Wie doodde Swapo-activist Anton Lubowski?

Moord op de witte kaffer

Eind vorig jaar werd de voormalige bevrijdingsbeweging Swapo voor de derde keer op rij winnaar van de verkiezingen in Namibië. Tegelijkertijd was het tien jaar geleden dat Swapo-activist Anton Lubowski werd vermoord. Maar door wie? Evelien Groenink onderzocht de ware toedracht van de moord en stuitte op onvermoede Franse connecties.

[kader]



ANTON LUBOWSKI


De ‘witte kaffer’ werd hij genoemd: Anton Lubowski, de advocaat die zijn carrière had opgegeven voor een bestaan als activist voor de zwarte Namibische bevrijdingsbeweging Swapo. Hij droeg zijn bijnaam met trots. Lubowski haatte de apartheid, die het buurland Zuid-Afrika tot in Namibië had doorgevoerd. Hij wijdde zijn tijd aan de strijd voor zwarte onafhankelijkheid in de regio. Hij viel als martelaar, vermoord aan de vooravond van de bevrijding van zijn land dat tot dan toe een provincie was geweest van apartheid-Zuid-Afrika.


De communis opinio was en is dat Lubowski als sleutelfiguur in het Swapo-apparaat werd vermoord door een doodseskader uit Zuid-Afrika. Lubowski had, door kantoren en administratie op te zetten, een belangrijke bijdrage geleverd aan de massale Swapo-overwinning tijdens de eerste verkiezingen van het onafhankelijke Namibië in 1989, verkiezingen die hij zelf niet meer mee zou maken. De triomferende Swapo vierde eind vorig jaar zijn derde verkiezingsoverwinning sinds de onafhankelijkheid. Dat op hetzelfde moment Anton Lubowski tien jaar dood was, werd bij die gelegenheid evenwel niet herdacht. De beweging houdt er een eigenaardig stilzwijgen op na rond de moord.



[einde kader]



SEPTEMBER 1989. Als de vriendin van Anton Lubowski, de advocaat Michaela Clayton, de bel hoort gaan, verwacht ze opgehaald te worden voor een feestelijk etentje met Anton en zijn goede vriend, Swapo-bestuurder Hage Geingob, op de nominatie om na de verkiezingen premier te worden. Er is reden voor feest: Swapo-president Sam Nujoma zal overmorgen in Namibië arriveren, thuis na jaren ballingschap. Na het rinkelen van de bel klinken pistoolschoten. De vrouw opent de voordeur en ziet haar partner daar voor de deur op zijn rug liggen. Anton is dood.


Enkele dagen later arresteert de Namibische politie Donald Acheson, lid van de Special Forces, de Zuid-Afrikaanse elitetroepen. Omwonenden hebben zijn auto vlak voor de moord in de buurt gezien. Acheson geeft tijdens zijn verhoor toe dat hij werkt voor een Zuid-Afrikaans doodseskader, het orwelliaans klinkende Civil Cooperation Bureau (CCB). Hij ontkent echter dat hij de moord heeft gepleegd en wordt vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. Later wordt ontdekt dat enkele Zuid-Afrikaanse politieagenten, ook betrokken bij het CCB, van hun organisatie de opdracht hebben gehad om de voorbereiding van de verkiezingen in Namibië te saboteren. Er wordt bij hun afdeling van het CCB een hitlist gevonden met namen van Swapo-leiders. De naam van Anton Lubowski staat nummer twee. Hoewel een Namibische onderzoeksrechter als conclusie uitspreekt dat de CCB’ers zouden moeten terechtstaan voor moord, vraagt de nieuwe Namibische regering van Swapo niet om hun uitlevering uit Zuid-Afrika.



OKTOBER 1989. De officiële ‘lijn’ van het apartheidsregime is — hoe kan het ook anders — dat Zuid-Afrika geen schuld draagt aan de moord op Anton Lubowski. Maar de ontkenning gaat verder. De minister van Defensie, generaal Magnus Malan, toont in het parlement cheques, uitgeschreven op naam van Lubowski door het Military Intelligence (MI)-frontbedrijf Global Capital en gedeponeerd op zijn persoonlijke bankrekening. Dit bewijst dat Lubowski onze bondgenoot was, zegt Malan. Hij werkte voor de Zuid-Afrikaanse militaire geheime dienst, en wij hebben hem dus niet vermoord.


Familie en vrienden van Anton Lubowski zijn ontzet. Niemand gelooft minister Malan, maar er lijkt weinig tegen in te brengen. Het geld is beslist overgemaakt op Lubowski’s rekening; Lubowski heeft het er op laten staan en het dus geaccepteerd. Lubowski’s kinderen, vier en zes jaar oud, zullen niet alleen opgroeien zonder vader maar ook nog met diens bezoedelde nagedachtenis. Lubowski’s voormalige beste vriend in Swapo en nu premier, Hage Geingob, lijkt Malan te geloven. Geingob verklaart, wederom tot verbijstering van Lubowski’s familie en vrienden, publiekelijk dat de onthulling van Malan ‘bewijst dat Swapo een spionnenprobleem had’. Tien jaar lang zullen de vrienden van Anton Lubowski zich blijven afvragen waarom Geingob en Swapo zich met betrekking tot deze zaak zo eigenaardig gedragen. Niemand die Lubowski kende, kan geloven dat hij werkelijk voor MI werkte. ‘Hij had zwakheden, hij hield van geld, maar spioneren voor de Zuid-Afrikanen, nee. Daarvoor haatte hij ze te veel’, zegt zijn ex-vrouw Gabriela.



FEBRUARI 1990. Voor het eerst noemt een krant de naam van iemand in Antons omgeving die noch tot Swapo noch tot een Zuid-Afrikaans doodseskader behoorde. Het progressieve blad Weekly Mail komt met Alain Guenon, Frans zakenman, woonachtig in de Namibische hoofdstad Windhoek. Guenon is niet de eerste de beste. Hij wordt op handen gedragen door het Windhoekse zakenleven. Hij is ‘de sleutel tot de Franse regering, tot het Elysee’, zegt de lokale zakenman Courtney Clark, voor zijn dood boekhouder van Anton Lubowski. ‘Hij heeft contacten met alle Franse bedrijven.’ Olie, telefoons, militaire elektronica, bruggen, dammen, bouwbedrijven, je kunt het zo gek niet bedenken of het gaat via Alain Guenon. Guenon is, zo wordt daar in Windhoek fluisterend aan toegevoegd, ook heel close met de zoon van de voormalige Franse president François Mitterrand, Jean Christophe, directeur van het machtige Bureau Afrique van het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken. Guenons invloed is groot. Dankzij hem heeft Swapo-activist Lubowski een hoge Franse onderscheiding gekregen, het Legion d’Honneur.


Want Anton Lubowski en Alain Guenon zijn vrienden geweest. Alain Guenon, door de Franse ambassade voorgesteld aan Lubowski, hielp de Swapo-activist met het opzetten van huizen en kantoren voor de Swapo-leiding in ballingschap, die in september 1989 op het punt stond terug te keren voor de aanstaande, eerste, vrije verkiezingen. Tot die tijd was Lubowski’s huis in Windhoek een onofficieel hoofdkwartier geweest, zijn computer bevatte de Swapo-administratie. Guenon had aangeboden Lubowski te helpen met het organiseren van meubilair voor de door Lubowski geregelde Swapo-huizen en -kantoren. Het aanbod was enthousiast geaccepteerd door de overwerkte Lubowski.


Vijf maanden na de moord op Anton Lubowski suggereert het weekblad dat er mysterieuze financiële transacties plaatsvonden tussen Guenon en Lubowski. ‘Na Lubowski’s dood werd geld op zijn bankrekening aangetroffen dat afkomstig was van Alain Guenon’, schrijft het blad. En: ‘Lubowski belde twee dagen voor zijn dood met Guenon, met een verzoek hem te komen helpen.’ De vrienden en familie van Anton Lubowski letten niet op dit bericht. Na de roddel dat Anton een spion was, wordt in deze kringen een nieuwe verdachtmaking — dat hij mogelijkerwijs geld (steekpenningen) ontving van een zakenman die toegang zocht tot de Swapo-elite — niet op prijs gesteld.



1999. DIVERSE journalisten, onderzoekscommissies en zelfs de Waarheidscommissie zijn in de zaak-Lubowski niet verder gekomen dan de vaststelling dat Acheson en zijn opdrachtgevers ‘van het CCB’ nog steeds de voornaamste verdachten zijn. Wat de MI-betalingen aan het adres van Lubowksi betreft wordt verondersteld dat het om een truc gaat, dat MI op een of andere manier de transacties gefingeerd heeft met het doel om na Anton vermoord te hebben ook nog zijn reputatie te vernietigen.


Niemand heeft het meer over het geld van Guenon, het geld waarin ik in de tussentijd steeds meer geïnteresseerd ben geraakt. Vooral omdat Guenon, zo is me uit onderzoek in Parijs gebleken, geen progressieve zakenman is, maar lid van de Corsicaanse maffia. Die bestaat uit extreem-rechtse apartheidslobbyisten, wapen- en diamantsmokkelaars, leden van het Franse vreemdelingenlegioen en zakenlieden betrokken bij de casino’s van de Franse Rivièra. Samen met Zuid-Afrika’s military intelligence houdt de Corsicaanse maffia zich bezig met internationale smokkel van wapens, olie en diamanten.


Military intelligence heeft zich in eerste instantie op de smokkel geworpen om daarmee het eigen door sancties geïsoleerde regime van olie en wapens te voorzien. De smokkel is echter meer en meer tot hoofdactiviteit geworden, naarmate in Zuid-Afrika het besef groeit dat de apartheid ten dode is opgeschreven en men beter zijn zakken kan vullen voor het te laat is. Overal in Afrika worden door aan MI gelieerde bedrijven grondstoffen — goud, diamanten, olie — uit de bodem gehaald, weggevoerd en doorverkocht zonder dat de oorspronkelijke eigenaars er een cent aan overhouden. Vooral Angola, het buurland van Namibië, is een roversparadijs. Om in Angola aan zakkenvol diamanten te komen hoef je alleen maar een bepaalde leider wat geld of wapens toe te schuiven. MI heeft daarbij nog eens het voordeel dat de Zuid-Afrikaanse belastingbetaler daarvoor betaalt. De wapens voor Unita-leider Jonas Savimbi komen van het defensiebudget, de diamanten die Savimbi daarvoor in ruil geeft, verdwijnen in de zakken van de ‘zakenlieden’ van MI.


De Corsicaanse maffia werkt, net als haar Siciliaanse zuster in de misdaad, samen met MI in alle bovengenoemde zaken, maar specialiseert zich tevens in het witwassen van geld. Ze gebruikt daarvoor de eigen casino’s aan de Rivièra, maar ook casino’s in Afrika.


Alain Guenon vertegenwoordigt in Windhoek zowel respectabele bedrijven als de Corsicaanse maffia en military intelligence. De grenzen tussen respectabel en niet-respectabel zijn echter vaag. Met name het oliebedrijf ELF, het wapenbedrijf Thompson CSF en Guenons eigen Sagem (communicatie en militaire elektronica) gebruiken het MI-netwerk graag voor het verkrijgen van miljoenenorders aan oliewinning en wapenleveranties. ELF is naar verluidt ook betrokken bij de diamanttransporten uit Angola. ELF krijgt zoveel gedaan in Angola door ‘commissiepraktijken’, een net woord voor omkoperij. (ELF is overigens tegelijkertijd verwikkeld in een rechtszaak vanwege omkooppraktijken in eigen land. Daarbij kwam ook omkoperij in Afrika aan de orde. ‘Zonder commissiepraktijken in Afrika’, verklaarde ELF-directeur Tarallo voor de rechter in Parijs, ‘zou ELF nooit geworden zijn wat het werd.’ Hij noemde daarbij specifiek Angola.)



DE ADVOCAAT Pierre Roux werd na Anton Lubowski’s dood diens opvolger als financieel secretaris van Swapo. Hij vond vlak na de moord al aanwijzingen dat Lubowski ‘irreguliere betalingen’ had ontvangen van Alain Guenon. ‘Het leek erop dat hij een flinke commissie had ontvangen voor die meubeltransacties.’ Roux had er verder niet veel ophef over gemaakt, omdat Anton al snel daarna ervan werd beschuldigd dat hij geld van MI had geaccepteerd. ‘Ze hadden Antons reputatie al zo besmeurd. Ik wilde er niet nog een schepje bovenop doen.’ Hij raakt echter enthousiast bij het zien van de kopieën van de cheques die als ‘bewijzen’ van MI-betalingen getoond werden in het Zuid-Afrikaanse parlement. ‘Die betalingen zijn gedaan in de tijd van het meubelgeld. En die Guenon was dus zelf een bondgenoot van MI?’ Het klinkt te mooi om waar te zijn, maar als Roux de boeken uit die tijd nog eens bestudeert beseft hij dat het waar is. ‘De percentages en de data komen overeen. Guenons geld was het enige geld dat Anton ontving in die tijd.’ Anton Lubowski moet gedacht hebben dat de MI-betalingen op zijn rekening, afkomstig van een neutraal klinkend investeringsbedrijfje, van ‘meubelhandelaar’ Guenon waren. ‘Dus het meubelgeld is het MI-geld’, zegt Roux, zelf een vriend van wijlen Anton, tevreden. ‘Dus zijn reputatie is hiermee gezuiverd. Hij was geen spion.’


De vergissing die Anton Lubowski het leven kostte, was dat hij zich had verkeken op de Franse connectie van MI en zo verzeild raakte in een ‘rekruteringsproject’ van MI en de daaraan verbonden maffia. MI-agent ter plekke Rich Verster verklaarde later tegenover de Commissie van Waarheid dat hij Lubowski tijdens de ‘rekrutering’ onder surveillance had in samenwerking met een tweede agent, Rob Colesky. Anton Lubowski kende Rob Colesky als een ‘meubelhandelaar in Pretoria’, die samenwerkte met Alain Guenon.


Na Lubowski ‘betaald’ te hebben trachtte MI de Swapo-man voor zich te laten werken. Lubowski was nodig om een doorbraak te bewerkstelligen in de oliesmokkel ter plekke. Alain Guenon trachtte Lubowski’s handtekening te krijgen voor een ‘olieproject’ waarbij Angolese olie (gewonnen door Guenons bedrijf ELF) per spoor door heel Namibië vervoerd zou gaan worden. Het project betrof een olieraffinaderij, een spoorlijn en de benodigde im- en exportvergunningen. Het onuitgesproken doel erachter was om de olie, tegen internationale sancties in, tot aan en over de grens met Zuid-Afrika te krijgen. Dat zou alleen kunnen lukken als ‘Mr. Swapo’ zijn naam zou verbinden aan het project. Het Franse dagblad Libération zou later onthullen dat Alain Guenon, terwijl sancties nog van kracht waren, ook had geprobeerd de handtekening van Winnie Mandela te krijgen onder een uitnodiging aan ELF om in Zuid-Afrika te ‘investeren’.


Lubowski werd ook gevraagd behulpzaam te zijn bij de ‘wasserij-activiteiten’ van het netwerk. Hij kreeg als advocaat het verzoek van een ‘klant’, die op dat moment in een Zwitserse gevangenis zat, om Namibisch staatsburgerschap voor hem te regelen. De klant was Vito Palazzolo, een Siciliaanse maffioso, sleutelfiguur in de geld-witwasserij van MI. Hij had eerder in Zuid-Afrika gewoond, had wapenzaken gedaan met Alain Guenon, was een casino-specialist en een persoonlijke vriend van Zuid-Afrika’s minister van Buitenlandse Zaken Pik Botha. Dat wist Lubowski allemaal niet. Hij wist evenmin dat Palazzolo naar Namibië wilde komen om in Windhoek een casino te beginnen waar opbrengsten uit de smokkelhandel konden worden witgewassen. Hij ging de gevangen maffioso, zei hij tegen vriendin Michaela, ‘alleen maar adviseren over wat de wet in Namibië zegt over staatsburgerschap’. Deze twee verzoeken werden gedaan tussen juni en september 1989, de periode tussen de ontvangst van het ‘meubelgeld’ en de moord.


Toen Anton Lubowski duidelijk werd dat Palazzolo uit was op de casinorechten in Windhoek was het al te laat. Zijn verzet tegen het doen van ‘al die dingen die die mensen van hem wilden’, zoals hij het formuleerde tegenover zijn vriendin, werden hem, evenals zijn toenemende weerzin tegen het olie-spoorlijnproject, niet in dank afgenomen. Toen hij een initiatief begon van lokale zakenlieden, om wat hij noemde ‘buitenlandse aasgieren’ voortaan van soortgelijke projecten te weren, was zijn doodvonnis getekend.


‘Anton deed zaken met de maffia’, zou Alain Guenon zelf volgens Weekly Mail later rondvertellen in Windhoek. ‘Maar hij leverde het gevraagde niet. Daarom werd hij doodgeschoten.’ Alain Guenon vergat er alleen bij te vertellen dat hij zelf deel van die maffia was geweest.



ER ZIJN AANWIJZINGEN dat Anton Lubowski twee dagen voor zijn dood begon te beseffen dat hij met het ‘meubelgeld’ werd gechanteerd. Zijn telefoontje naar geldschieter Guenon wijst erop dat hij ‘problemen’ had die alleen Guenon zou kunnen oplossen. Had iemand hem geconfronteerd met het feit dat hij ‘toch al op de loonlijst van MI stond’ en dat hij daarom ‘beter mee zou kunnen werken’? Anton liet ook aan zijn vriend in de Swapo, Hage Geingob, op de dag dat hij stierf weten dat hij ‘druk bezig’ was met het ‘in orde maken van zijn en Swapo’s financiële boeken’. Het waren deze boeken die later door advocaat Pierre Roux ‘onregelmatig’ werden bevonden: ‘het leek erop dat Anton steekpenningen in de meubeltransacties had ontvangen en die had willen verdoezelen’.


Dat Lubowski Geingob vertelde over zijn dilemma is waarschijnlijk: hij had een vertrouwelijk gesprek met Geingob op de dag dat hij stierf, vlak voordat hij zich naar het kantoor begaf om de boeken in orde te maken. ‘Er was een regeling getroffen, waar hij mee bezig was’, zou Geingob zich later laten ontvallen. Geingob heeft echter nooit, ook niet na herhaalde verzoeken, commentaar willen geven op wat Anton hem die laatste dag al dan niet vertelde. Het was na het in orde maken van de boeken, op weg naar een nieuwe ontmoeting met Geingob, dat Anton werd doodgeschoten voor de deur van zijn huis.


Wie de trekker overhaalde is tot op de dag van vandaag niet bewezen. Donald Achesons verhaal lijkt op dat van een typische ‘false flag’, iemand die de aandacht afleidt. Zijn zogenaamde opdrachtgevers, Burger en Maree, zijn twee burger-politieagenten die de schuld hebben gekregen van bijna alle onopgeloste politieke moorden in Zuid-Afrika. Zij worden gezien als ‘het CCB’. Maar deserteurs uit de Special Forces brengen daar tegenin dat het ‘echte CCB’ bestaat uit zo’n zestienhonderd zwaar getrainde militairen.


Glen G. is een van hen. Glen G., een oud-collega van Acheson — vandaar misschien dat Acheson werd uitverkoren als false flag — heeft in eigen kring rondverteld dat hij zelf, met een eigen CCB-team, de moord op Lubowski heeft gepleegd. Bronnen in deze kring melden dat Glen G. details weet over de moord die niet door de pers zijn gepubliceerd: bijvoorbeeld dat Anton in zijn gezicht werd geschoten en niet in zijn rug. Glen G. wordt tevens genoemd in een Zuid-Afrikaans rapport over de ‘derde macht’. Hij wordt daarin beschreven als een lid van de elite Special Forces, die in direct contact staan met het smokkelnetwerk van military intelligence. Volgens de bron zou Glen G. de opdracht voor de moord op Anton Lubowski direct hebben gekregen van een apartheidsminister die zelf betrokken was bij de smokkelhandel van military intelligence in de buurlanden. In het jaar dat Anton Lubowski werd vermoord, werd Glen G. eigenaar van een diamantbedrijf dat zaken deed met Namibië.


Justitie in Zuid-Afrika, onder leiding van aanklager ‘Torie’ Pretorius, richt zich nog steeds op een veroordeling van de CCB-agenten Staal Burger en Chappies Maree. Pretorius heeft zich, na een artikel van mijn hand met bovengenoemde strekking in de Zuid-Afrikaanse pers, in eerste instantie laten ontvallen dat ook hij ‘geïnteresseerd is in Guenon’, maar dat nam hij later terug. Kort na verschijning van dat artikel oordeelde de rechter in een andere zaak — die tegen vergifdokter Wouter Basson — dat moorden over de grenzen door Zuid-Afrika niet vervolgd kunnen worden. Daarmee lijken ook de vervolgingskansen van de zaak-Lubowski te zijn geslonken.


Alain Guenon en zijn mede-zakenlieden in de Franse connectie, vooral die van ELF en Thomson, doen nog steeds zaken met het overgeërfde militaire establishment van de apartheidsjaren. Jean Christophe Mitterrand werd na zijn tijd als directeur van het Franse Buitenlandse Zaken-Bureau Afrique consultant op de loonlijst van ELF, hoewel hij bij ontdekking daarvan verklaarde dat hij niet had geweten dat het betreffende consultatiebureau van ELF was. De nieuwe ANC-regering heeft nog steeds maar weinig greep op het MI-maffia-Franse connectie-netwerk. ELF is volgens de laatste berichten — vooral nu de Zuid-Afrikaanse diamantgigant De Beers heeft beloofd geen zaken meer te doen met de oorlogszuchtige Unita — in toenemende mate betrokken bij diamanttransporten uit Unita-gebied in Angola. Alain Guenon is nog steeds goed bevriend met prominente leiders in Angola en Namibië, alsook met ANC’ers als Winnie Mandela en Tokyo Sexwale, die beiden in diamanten doen.



 


Met steun van het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten werkt Evelien Groenink aan het boek Dulcie: Moord in Parijs, dat dit voorjaar verschijnt bij uitgeverij Atlas. In het boek worden verscheidene moorden op Zuid-Afrikaanse verzetstrijders uitgezocht.