag natuurlijk helemaal niet, dat je je fysiek verdiept in je onderzoeksobject. De gemiddelde antropoloog houdt afstand van degene die hij bestudeert. De onderzoeker betaalt zijn informant een vergoeding en gaat ’s avonds gewoon terug naar zijn tent of zijn hotel. Antropologen eten vaak niet eens mee met hun informanten, maar gaan in hun auto in hun eentje biscuitjes zitten knabbelen. Ik hield mij volstrekt niet aan die regels. Ik woonde samen met mijn informant.’
Zonder enige gene beschrijft zij deze periode, waarin de dagen voorbij gingen met het kauwen van miraa (Afrikaanse dope). Sommer: 'Mensen vinden het erg interessant, maar het onderwerp roept ook weerstand op. Want het is wel leuk natuurlijk, al die romantiek met natuurvolkeren, maar uiteindelijk word je wel geacht te kiezen voor een meneer met vastigheid. Het opvallende is dat wanneer een Amerikaan of een Europeaan naar Afrika gaat om een relatie aan te gaan met een Afrikaanse vrouw, niemand erbij stilstaat dat de macht in die relatie oneerlijk verdeeld is. Maar een Europese vrouw met een Afrikaanse man, dat is opeens raar. Of imperialistisch.’
IN 1991 VERSCHEEN Sommers eerste reisboek: Houden van Afrikanen. Ze woonde toen nog in Amsterdam. Het was een kek geschreven verslag van haar eerste bezoek aan Afrika en haar eerste ervaringen met de krijgers van Mombasa, aangevuld met schetsen van latere soloreizen door West-Afrika. Zij beschreef openhartig hoe haar geheime agenda eruit zag: zij wilde in obscure danstenten flirten met mooie Afrikaanse mannen en alles meemaken wat er op dit gebied in Afrika te beleven is.
Het promotieonderzoek stagneerde, maar inmiddels had Sommer tijdens een sociologisch congres een Keniaan ontmoet die een aanstelling voor haar wist te regelen aan de Keniatta Universiteit van Nairobi. Zij vertrok in 1991. Dit avontuur leverde haar een echtgenoot, twee kinderen en haar tweede boek, Retour Nairobi, op.
In Retour Nairobi beschrijft zij de problemen met het onderzoek, dat verzandde in drugs en relatieproblemen met haar informant. Het boek is ook de weerslag van haar ervaringen aan de Keniatta Universiteit, waar zij, gewend aan de Universiteit van Amsterdam, terecht komt in een complete chaos. Het valt haar moeilijk te formuleren waarom ze zo graag naar Afrika wilde dat zij alle schepen achter zich verbrandde. 'Ik kom niet verder dan “mooie mannen, lekker weer”, maar daar neemt niemand genoegen mee. Volgens mij schuilt een deel van de aantrekkingskracht van Afrika in de omgang tussen de mensen. Er is sneller contact, sneller aanspraak. Je leeft met elkaar, je leeft op straat. In Nederland sluit iedereen zich in huis op. Dat is in Afrika ondenkbaar. Ik heb in Nederland altijd keihard gewerkt aan die universiteit. Reken maar dat ik eenzaam was, alleen in mijn huisje in Amsterdam-West. Daarom werkte ik waarschijnlijk ook zo hard.’
RETOUR NAIROBI is een somberder boek dan Houden van Afrikanen. Hoewel Sommer haar best doet om onverschrokken verslag te doen van de vele tegenslagen die zij moest overwinnen, klinkt de wanhoop tussen de regels door. Het leven in Afrika is moeilijk, zeker voor een alleenstaande sociologe met een Afrikaans salaris, ook al is zij dan een mzungu, een blanke. De situatie verandert niet als zij trouwt met een Keniaan, die met twee jongens van zijn clan bij haar intrekt. Een van de jongens is student; hij valt als clanlid onder de verantwoordelijkheid van haar man. De andere is een neefje, Barnabas van zeven.
Van de ene dag op de andere wordt Agnes Sommer kostwinner en moeder en moet er geld verdiend worden. Wanneer zij haar docentschap verruilt voor een baan bij een zogenaamde NGO (Non-Governmental Organisation), doemen er weer andere problemen op. Zij werkt aan een project voor Somalische vrouwen; er komt niets van terecht. Het boek eindigt met het verslag van een bezoek aan Nederland.
Grote afwezigen in Retour Nairobi zijn Sommers echtgenoot Thomas Bormin, die slechts af en toe als 'mijn meneer’ een vermelding krijgt, en de twee kinderen die zij in Afrika heeft gekregen. Bormin is geen strandkrijger, maar een lid van de Rendille- stam uit Noord-Kenia. Zoon Jan is bijna twee; zijn Rendille-naam luidt Gumati, vrijdag. Bert van twee maanden heet in het Rendille Bordachan: zebraatje. Maar over je kinderen schrijf je niet, vindt Sommer. 'Ik heb een ontzettende hekel aan vrouwen die andere mensen lastig vallen met verhalen over hun kinderen.’
Wat is nu haar volgende stap? Sommer: 'Een moeilijke vraag. Ik weet het nog niet. Er zit een halve roman in mijn computer. Ik wil het liefst terug naar Afrika, om weer les te geven. Ik ben Nederland toch ontwend. Laatst vroeg iemand me hoe het nu moest met de identiteit van de kinderen. Geen idee. Nederland is vol bruine kinderen. Zelfs in Oost-Groningen zitten Somali’s. Er moet niet zo over gezeurd worden. Er wordt veel te veel gepsychologiseerd in Nederland. Je hoeft de radio maar aan te zetten en het gaat over identiteit en bewustzijn. Aan de ene kant hoop ik dat dat over is voor Jan een brommertje rijdt, zoals ik schreef in mijn column. Aan de andere kant hoop ik dat hij tegen die tijd weer in Afrika woont, waar niemand ooit van identiteitsproblemen heeft gehoord. Ik heb nog nooit een Rendille ontmoet die in de grote stad ontheemd en ontworteld zat te wezen.’
Voor de Novib gaan werken, is dat niets voor haar? Nee, Sommer lijkt niet de geschikte persoon om mee te werken aan een fijn westers ontwikkelingsproject. Ze is erg cynisch over de 'vrouwen en kippen-projecten’ van de westerse organisaties. 'Volgens mij moet Kenia helemaal niet geholpen worden’, zegt ze smalend. 'Er wordt al veel te veel geholpen. De hulp wordt voor zover ze naar de regering gaat, ter plekke door de minister opgegeten. En de hulp die naar de NGO’s gaat, wordt door de medewerkers van de NGO opgesoupeerd of aan benzine uitgegeven, want elke zichzelf respecterende NGO heeft een wagenpark voor de deur staan. Er moeten boodschappen gedaan worden en de kinderen van de medewerkers moeten naar school gebracht worden. Het lijkt me dat aan hulp heel strakke voorwaarden moeten worden verbonden, zoals ook steeds meer gebeurt.’
Hulp maakt afhankelijk en afhankelijkheid is slecht voor Afrika. Sommer: 'De Rendille hadden vroeger veel kamelen, maar door de droogte zijn die gestorven. Sindsdien zijn zij aangewezen op hun geiten. Vanwege de gevolgen van de aanhoudende droogte is er een NGO in hun gebied neergestreken - en daarna nog een, want een NGO komt nooit alleen - die voedsel uitdeelt vanuit het stadje Korr. Vervolgens zijn de Rendille in Korr gaan zitten en er nooit meer weggegaan. Ze hebben hun oude nomadenbestaan niet meer opgepakt. Veel Rendille-vrouwen zijn weduwe, omdat de oude mannen met jonge meisjes trouwen. Die weduwen bleven allemaal in Korr hangen. Een van de organisaties is daarom een weduwenproject gestart en heeft de vrouwen met kinderen ieder een kameel en een pakezel gegeven, om ze weer mobiel te maken. De vrouwen zeiden dankjewel, zetten hun tentje honderd meter verder op en bleven naar Korr komen om de voedseluitdeling niet mis te lopen.
De hulp wordt met de beste bedoelingen gegeven, maar het heeft een nadelig effect. Zelfs de voedselhulp, door iedereen als noodzakelijk ervaren, is niet zo eenvoudig als het lijkt. Wanneer houd je op met uitdelen?’