Interview Mario Moretti van de Rode Brigades

Moordenaar met groene handen

In 1978 vermoordde Mario Moretti van de Rode Brigades de Italiaanse christen-democraat Aldo Moro. Een kwart eeuw later geeft hij voor de derde keer een interview. «Ik keur het niet meer goed. Maar ik verloochen mijn verleden niet.»

In de ochtend van 16 maart 1978 wordt de Italiaanse staatsman Aldo Moro in Rome ontvoerd door de Rode Brigades. Vijf lijfwachten komen daarbij om het leven.

De zestiende maart is een belangrijke dag in de geschiedenis. Moro is op weg naar het parlement waar die morgen de eerste regeringscoalitie van christen-democraten en communisten wordt geïnstalleerd. De chris ten-democraat Moro is — met de communis tische partijsecretaris Enrico Berlinguer — de drijvende kracht achter dit «historisch compromis». Het kan een doorbraak zijn in de patstelling waarin de politiek zich al tientallen jaren bevindt. In Italië, het land met de grootste communistische partij van West-Europa, was samenwerking tussen de twee grootste partijen door de Koude Oorlog onmogelijk. Het historisch compromis wordt dan ook met argusogen gevolgd. Zowel de VS als de Sovjet-Unie vreest een doorbraak van het «eurocommunisme» in Zuid-Europa en daarna een liberaler communistisch model in de landen van Oost-Europa.

De ontvoering van Moro duurt 55 dagen. Op 9 mei wordt hij in een straat ergens halfweg de partijkantoren van de christen-democraten en communisten in Rome gevonden: dood. In bijna twee maanden is men er, ondanks de massale inzet van politie en leger, niet in geslaagd ook maar een enkele brigadist op te pakken. Halverwege de ontvoering dringt de politie in Rome zelfs een huis binnen waar Rode Brigadisten een dag eerder nog hebben verbleven. Ook dat leidt niet naar de schuilplaats waar Moro wordt gegijzeld. Onkunde of onwil? Het coördinerende crisiscomité bestaat voor ruim de helft uit leden van de vrijmetselaarsloge P2. De Italiaanse pers rept dan ook van een complot. Dat gerucht wordt ook gevoed door de beslissing dat er onder geen beding wordt onderhandeld met de Rode Brigades. Moro heeft in gevangenschap weliswaar brieven geschreven, met name aan zijn partijgenoten, om hen op andere gedachten te brengen, maar de partijtop hecht aan deze brieven geen waarde. Het zijn bekentenissen onder dwang. De leiding is ook bang. Moro is op de hoogte van de corruptie in eigen kring. Hij richt zijn pijlen vooral op Giulio Andreotti. Er wordt zelfs een Plan Viktor opgesteld. Mocht Moro vrijkomen, dan zal hij eerst in een psychiatrische kliniek worden opgenomen.

Pas in de loop van de jaren tachtig zijn vrijwel alle Rode Brigadisten die betrokken waren bij de ontvoering en dood van Moro en zijn vijf lijfwachten gearresteerd. De groep is nadien uiteengevallen in pentiti (die met politie en justitie samenwerken), dissociati (die niets meer met de Rode Brigades te maken willen hebben) en gestaalde irriducibili, die zich «politieke gevangenen» noemen. Bovendien duiken de laatste paar jaar weer «nieuwe brigadisten» op die vergelijkbare teksten als toen verspreiden, maar die nog niet helder zijn getraceerd.

De man die Aldo Moro heeft gedood, Mario Moretti, is indertijd veroordeeld tot zevenmaal levenslang. Sinds 1993 zit hij gevangen onder een bijzonder regime: overdag mag hij de gevangenis verlaten om te werken, de nachten en weekends brengt hij in de gevangenis door. Hij mag de stad waar hij verblijft, Milaan, niet verlaten. Moretti heeft in Milaan een vriendin en een dochtertje van zes.

Tot nu toe heeft hij maar twee interviews toegestaan. Een keer in 1987 voor de Italiaanse televisie — om te verklaren dat de gewapende strijd was gestaakt — en daarna voor een boek met «grand old lady» van links Italië Rossanna Rossanda. Op voorspraak van Rossanda stemde hij nu in met een paar gesprekken met iemand van de «buitenlandse pers».

Moretti noemt zichzelf «zachtmoedig». Hij laat me het enorme dakterras zien van het huis van zijn vriendin waar hij, midden in de stad, een groen paradijsje met sinaasappelboompjes in grote potten heeft geschapen. Hij is een moordenaar met groene handen en een obsessie: hij wil de zuiverheid van zijn beweging aantonen. Moretti en de Rode Brigades zijn niet gemanipuleerd, hebben van niemand de opdracht gekregen Aldo Moro te vermoorden: ze hebben het zelf gedaan.

De complottheorie is in Moretti’s ogen het gevolg van de weigering van zijn generatie het eigen verleden onder ogen te zien: als je roept dat de kgb erachter zat (rechts) of de cia (links) hoef je je niet af te vragen waarom Italië meer dan tien jaar een stadsguerrilla heeft gekend. «We hebben in die tijd allemaal tegen het geweld aangeschurkt», zegt hij. «We konden rekenen op brede sympathie in de Noord-Italiaanse fabrieken.»

De autobandengigant Pirelli is een van de fabrieken «waar het allemaal is begonnen». De oude fabriek bestaat niet meer, het complex is omgebouwd tot een winkelcentrum. «Het Milaan van de arbeiders bestaat niet meer», aldus Moretti. «In minder dan 25 jaar is de wereld waarin ik volwassen ben geworden volledig verdwenen. Pirelli was in 1969 het symbool van de arbeidersmacht. Hier is de eerste arbeidersraad ontstaan. Hier kwamen we uit alle andere fabrieken naartoe om te demonstreren en te staken. Hier heb ik op een nacht tijdens een staking de vrachtwagens zien binnenrijden die afgewerkte producten uit Spanje binnenbrachten om de staking te breken. Uit het Spanje van de fascist Franco. Ik geloof dat ik op dat moment besloten heb dat tegen die overmacht alleen met wapens iets was te beginnen.» Bij de Sit-Siemens-fabriek, waar hij werkte als elektrotechnicus, werd in 1972 de eerste ontvoering gepleegd: een manager werd een dag vastgehouden en aan het hek van de fabriek geketend.

Moretti is, net als vele anderen in de volksverhuizing van zuid naar noord, in de jaren zestig uit een klein zuidelijk dorp aan de Adriatische kust naar Milaan verhuisd. «De arbeiders van Milaan en Turijn waren in onze ogen nog steeds de oude partizanen die de fascisten hadden verdreven, communisten die in de revolutie geloofden. De eerste keer dat ik als activist die mensen toesprak, stond ik te trillen als een rietje. Toen we later het directiekantoor bezetten, had ik het gevoel deel te nemen aan de bestorming van het Winterpaleis.»

In 1972 gaat Moretti «ondergronds», zoals hij het noemt. Hij verlaat vrouw en kind (zijn zoontje is een paar jaar oud) en sluit zich aan bij de Rode Brigades. Om twee redenen: om de revolutie te prediken en om een nieuwe fascistische dictatuur in Italië te verhinderen.

De «loden» jaren zeventig zijn op 12 december 1969 begonnen met de bomaanslag op een bank in Milaan. Daar vallen achttien doden en tientallen gewonden. Voor de linkse groepen staat meteen vast wat later ook is bewezen: neofascisten voeren de aanslagen uit, de Italiaanse geheime diensten hebben een vinger in de pap, ook al zijn de uiteindelijke opdrachtgevers nooit gevonden. Het «bloedbad van de staat», luidt de leuze.

Ook ik geloofde indertijd in deze conspiratieve theorie, maar Moretti wuift die weg: «Dat was propaganda van de communisten, die doodsbang waren met de Rode Brigades op een grote hoop te worden gegooid en verantwoordelijk te worden gesteld voor hun ‹revolutionaire neefjes›. De communisten hebben het altijd voorgesteld alsof ze ons niet kenden, maar ze wisten wel degelijk dat een deel van de Rode Brigades uit hun eigen jeugdbeweging kwam.»

Mijn vraag waar ze de naïviteit vandaan haalden te geloven dat in Italië de gewapende strijd de revolutie kon brengen, wuift Moretti eveneens weg: ze waren misschien naïef, hadden misschien te veel pretenties, «waren misschien zelfs wel arrogant». Maar «we waren idealisten, we geloofden in wat we deden, we hebben ons door niemand laten gebruiken».

Voor Moretti is 1975 een belangrijk keerpunt. In dat jaar wordt de top van de Rode Brigades bijna geheel gearresteerd. De enige vrouw in het gezelschap, Mara Cagol, wordt daarbij doodgeschoten. Bevrijding van de gevangen «kameraden» is daarna een van de voornaamste doelen. Moretti verhuist naar Rome en bouwt daar een Romeinse colonne. In Rome treft hij een ander slag mensen aan dan die in de noordelijke industriesteden. De aanhang wordt gerekruteerd uit Potere Operaio van Toni Negri, nu weer bekend door zijn boek Empire.

De keuze Moro te ontvoeren wordt onder meer ingegeven door het feit dat Andreotti — de andere grote naam van de christen-democratie — in het centrum van Rome woont. Een ontvoering daar levert te veel praktische problemen op. De gijzeling van Moro verloopt, militair gezien, vlekkeloos. De brigadisten weten zonder problemen weg te komen en slagen erin het slachtoffer 55 dagen te houden. Deze efficiency wordt door de overheid en de media nog eens extra opgeblazen; hoe machtiger de tegenstander, hoe geringer het eigen falen.

Uit de verschillende memoires en interviews van Rode Brigadisten komt echter een heel ander beeld naar voren. Ze zijn er in die dagen kennelijk van overtuigd dat de regering zou onderhandelen over een uitwisseling van gevangenen. Als dat niet het geval blijkt, weten ze zich met de situatie totaal geen raad.

Moretti leidt het «verhoor» van Moro. Hij wil de bekentenis afdwingen dat de Italiaanse overheid direct verantwoordelijk is voor alle bloedbaden die in het land hebben plaatsgevonden. Die bekentenis krijgt hij niet. Moro is intellectueel veel sterker en onderhoudt hem wekenlang over de geschiedenis en de «volksziel» van de christen-democratie. Moretti geeft toe dat hij helemaal niets begreep van het taalgebruik van Moro. Na verloop van tijd geeft hij het verhoor uit wanhoop op.

Op zijn reizen naar de Verenigde Staten liet Moro zich begeleiden door een speciale tolk die zijn wollige Italiaans niet vertaalde maar herinterpreteerde voor zijn Amerikaanse gehoor. De portee van de onthullingen van Moro tijdens het verhoor ontgaat ook Moretti. Bijvoorbeeld wat Moro zegt over de illegale financiering van de Italiaanse politieke partijen, een praktijk waaraan de Operatie Schone Handen uit de jaren negentig haar faam dankt. Hij vertelt zelfs over de geheime anticommunistische organisatie Gladio. Als Moretti die gegevens op dat moment naar buiten zou hebben gebracht, had het verhoor tot politieke sensatie kunnen leiden. Voor de Rode Brigades is het gefundenes Fressen. Als de hele politiek toch al corrupt en stinkend is, hoeft er niets meer te worden onthuld.

Maar waarom hebben ze nooit beseft dat ze de Robin Hoods van Italië waren geweest als ze Moro hadden vrijgelaten? Er was een zeer brede, zeer linkse beweging die het, ondanks de moord op de lijfwachten, prachtig vond dat de arrogante christen-democratie op de knieën was gedwongen.

Moretti ontwijkt de vraag opnieuw. Zijn oude kompaan Maccari, een jaar geleden gestorven in de gevangenis, verklaarde vlak voor zijn dood tegenover de derde parlementaire commissie op rij die zich met de zaak-Moro bezighield: «Het is de logica van de gewapende strijd: je moet een imago van macht uitstralen. Moretti zei: als ze ons niks bieden en we laten hem toch vrij, dan worden we gezien als een stelletje slappelingen. Maar ik kan u met honderd procent zekerheid zeggen dat, als ze iets gedaan hadden, al hadden ze alleen maar een gebaar gemaakt, dan hadden we Moro vrijgelaten.»

Dat gebaar komt niet. Op de ochtend van 9 mei jaagt Moretti Moro een kogel door zijn hoofd. Nota bene nadat hij Moro eerst de verzekering had gegeven dat hij zou worden vrijgelaten, omdat die kleine leugen hem menselijker leek. «Ik heb vrede met die man», zegt hij nu. Maar hij weet niet duidelijk te maken hoe die vrede eruitziet: «Ik zag mezelf als een chirurg die een kankergezwel uitsnijdt; dat uitsnijden is nodig om de rest van het lichaam gezond te houden.»

Zijn vriendin uit die tijd, Barbara Balzerani, hanteert in haar boek een bijna identieke opvatting: «Ik geloofde dat ons geweld het ultieme geweld was, door ons geweld zou een einde komen aan het geweld in de wereld.» Ze had wel te doen met Mario: «Hij was de leider en wist dus dat het zijn taak was, maar hij vond het vreselijk.» Beiden benadrukken dat het om een collectief besluit ging, waaraan kennelijk niemand zich kon onttrekken.

Maar wat gaat Moretti zijn dochtertje vertellen als straks een klasgenoot rondbazuint dat haar vader een moordenaar is? De waarheid, zegt Moretti. «Ik keur het niet meer goed. We hebben de gewapende strijd afgezworen. Van die zogenaamde nieuwe brigadisten weet ik niks en wil ik niks weten. Maar ik verloochen mijn verleden niet. Ik geloofde erin en had daar mijn redenen voor. Het zal nog veel moeilijker worden haar iets te laten begrijpen van die totaal andere wereld waarin ik ben opgegroeid. Die wereld, mijn arbeiderswereld, waarin we vochten tegen het kapitaal, bestaat niet meer.»

Op zondag 16 en zondag 23 maart zendt het vpro-radioprogramma OVT (Radio 1) omstreeks 11.30 uur een uitgebreide reportage over Mario Moretti uit