Net als Maria Stahlies heldinnen laten haar zinnen zich niet op hun kop zitten © Tom Feenstra / Fotomatic

In haar nieuwste roman neemt Maria Stahlie ons opnieuw onverdroten mee in de denk- en leefwereld van zo’n echt Stahlie-personage. Zo een die zich op een tweesprong bevindt: zal ik dit doen of dat? Hoe kan ik ontsnappen aan mijn voortkabbelende leven dat nergens toe leidt en tot niets dient? Hoe kan ik ervoor zorgen dat niet alleen ik, maar ook mijn zoontje Wout een ‘vrij, wild, normaal en menselijk’ leven gaat leiden? Hoe kan ik het vuur ontdekken dat in mezelf brandt, dat in ieder mens brandt of is het nu bij mij gedoofd?

Naar dat vuur laat Stahlie haar Lisette Wigman zoeken. Haar heldinnen laten zich altijd sturen door verlangen naar verandering, door reddingspogingen, niet alleen van zichzelf maar ook van de wereld om hen heen. Zo iemand dus. Dit klinkt allemaal hoogdravend, maar Stahlies Lisette is zo normaal als wat, ze doet niet aan misdaad, gaat gewoon om met haar nogal ingewikkelde familieleven, is in Amerika zwanger geraakt van haar leuke vriendje Lenny, die helaas bij een ongeluk om het leven is gekomen, en voedt haar zoontje Wout zelf op. En we krijgen de details over deze tamelijk normale gang van zaken allemaal uitgebreid te horen.

Wil je ‘gewoon’ proza lezen, voor zover zoiets bestaat, dan moet je bij Stahlie zijn. Haar roman staat vol van de allergewoonste zaken: feestjes in Brussel, joggen in Amsterdam, gesprekken met vrienden, vriendinnen, ouders, reis naar Amerika, werk in een armenkliniek, dood en begrafenis van Lenny, zijn merkwaardige moeder. Dit alles in een laconieke stijl die kenmerkend is voor Stahlies werk. Net als haar heldinnen laten haar zinnen zich niet op hun kop zitten.

Soms dacht ik dat al die gewoonheid me wat te veel werd: weer die merkwaardige Bram, die maar niet weet of hij wel of niet priester moet worden, al die details over autoritten, vliegvelden, ontmoetingen met ouders, gesprekken, plaatsbepalingen, beschrijvingen. Stahlie wil dat we alles zo precies mogelijk te weten komen en het gevolg is dat die merkwaardige Lisette in me mee ging bewegen. Ik zag haar steeds scherper voor me, en dat had allemaal te maken met de vele beschrijvingen van kleine gebeurtenissen. Lisette’s brandend verlangen naar verandering werd juist in die uitvoerige details zichtbaar. Vrolijke meid, maar ondertussen. Zie je ze niet overal rondlopen? Kleine en grote rampen het hoofd bieden (muilperen!) en dan weer doorgaan. ‘De parkeerplaats voor de shuttles bevond zich op zo’n honderd meter van de plaats waar Lisette en Sarah Mae de centrale hal verlieten en de buitenlucht in liepen. Het was het droge seizoen in Miami, de temperatuur op die 29ste november was – met Nederlandse maat gemeten – een hoogzomerse. Lisette liet de warmte tot zich doordringen.’

Stahlie schrijft niks-weg-laat-proza, de lezer komt alles te weten

Zulk proza dus, gedetailleerd, alles staat erbij, niks-weglaat-proza omdat Stahlie vindt dat we alles van Lisette te weten moeten komen. En er dan het onze van moeten denken. Precies wat literatuur van ons wil.

Ondertussen laat ze haar heldin zich suf piekeren over hoe ze iets op de wereld kan betekenen. Ze gaat in Miami als vrijwilliger aan de slag in een instituut dat de armen en misdeelden gratis van de hoognodige medische en sociale hulp voorziet, The St Thomas Free Medical Clinic. En hier loopt ze op tegen de grenzen van haar idealistische verlangen anderen te helpen. Na een paar weken merkt ze tot haar diepe schaamte dat ze een steeds grotere afkeer begint te ontwikkelen voor de vele honderden armen en misdeelden die zich melden. Ze kan er niet tegen, ze wil weg. Heeft het iets te maken met haar eigen beschermde opvoeding en min of meer gelukkige leven, dat zich zonder financiële zorgen ontrolt?

Stahlie put zich uit in de beschrijving van de armoede in Amerika, de hopeloosheid en uitzichtloosheid ervan, de gevolgen voor het straatbeeld, de wanhoop en de ellende. Eerst vindt Lisette nog dat ze beter haar best moet doen, zoals haar vriend Bram dat ook doet, maar ze begint de dagen van haar werk in het instituut af te tellen. ‘Tranen van schaamte omdat ze nog steeds met geen woord had gerept over haar ontmaskering als mooiweeraltruïst, over de waarheid dat ze sinds 2 maart, sinds de abortus van Shelley Jones, de dagen was gaan aftellen en dat ze op die zondag precies wist hoeveel dagen ze nog te gaan had (vijfendertig) voordat ze de bezoekers van de kliniek met al hun onoplosbare leed voorgoed achter zich kon laten.’ Uiterst pijnlijk allemaal, maar wel zeer overtuigend door Stahlie voor het voetlicht gebracht.

Let weer op die merkwaardige details, ‘vijfendertig’, ‘2 maart’, die dit proza op scherp zetten. Stahlie doet er alles aan om haar verhaal geloofwaardig te krijgen, juist deze details maken het ook tragisch.

Terug in Nederland loopt ze opnieuw op tegen de grenzen van haar altruïsme. De lamme helpt de blinde, dat is het thema van deze merkwaardig gedetailleerde roman, die vol staat met warme, gezellige en liefderijke huiselijke taferelen. Maar ondertussen een wereld oproept van vertwijfeling en onzekerheid. Dramatisch maakt Stahlie het in haar werk nooit, ook hier niet, dat lukt haar niet, gelukkig maar. Dat doen andere schrijvers. Ze gooit het op details, op de bravoure van haar hoofdpersoon, op helderheid en verlangen, op de wil toch goed te doen. Hoe dan ook.