Moord en doodslag

Een moord is altijd het einde van het ene verhaal en het begin van het volgende. En een moord is onweerstaanbaar. Zie de zaak van Jeffrey MacDonald – die wel of niet zijn gezin vermoordde…

De buit leek binnen, maar Julian Alaphilippe juichte te vroeg. Want terwijl hij zijn handen in de lucht stak, duwde naast hem Primoz Roglic, een week eerder in Parijs nog de schlemiel van het peloton, met een ultieme krachtsinspanning zijn wiel een fractie van een seconde eerder over de streep. Een banddikte verschil op de meet, meer was het niet. Een prima samenvatting van de feiten, maar ik heb aan één hand niet genoeg om de clichés te tellen. Sportverslaggeving, wil ik maar zeggen, is verdomd moeilijk. En daarom is het niet gek dat er zo nu en dan iemand uit de bocht vliegt.

Ik las de NRC-reportage over diezelfde wedstrijd dus met begrip maar toch ook met stijgende verbazing. Het was niet het kleurrijke proza over de kleine berg waar amateurs ‘hevig hijgend naar boven ploeteren’: ‘door het Ourthedal echoot de roep van een torenvalk’ is ontegenzeggelijk beter dan de plichtmatig in de verte blaffende hond. Het was de wijze waarop flarden van de wedstrijd en achtergrondinformatie over de route die de renners moesten afleggen werden afgewisseld met het verhaal van een roofmoord. Een paar maanden eerder was namelijk ‘even voorbij de Valkenrots (…) pal aan het parcours van Luik-Bastenaken-Luik’ een hoogbejaarde vrouw om het leven gebracht.

Het enige verband tussen de koers en deze tragische gebeurtenis: ‘Tweehonderd meter van de plek waar mevrouw Crahay werd vermoord staan elf toeschouwers met hun telefoons klaar om wielrenners te filmen.’

De vrouw, de dader, de precieze omstandigheden: heel veel scherper in beeld kwamen ze niet. Het was gewoon een beetje couleur locale, iets om het wedstrijdverslag wat te verlevendigen. Een moord – altijd einde van het ene verhaal en het begin van het volgende – is onweerstaanbaar, maar bepaald smaakvol was het niet.

In Morally Indefensible en A Wilderness of Error, respectievelijk een podcast en een documentaire van Marc Smerling, die eerder The Jinx produceerde, staat de zaak van Jeffrey MacDonald centraal. Journalist Joe McGinniss schreef een beroemd boek over de jonge legerarts die in 1970 wel of niet zijn gezin vermoordde (Fatal Vision) en Janet Malcolm schreef een beroemd boek over dat beroemde boek (The Journalist and the Murderer).

Errol Morris, die ook een boek schreef over de zaak, treedt in Smerlings documentaire op als verteller. De filmmaker die met The Thin Blue Line ooit het true crime-genre eigenhandig opnieuw uitvond toen hij het leven redde van een man die maar een paar dagen verwijderd was van een doodsreutel in Old Sparky is, in tegenstelling tot McGinniss, allesbehalve overtuigd van MacDonalds schuld.

Smerling laat behendig zien hoe ingewikkeld de hele zaak is. Maar zijn eigenlijke onderwerp is niet de schuldvraag, zijn eigenlijke onderwerp is de fascinatie die de zaak weet te wekken. De wijze waarop mensen zich uit de meest nobele motieven – iedereen wil dat Jeffrey MacDonald, de koelbloedige psychopaat, wordt gestraft, of dat Jeffrey MacDonald, de onterecht opgesloten vader van een vermoord gezin, wordt vrijgelaten – blindstaren op de brokstukken van wat er werkelijk is gebeurd.

De camera is plots niet meer op de zaak gericht maar op de volger ervan

Aan het einde van zijn documentairereeks doet Smerling geen poging tot een conclusie te komen. Wat hij doet is ingenieuzer. Hij confronteert zijn verteller, Errol Morris, met diens eigen menselijkheid.

Er was een vrouw die vanaf het begin tegen alles en iedereen die het wilde horen vertelde dat zij erbij was geweest, dat zij een van de hippies was die MacDonald had aangewezen als de werkelijke schuldigen. Maar als Smerling Morris een interview met deze vrouw toont is het lastig in haar iets anders te zien dan een geestelijk instabiele fantast. De totale oppervlakkigheid van haar verhaal, in strijd met de feiten en met MacDonalds verdediging, lijkt onmiskenbaar.

Het kost Morris maar een paar seconden om zijn eigen tekortschieten onder ogen te zien. ‘Evidence’, zegt hij, ‘invariably takes second fiddle to narrative.’

Hij geeft toe dat hij nooit een betrouwbare verteller was. ‘I’m not immune. I’m as fucked up as the next guy. Take my word for it.’

Dan valt de spraakwaterval voor het eerst stil. Als hij zijn mond weer opent, zegt hij dat echte intelligentie erop neerkomt dat je jezelf nooit of te nimmer ervan overtuigt dat je iets weet, terwijl dat niet zo is. ‘To be able to say: I don’t know, I don’t understand, I’m confused, I’m fucked up, have mercy on me, please…’

Deze omkering, waarbij de camera plots niet meer op de zaak gericht is maar op de geobsedeerde volger ervan, is een buitengewoon slimme zet, maar alleen bevredigend voor wie kan leven met een open einde.

Voor wie daar meer moeite mee heeft: een paar dagen geleden verscheen ook de twintigste en laatste aflevering van het tweede seizoen van In The Dark, een podcast die met kop en schouders boven het maaiveld uitsteekt. Waar vrijwel alle true crime uiteindelijk een vieze nasmaak achterlaat, omdat er net iets te verlekkerd wordt gewroet in het leed van anderen en het resultaat zo spannend mogelijk wordt geserveerd, daar weten Madeline Baron en haar team die narratieve verleiding te weerstaan. Hun onderzoek richtte zich op niets anders dan de feiten en de feilbaarheid van het systeem. Baron spreekt Curtis Flowers, na ruim twee decennia te hebben gewacht op de voltrekking van zijn doodstraf weer een vrij man, voor het eerst in deze laatste aflevering. Het gesprek is, net als het hele onderzoek, even hoopgevend als hartverscheurend.