Moorden mag, als onze administratie maar klopt

Zevenendertig doden en meer dan tachtig gewonden op de markt in Sarajevo. Wie nu niet wil geloven dat die granaat door Pale is afgeschoten om de nieuwste vredesplannen op te blazen is naief, goedgelovig, kort van memorie, zelfingenomen, in diepste wezen onverschillig, kortom: Hollander.

Het is er hier, in dit land van rede en vaste afspraken, bijna niet in te rammen dat zulke wandaden zonder omhaal worden uitgevoerd, domweg om de volgende deadline te verstoren. Dat het timing is, bloedige timing, en geen toeval. Ze beschieten het marktplein, de toch al ongeheelde wond in het hart van Sarajevo, om die drie verse diplomaten uit Amerika van elk optimisme te genezen. Ze laten Gorazde links liggen wanneer Chirac roept dat hij daar een streep in het zand trekt, concentreren hun troepen een maandje elders, en zie: de blauwhelmen geven het stadje zelf al vrij. Ze onthalen de westerse pers in Srebrenica op een rondleiding met de gewetenloze idioot die bereid is burgemeester te worden van zo'n spookstad, maar niet voordat ze alle mannenkampen in de omgeving hebben leeggemoord.
Het is allemaal timing, geen toeval.
De afgelopen zomer moet het zelfs de doofstomste Hollander duidelijk zijn geworden dat de Bosnische republiek vastzit tussen twee culturen: de cultuur van intimidatie en de cultuur van overleg. Van beide krijgen we de leugenachtigheid te zien, de arrogantie en de massieve zelfgenoegzaamheid. Twee talen, als je ze zo mag noemen, die van nature niet met elkaar communiceren en nooit een oplossing teweeg zullen brengen. Ze praten aan elkaar voorbij en zetten hun stappen altijd precies daar waar de ander niet treedt. Het overleg laat zich niet intimideren, en met de intimidatie valt niet te overleggen.
Als een skinhead voor mijn ogen de benedenburen te lijf gaat, heb ik weinig aan contactgroepen en onderhandelingsrondes. Toch volhard ik in de overtuiging dat mijn cultuur van overleg superieur is. Ik blijf praten. De stevigste pijler onder die overtuiging is overigens de wetenschap dat ik, als het erop aankomt, fysiek veel sterker ben en het gevecht altijd zal winnen.
Het leger van de Bosnische Serviers is niet onverslaanbaar, helemaal niet. Het houdt stand omdat het onze cultuur van overleg telkens een stapje voor is. Het heeft een brute en volstrekt ongeremde fantasie. Telkens nieuwe overtredingen van wat wij nu juist hadden afgesproken niet te doen. Op het slagveld gebeuren dingen waar ze aan de onderhandelingstafel niet eens woorden voor hebben, laat staan oplossingen.
Als de buitenwereld tot geweld wil overgaan in plaats van tot slappe mandaten, moeten de leiders een grond hebben om dat te verantwoorden. Moreel te verantwoorden, wilde ik zeggen, maar daarmee overschat ik ze misschien. Het risico voor onze jongens is gewoon te groot, en daarmee de kans op stemmenverlies bij de volgende verkiezingen. Er moet dus een rechtvaardiging zijn die binnen de eigen normen hoog staat aangeschreven.
Milosevic en Karadzic hebben onze leiders de rechtvaardigingen om toe te happen op zilveren schalen aangeboden. In het gezicht geduwd. Een paar prachtige, niet na te bouwen steden hebben ze kapotgeschoten. Mensen hebben ze vervolgd vanwege hun godsdienst, concentratiekampen in ere hersteld. Glashard hebben ze gelogen aan de onderhandelingstafel, en dat net zo lang tot ook de traagste kijker thuis begrijpt dat de leugen een volkomen ingeburgerd element is van de politiek: daar, maar ook hier. Ze hebben blauwhelmen aan hekken vastgebonden en die arme overste beneveld en vernederd. Om nog te zwijgen van de rijtjes lege laarzen op schoolpleinen en voetbalvelden.
En nog slaan we niet toe. De gene om eindelijk partij te kiezen en de reserves te laten varen zit al te diep. We wensen het verloop van de onderhandelingen niet in gevaar te brengen. We hebben Milosevic bijna zover. We wensen neutraal te blijven. Neutraal! Ook al zo'n triest, opgezet woord, met holle voornemens gevuld. Omringd door intimidatie betekent het niet veel meer dan toestemming, wegkijken, door de vingers zien.
De heilige verontwaardiging waarmee de Tweede Kamer zich nu weer op Voorhoeve stort maakt me ziek. Het laat alleen nog maar eens zien hoe onverschillig men is voor wat er in die oorlog gebeurt. Men is niet verstoord omdat er dus toch een bloedbad heeft plaatsgevonden in Srebrenica. Dat kan namelijk geen nieuws zijn. Dat weet je. Meteen, al bij het eerste gerucht. Het moet blijkbaar telkens weer opnieuw bewezen worden, maar eigenlijk weet je het al. Etnische zuivering is geen loze kreet: ze snijden die mannen werkelijk de keel af. Overal waar ze de kans krijgen, zodra ze de kans krijgen. Of onze jongens er nu wel of niet toevallig voorbij rijden.
Nee, men is verstoord omdat nu internationaal gezichtsverlies dreigt. Dutchbat krijgt wereldwijd kritiek, en dus worden de zogenaamde nalatigen opeens ter verantwoording geroepen.
Daarnaast zijn de politici verstoord omdat ze het hele weekend hongerige journalisten aan de telefoon krijgen, die iets hebben opgevangen over de zoveelste slordigheid van Voorhoeve en zijn mannen. De bevolking, die deze oorlog hooguit nog via de krantekoppen volgt, dreigt zijn vertrouwen in de politiek nog verder te verliezen, en dus legt de Kamer gauw de Zwarte Piet bij Joris - de man die nota bene meteen bereid was genocide genocide te noemen, wat hem toen op veel tut-tut en ho-ho kwam te staan.
Het zijn standaardreacties, de cultuur van overleg eigen. Ze mogen elkaar allemaal uitmoorden in dat geitenland, zolang onze administratie maar klopt. De val van Srebrenica leidt in Holland tot een strijd tussen ambtenaren en ambtenaren, de enige burgeroorlog waar wij iets van begrijpen.
En daarmee blijft de enige echte verantwoordelijkheid die ons rest al weken liggen: die voor de gevluchte inwoners van Srebrenica. De verzamelde vluchtelingenorganisaties in Nederland voeren op dit moment een lobby om die mensen vrij toegang tot ons land te bezorgen. Het is treurig dat daar zelfs nog een lobby voor nodig is.