Essay De zaak-Demjanjuk

Moordenaars onder ons

Het mensenrechtenbeleid zet grote stappen voorwaarts. Zie de processen inzake voormalig Joegoslavië, Rwanda en elders. In het nieuwe proces tegen Iwan Demjanjuk, dat 30 november begint, schuilt echter het gevaar dat er stappen in de verkeerde richting worden gezet. Er is te veel onduidelijk. En het draait om publiciteit en moraal, meer dan om schuld en boete.

IN DE NADAGEN van de Menten-affaire en in hetzelfde jaar dat Willem Aantjes in de nationale beklaagdenbank kwam te staan, in 1979, stelde de minister van Justitie een ambtenaar aan die speciaal belast werd met het onderzoek naar Nederlandse oorlogsmisdadigers – naar personen die hun straf nog niet gekregen of uitgezeten hadden. Het lijkt zoveel jaren na het einde van de oorlog een opmerkelijke daad. Kort na 1945 waren over heel de wereld duizenden processen tegen politieke delinquenten en oorlogsmisdadigers gevoerd. Vervolgens had zich een lange periode van strafvermindering, verzoening, barmhartigheid, reïntegratie en vergetelheid ingezet. Gevolg hiervan was dat een jaar of twintig, vijfentwintig na de oorlog bijna nergens meer voormalige nazi’s gevangen zaten, laat staan dat dergelijke personen nog daadwerkelijk vervolgd werden. In zoverre verkeerde Nederland met drie Duitse gevangenen in Breda in een uitzonderingspositie.
Vandaar dat Dries van Agt eind 1971 de Kamer over hen een brief schreef. Met vier anderen elders in Europa, zo stelde hij, waren de Drie van Breda de enigen die nog vastzaten. Nederland liep achter. Wat elders al lang aanvaard was – de onmenselijkheid van een levenslange straf –, werd bij ons nog vreemd gevonden. Het werd tijd daarin verandering te brengen.
Die verandering kwam, zij het in tegenovergestelde zin dan Van Agt voor ogen had. Nadat half Nederland begin 1972 vanwege de voorgenomen invrijheidsstelling op de achterste benen was gaan staan, belandden de Drie achter zo mogelijk nog dikkere tralies. Tegelijkertijd viel de schaduw van de oorlog opnieuw over de samenleving. Hij was niet zwaarder, wel doffer dan voorheen. In de eerste jaren na de oorlog overheerste immers nog het gevoel van bevrijding, het verlangen naar herstel, vernieuwing, verbetering en, wat politieke delinquenten en oorlogsmisdadigers betrof, zuivering. Dertig jaar later domineerden vooral woede en verdriet – over alles wat gebeurd en onverwerkt was, over de vele hele en halve schuldigen die vrijuit waren gegaan en over de onmogelijkheid de wereld ooit nog zo te bezien als men in het verleden had gedaan.
Woede, verdriet en onvermogen werden in 1977 prachtig uitgedrukt in het Auschwitz-monument van Jan Wolkers: gebroken spiegels reflecteren een hemel die nooit meer ongeschonden kan zijn. Het was een failliet waarbij de overheid zich niet zonder meer kon neerleggen. Vandaar dat er een geheel nieuwe systematiek voor de steun aan oorlogsslachtoffers tot stand kwam. Vandaar ook de groeiende aandacht voor herdenken, vredeseducatie, oorlogsherinnering. Vandaar tot slot de aanstelling van een opsporingsambtenaar speciaal belast met oorlogsmisdadigers. Hij had tot taak ervoor te zorgen dat alles wat aan schuld nog ingelost kon worden ook inderdaad ingelost werd.

DE TAAK die eerst Lodewijk de Beaufort, later Paul Brilman en uiteindelijk Marleen de Roos-Schoenmakers op zich namen (laatstgenoemde ging in 2008 met pensioen en bracht haar spullen naar het Nationaal Archief, als om aan te geven dat er nu echt niets meer viel te halen) is vanaf het eerste moment een onmogelijke geweest. Toch moest hij uitgevoerd worden. De samenleving eiste het, net zoals een spraakmakend deel van diezelfde samenleving kort na het einde van de oorlog had geëist dat allen gevangen werden, ‘de aannemers, die voor den vijand gewerkt hebben, zoowel als de ambtenaren, die den vijand hulp verleend hebben, de dagbladdirecteuren, die de zak gespekt hebben door de vijandelijke propaganda uit te geven, als de arbeiders die gaten maken voor springladingen ad 6 gulden per stuk’. Aldus de kersverse minister van Justitie en voormalig hoofdredacteur van het illegale Parool Gerrit Jan van Heuven Goedhart in september 1944 vanuit Londen.
In ieder geval in zijn Londense omgeving, bij het verzet en bij de geallieerden werden dergelijke plannen van harte gesteund. Daartoe waren in internationaal verband ook afspraken gemaakt (onder meer de zogenoemde St. James Palace Declaration uit 1942) en was een commissie ingesteld, de United Nations Commission of the Investigation of War Crimes. Weliswaar had deze geen uitvoerende en slechts een informerende taak, maar toch, de oprichting van een dergelijk orgaan illustreert dat de geallieerden vastbesloten waren het grove onrecht de mensheid aangedaan niet te laten passeren. Internationale en nationale tribunalen zouden meteen na de nederlaag van de nazi’s schoon schip maken. Zo gebeurde.

IN OKTOBER 1945 begon in Neurenberg het eerste grote proces tegen oorlogsmisdadigers. Het duurde iets meer dan een jaar en sprak recht over 24 nazi-kopstukken. Twaalf van hen werden ter dood veroordeeld, zeven kregen lange gevangenisstraffen (meer dan tien jaar), drie werden vrijgesproken en twee vanwege ziekte dan wel zelfmoord niet berecht. Het proces kreeg veel aandacht en stond spoedig model voor de harde maar rechtvaardige wijze waarop met oorlogsmisdadigers werd omgesprongen. De combinatie van hardheid en rechtvaardigheid werd gelegitimeerd door de vreselijke verhalen die tijdens het proces naar buiten kwamen – verhalen die tegenwoordig goed bekend zijn maar destijds vooral verbijstering en ongeloof opriepen. In Neurenberg werd de juistheid ervan echter bewezen, met als gevolg dat alom de overtuiging postvatte dat ‘voor dat tuig’ de hoogste straf niet hoog genoeg kon zijn.
Nadelen had het proces ook. Een daarvan is dat tallozen, veelal mensen die net iets lager in de hiërarchie hadden gestaan plus de rest van hele en halve betrokkenen, voortaan meenden de handen in onschuld te kunnen wassen. Zij hadden immers niets anders dan orders uitgevoerd. De ware schuldigen waren in Neurenberg veroordeeld.
Terwijl de geallieerden in Neurenberg de kopstukken aanpakten, werden in de afzonderlijke landen – België, Frankrijk, Polen, Denemarken, Nederland en elders – de ‘eigen’ politieke delinquenten berecht. In verreweg de meeste gevallen werd hun niet oorlogsmisdaad of, zoals in Neurenberg, misdaad tegen de menselijkheid, maar collaboratie, verraad of een variant hiervan ten laste gelegd. Het tempo waarin deze processen verliepen was bijna overal hetzelfde. De enthousiaste start raakte spoedig in het slop en werd gevolgd door pogingen aan de berechtingen een einde te maken, door lagere straffen én gratie.
De verklaringen hiervoor zijn grosso modo eveneens overal dezelfde. Men wilde vergeten. De groeperingen die aanvankelijk een harde aanpak bepleit hadden (geallieerden, verzet, politiek links) veranderden van mening of raakten op een zijspoor. De wederopbouw zou belangrijker zijn. En bovenal, de nieuwe strijd tegen het communisme verdiende voorrang boven het reeds gewonnen gevecht tegen het fascisme. Vandaar dat ook de geallieerden, de belangrijkste motor achter het internationale zuiveringsproces, zich stukje bij beetje terugtrokken en spoedig zelfs een tegenovergestelde houding aannamen.
Interessant, hoewel nog altijd onvoldoende bekend in dit verband is de rol die de Amerikaanse inlichtingendiensten bij de hulp aan voormalige nazi’s hebben gespeeld. Naarmate meer archieven opengaan en onderzoekers meer tijd hebben de duizenden en nog eens duizenden documenten door te vlooien, ontrolt zich een steeds duidelijker beeld. Het is niet fraai, om niet te zeggen nogal schokkend.
Om uit talloze één voorbeeld te geven. Dankzij in 2006 vrijgegeven documenten is bekend dat de CIA al eerder dan de Israëlische inlichtingendiensten wist waar Adolf Eichmann zich bevond. Maar het werd niet aan de grote klok gehangen omdat men vermoedde dat tijdens een proces onder meer de naam van Hans Globke zou vallen. Globke was staatssecretaris en chef van de kanselarij van Konrad Adenauer, zo’n beetje de tweede man van de Bondsrepubliek dus. Struikelde hij, zo werd gedacht, dan betekende dat een klap voor West-Duitsland, een klap voor Europa en een overwinning voor de sovjets. Vandaar dat het beter geacht werd te zwijgen.

DOOR DE PROTECTIE van hogerhand en het verlangen het verleden te laten rusten begon al vanaf 1946-1947 een andere wind door Europa te waaien. Dat gebeurde in Nederland net zo goed als elders. Gevolg hiervan is dat, in tegenstelling tot de radicale voornemens van Van Heuven Goedhart, verreweg de meeste politieke delinquenten spoedig vrijuit gingen of gegratieerd werden. De rest volgde.
Een paar cijfers. In het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, tegenwoordig onderdeel van het Nationaal Archief, liggen zo’n vijfhonderdduizend dossiers. Zoveel mensen, circa zes procent van de totale en twaalf procent van de volwassen bevolking, werden destijds op z’n minst verdacht van onheuse oorlogspraktijken. Van dit half miljoen zaten er in oktober 1945 een kleine honderdduizend gevangen. Een jaar later was dat nog de helft, op 1 januari 1948 waren het er nog dertienduizend en later in hetzelfde jaar nog maar 4800. Uiteindelijk, eind jaren vijftig, zaten er nog zestig politieke delinquenten in Nederlandse gevangenissen. Op het genoemde drietal (tot 1965 viertal) van Breda na kwamen zij spoedig vrij. Kortom, begin jaren zestig zag het ernaar uit dat de boekhouding van de oorlog gesloten kon worden.
Elders in West-Europa gebeurde hetzelfde. In Frankrijk bijvoorbeeld. Hoewel hier bij de bevrijding behoorlijk huisgehouden werd (overigens lang niet zo gewelddadig als politiek rechts decennialang heeft volgehouden) en de overheid aanvankelijk net zo voortvarend optrad als in Nederland, klonk ook daar vanaf 1947 een mildere toon en werd steeds vaker gratie verleend. Interessanter nog is dat het volledige Vichy-verhaal (het zuidelijk deel van Frankrijk dat tot eind 1942 niet bezet was en ook daarna nog een zekere zelfstandigheid behield – ondertussen was het verantwoordelijk voor tal van misdaden die gewoonlijk met de nazi’s worden geassocieerd, jodenvervolging voorop) onder het tapijt werd gemoffeld. Daar kwam het pas in de jaren zeventig onder vandaan.
Ook in België werd op z’n laatst vanaf 1947 zachtaardiger opgetreden. In de woorden van Luc Huyse en Steven Dhondt, die in 1991 een groot boek over de collaboratie en repressie in hun land publiceerden (Onverwerkt verleden, staat volledig op www.dbnl.nl): ‘Begin 1947 is in het repressiebeleid enige redelijkheid gekomen. Overdrijvingen uit het verleden werden (…) weggewerkt. Aan de basis van deze ommekeer lag een wijziging in het denken over de collaborateurs. De stelling dat voor hen de bestraffing strenger moest zijn dan voor delinquenten van gemeen recht verloor aan kracht. Bovendien was er twijfel gegroeid over de opportuniteit van een louter repressieve aanpak. Er kwam nu openheid voor een op reïntegratie en reclassering gericht beleid.’
Het meest interessant zijn de ontwikkelingen in West-Duitsland, tenslotte de bron van het kwaad. Vanwege de beginnende Koude Oorlog was het spoedig niet langer mogelijk een internationaal tribunaal (mét de Russen dus) zoals in Neurenberg voort te zetten. Vandaar dat de verschillende landen hun eigen weg gingen. Het vooralsnog meest voortvarend c.q. luidruchtig waren de Amerikanen, die in hetzelfde Neurenberg twaalf vervolgprocessen voerden. Hierin werden in totaal 184 personen aangeklaagd – artsen, SS’ers, zakenlui, militairen en politici. Ook elders in Duitsland werden door hen processen gevoerd. In totaal ging het daarbij om een kleine tweeduizend mensen. De overgrote meerderheid werd veroordeeld maar binnen afzienbare tijd gegratieerd.
De iets meer dan duizend personen die door de Engelsen en de ongeveer tweeduizend personen die door de Fransen aangeklaagd dan wel veroordeeld werden, verging het ongeveer hetzelfde. Strenge straffen werden verlaagd en minder streng gestraften kwamen vrij.

EEN GOEDE ILLUSTRATIE van de, zacht gezegd, slordige naoorlogse omgang met oorlogsmisdadigers is de zaak-Kesselring, een vijftal jaar geleden door een Duits historicus uitvoerig onderzocht (Kerstin von Lingen: Kesselrings letzte Schlacht). Aan het begin van de oorlog was hij, Albert Kesselring, na Hermann Göring de hoogste man in de Duitse luchtmacht en als zodanig verantwoordelijk voor talloze terreurbombardementen. Daaronder Rotterdam. In 1943 werd hij opperbevelhebber van de landmacht op de Balkan en in Italië. In die functie tekende hij voor de executie van duizenden partizanen en voor vele represaillemaatregelen.
Hoewel Kesselring in Neurenberg al als getuige optrad, duurde het tot 1947 dat hij zelf in de beklaagdenbank stond. Dat gebeurde in Italië onder Britse jurisdictie. Er liepen twee aanklachten: de verantwoordelijkheid voor het doodschieten van 335 Italianen in de Fosse Ardeatine, hartje Rome, als vergelding voor een bomaanslag op Duitse en Italiaanse troepen en, meer in het algemeen, terreur tegen de Italiaanse bevolking. Kesselring werd voor beide aanklachten schuldig bevonden en ter dood veroordeeld. Interessant hierbij is dat hij ter verdediging niet de toevlucht nam tot het veelgehoorde argument ‘slechts’ in opdracht gehandeld te hebben, maar volhield dat zijn acties legaal waren geweest. Het was oorlog en, kort samengevat, waar gehakt wordt vallen spaanders. Vele Engelsen en andere vooraanstaande figuren uit leger en politiek waren dit met hem eens en lieten dat weten ook. Onder hen good old boys als Winston Churchill, veldmaarschalk Harold Alexander, luitenant-generaal Oliver Leese, de beroemde militair-historicus sir Basil Liddell Hart en een uitgebreide coterie rond de invloedrijke politicus lord Maurice Hankey. Stuk voor stuk verkondigden ze dat Kesselring een goed militair was geweest die het niet verdiende zo hard gestraft te worden. Daarbij spraken zij – let wel: Engelsen! – van ‘overwinningsrechtspraak’.
Ondertussen ging Kesselring van de ene gevangenis naar de andere, schreef hij zijn memoires en droeg hij op verzoek van het Amerikaanse leger bij aan een militaire geschiedenis van de oorlog. De tijd werkte in zijn voordeel. In 1951 werd Churchill opnieuw premier. In Duitsland verkondigde Adenauer dat Duitsland alleen tot de Navo kon toetreden nadat hoge officieren vrijgelaten waren. En toen Kesselring ook nog ziek bleek te zijn, was de zaak snel beklonken. In oktober 1952 werd hij vrijgelaten. Als gevierd man bij tal van oud-strijdersorganisaties en als president van Stahlhelm, de bond van oud-frontsoldaten van de Eerste Wereldoorlog, zou hij nog bijna acht jaar leven.
In die periode liet hij regelmatig van zich horen – bijna altijd in dezelfde, volgens huidige normen onaanvaardbare zin. Zo verkondigde hij kort na zijn vrijlating in een interview met het Italiaanse weekblad Epoca dat de in Italië beroemde slachting in Marzabotto een ‘normale militaire operatie’ was geweest. In dat dorp bij Bologna waren begin oktober 1944 als vergeldingsmaatregel zo’n achthonderd burgers doodgeschoten. Onder hen waren 45 kinderen jonger dan twee en meer dan honderd jonger dan tien jaar. Elders, als getuige bij een proces, kondigde Kesselring het einde van het Duitse leger aan als soldaten berecht konden worden voor hun optreden tijdens de oorlog. Ook noemde hij het absurd dat hij geacht werd zijn opvattingen aan te passen aan de politieke (= democratische) opvattingen van het nieuwe Duitsland. Geen haar op zijn hoofd die daaraan dacht.

DAT KESSELRING DIT ALLES kon verklaren, ermee wegkwam, ja er zelfs om bewonderd werd, was vanzelfsprekend het resultaat van de in West-Duitsland dominante sfeer. Die sfeer weerspiegelde zich in de omgang van de Duitse bevolking met haar verleden. Want al was het proces van Neurenberg aanvankelijk instemmend ontvangen, lang duurde het enthousiasme niet. Men had het te druk met eigen zaken. Het was mooi geweest. Vergeten en opnieuw beginnen. Neurenberg zou een politiek proces zijn, zo klonk het nu, waar een aanklacht als misdaden tegen de menselijkheid gebruikt werd voor politiek gewin. Bovendien werden tijdens het proces alle zaken – van jodenmoord tot oorlogshandeling – op één hoop gegooid. Dat maakte de rechtsgrond aanvechtbaar. En was de Duitse bevolking door de geallieerde bombardementen niet eveneens hard getroffen? Inderdaad, waar gehakt wordt vallen spaanders. Tot slot, zeer belangrijk, was er dat al genoemde gevoel dat ‘men’ weinig tot niets te maken had met de kopstukken die in Neurenberg terechtstonden. Zij waren de bedriegers geweest die een onschuldige bevolking verleid hadden. Deze bevolking zelf had van nichts gewusst en had er dus ook niets mee te maken. Zand erover.
Ondertussen waren Duitse gerechtshoven toch ook zelf aan het werk gegaan. Weliswaar was hun gezag door de bezettingsautoriteiten aanvankelijk sterk beperkt, maar toch, helemaal machteloos waren zij niet. Vandaar dat ook zij in de eerste jaren na de oorlog enkele duizenden processen voerden, de meeste daarvan in 1948 en 1949. Daarna liep ook hier het aantal snel terug – terwijl het eigenlijk had moeten toenemen, want de geallieerde rechtbanken sloten op ongeveer hetzelfde moment hun deuren en ontelbare oorlogsmisdadigers waren nog op vrije voeten. Maar voorlopig bleven ze dat ook, want terwijl in 1951 bij (West-)Duitse rechtbanken nog slechts 259 zaken speelden, waren dat er in 1952 191, in 1953 123, vervolgens 44, 21, 23, 43, 22, 15.
Dit laatste getal heeft betrekking op 1959. ‘Halverwege de jaren vijftig hoefde bijna niemand nog bang te zijn dat hij door de staat of justitie vanwege zijn nazi-verleden lastiggevallen zou worden’, schrijft een Duits historicus die de omgang met het eigen oorlogsverleden nauwkeurig onderzocht (Norbert Frei in Vergangenheitspolitik, 1996). Een ander (Jörg Friedrich) sprak in een gelijknamig boek van Kalte Amnestie. Volgens een steeds verder verbreide mening zou het begrip ‘oorlogsmisdaad’ een typisch Amerikaanse gelegenheidsuitvinding zijn die vooral van opportunisme en hypocrisie getuigde – een argument dat, zo weten we bij nader inzien, niet geheel onjuist is. In oorlogen werd geschoten, moesten onschuldigen lijden en werden vuile handen gemaakt. De pot kon de ketel alleen maar verwijten maken omdat hij groter was.

MAAR, ZOALS DAT GAAT, het dieptepunt betekende tevens een keerpunt. Naar aanleiding van het toneelstuk van Frances Goodrich en Alfred Hackett werd de Bondsrepubliek in de tweede helft van de jaren vijftig bevangen door Anne Frank-koorts. In 1955 bracht uitgeverij Fischer het tot dan toe slecht verkochte dagboek opnieuw uit, nu met op de kaft de tekst ‘Ich glaube an das Gute im Menschen’. Binnen enkele jaren waren zevenhonderdduizend exemplaren verkocht. Hiermee werd het dagboek de Duitse bestseller van de tweede helft van de jaren vijftig. De Duitse toneelversie, in oktober 1956 in vele theaters tegelijk gebracht, werd met meer dan tweeduizend voorstellingen en ongeveer een miljoen bezoekers een overdonderend succes. Dit succes werd bevestigd door de vier miljoen bezoekers van de film die in augustus 1959 in première ging.
Ondertussen was in het land een zogenoemde Anne Frank-beweging ontstaan, een onsamenhangende, idealistische verzameling van uitingen waarmee men zich door middel van posters, Anne Frank-rokjes en dito truitjes op het jonge idool richtte, pelgrimages naar Bergen-Belsen organiseerde en bijeenkomsten hield. Het was deze beweging ook die in de zomer van 1957 op het geboortehuis van Anne, in Frankfurt, een plakkaat aanbracht. Daarop staat: ‘Ihr leben und ihr Tod – unsere Verpflichtung’.
Op haar manier probeerde ook de oudere generatie via het vermoorde meisje met het onmogelijke verleden om te gaan. Zo vond naar aanleiding van het toneelstuk in de zomer van 1957 in Frankfurt voor het eerst zoiets als een collectieve schuldbelijdenis plaats, ‘die erste Massenkundgebung von Schuldbekenntnis und Suehnewillen einer deutschen Stadt’, zoals een lokale krant schreef. Weliswaar was nog geen sprake van een serieuze vorm van – wat zo fraai heet – Vergangenheitsbewältigung, maar de ommekeer was zichtbaar.
De ommekeer uitte zich ook in een proces dat in 1958 bijna bij toeval gevoerd werd tegen een aantal leden van een Einsatzkommando dat betrokken was geweest bij massa-executies. Geschrokken van de onthullingen sloegen elf regionale Landesjustizministerien de handen ineen en richtten de Zentrale Stelle der Landesjustizverwaltungen zur Aufklärung nationalsozialistischer Verbrechen op. Deze zou in de loop van de jaren duizenden gevallen onderzoeken. Er bestond op dat moment een zekere urgentie dat te doen. In mei 1960 zouden de eerste oorlogsmisdaden verjaren. Het was nu of nooit. Ook de actualiteit hielp een handje. Eind 1959 werd West-Duitsland getroffen door een antisemitische golf. Tussen Kerst 1959 en eind januari 1960 werden een kleine vijfhonderd zogenoemde Hakenkreuzschmierereien gesignaleerd. Daarop volgden een discussie in de Bondsdag, uitvoerige perscommentaren en veel aandacht in de internationale media. Voor Duitsland buitengewoon pijnlijk was dat de bekladdingen elders in Europa nagevolgd werden. Zou de bruine pest zich opnieuw verspreiden?
De betekenis van alle door Duitse rechtbanken tegen Duitse oorlogsmisdadigers gevoerde processen moet overigens niet worden overschat. Om te beginnen niet omdat er wel veel onderzocht werd (sinds 1958 zo’n 18.000 zaken en 113.000 personen), maar er niet veel met de resultaten werd gedaan: slechts enkele honderden personen werden veroordeeld, veelal zeer mild. Ook was de belangstelling gering. Veelzeggend is wat Die Zeit eind 1966 schreef naar aanleiding van een proces tegen twaalf SS’ers die in Sobibor hadden gewerkt. De naam van het kamp zei niemand iets. ‘Scholieren, huisvrouwen, arbeiders en ambtenaren haalden veelal de schouders op. Een van de huisvrouwen veronderstelde dat Sobibor een nieuw wasmiddel was.’

ONDERTUSSEN HADDEN gebeurtenissen elders een ontwikkeling in gang gezet die in het laatste kwart van de twintigste eeuw tot tal van spectaculaire rellen en rechtszaken zou leiden – bedoeld zijn die van Pieter Menten in Nederland (1976), Klaus Barbie (1983, 1987), Paul Touvier (1989) en Maurice Papon (1997) in Frankrijk, Kurt Waldheim in Oostenrijk (1986), Erich Priebke in Italië (1996) en natuurlijk Iwan Demjanjuk in Israël (eveneens 1986).
Die ontwikkeling begon met de spectaculaire kaping van Adolf Eichmann in een voorstad van Buenos Aires, voorjaar 1960. Precies een jaar later opende tegen hem de rechtszaak die heel de westerse wereld maandenlang in de ban zou houden. In de eerste jaren na de oorlog, met name tijdens het proces van Neurenberg, was het voor de overgrote meerderheid van het publiek zowel om praktische als om mentale redenen nog vrij ingewikkeld geweest zich op de hoogte te stellen van hetgeen er in de concentratie- en vernietigingskampen was gebeurd. De media waren gebrekkig – de gemiddelde krant bestond uit niet meer dan enkele pagina’s. De informatie was mondjesmaat omdat krant, radio en bioscoop ander, opbouwend nieuws verkozen. De weerzin tegen die ‘nare, ouwe koeien’ was vrij algemeen verbreid. En tot slot, tegenwoordig onvoorstelbaar maar waar: de betekenis van het nazistische antisemitisme werd nauwelijks doorgrond, ook tijdens de processen. De aanklacht luidde telkens misdaad tegen de menselijkheid, niet genocide.
Precies dit veranderde aan het begin van de jaren zestig. Het nieuwe medium televisie toonde wat de meesten nog nooit hadden gezien, beelden waarvoor een voormalige kampbewoner (Louis Tas) het mooie woord ‘haarstruivend’ gebruikte. Tegelijkertijd groeide de belangstelling voor het verleden. De ouderen hadden genoeg afstand om terug te kunnen kijken en de jongeren waren oud genoeg om vragen te stellen. Bovendien was de wederopbouw geslaagd en was er zowel tijd als geld om zich met het verleden bezig te houden.
Loe de Jongs televisieserie De Bezetting, uitgezonden tussen 1960 en 1965, is van al deze veranderingen de beste illustratie. Toch werd ook hierin nog niet het verhaal verteld dat vanaf de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw het verhaal van de oorlog zou worden: van jodenmoord, genocide, holocaust, shoah of hoe je het fenomeen ook wilt noemen.

TOT DIEP in de jaren zestig, zo niet zeventig, was de shoah een zelden verteld verhaal. Natuurlijk, wie erover wilde weten, kon zo goed als alles achterhalen. Maar je moest wel zoeken en dat deden tot dat moment maar weinigen. Als de oorlog ter sprake kwam, ging het gewoonlijk over de militaire strijd (‘the good war’) en het verzet. Zelfs in Israël en de Verenigde Staten was de moord op de joden geen centraal thema.
In eerstgenoemd land veranderde dat pas met de Zesdaagse Oorlog in 1967 en de daarbij passende boodschap dat het niet nogmaals mocht gebeuren – ditmaal niet door nazi’s maar door Arabieren. In de Verenigde Staten en de rest van Europa (Nederland liep dankzij de publicatie van Ondergang door Jacques Presser in 1965 enigszins voorop) kwam de verandering nog later en naar het zich laat aanzien eigenlijk pas met de uitzending van de televisieserie Holocaust in 1978-1979. Hoewel die serie in intellectuele kring vanwege de dramatische effecten nogal wat weerzin wekte, kan de betekenis ervan nauwelijks overschat worden. In de Verenigde Staten werd hij door maar liefst 120 miljoen mensen bekeken, in Duitsland trok hij twintig miljoen kijkers, een derde deel van de bevolking. Duizenden brieven, tienduizenden telefoontjes en een lawine aan discussies in de media, op scholen, universiteiten en culturele instellingen volgden. ‘Waar historici faalden’, schreven Nederlandse onderzoekers na afloop van de hausse in een in opdracht van de NOS verricht onderzoek, ‘slaagde Holocaust erin het Duitse volk – en met name de jongeren – kennis over het eigen verleden bij te brengen.’
De gevolgen waren enorm. Zo was in 1968 23 procent van de Duitsers voorstander van veroordeling van nog niet gestrafte oorlogsmisdadigers. Dat was al een enorme stijging in vergelijking met enkele jaren eerder: het nieuwe linkse denken wierp vruchten af. In 1979 was dit percentage gestegen naar veertig. Elders lag de zaak niet noemenswaardig anders. Gevolg hiervan was dat ook overheden zich opnieuw om de speurtocht naar oorlogsmisdadigers begonnen te bekommeren. Tot dat moment werd dat eigenlijk alleen door privé-personen als Simon Wiesenthal en het echtpaar Klarsfeld gedaan.
Zo werd in hetzelfde jaar (1979) dat in Nederland een landelijk officier met speciale opdracht werd aangesteld, bij het Amerikaanse departement van Justitie een Office of Special Investigations (OSI) ingericht. Dat concentreerde zich in het bijzonder op personen die na de oorlog het Amerikaanse burgerschap hadden verworven en dus onder Amerikaanse jurisdictie vielen. In principe probeerde men hun het paspoort te ontnemen en ze vervolgens uit te leveren aan het land waarin de misdaden begaan waren. In 2008, aldus de website van het bureau, was dat in 107 gevallen gelukt, terwijl men in 180 gevallen had weten te voorkomen dat oorlogsmisdadigers zich alsnog in de Verenigde Staten vestigden. Een van die gevallen, het meest spraakmakende, betrof John of Iwan Demjanjuk.

VOORLOPIG WAREN het niet de Verenigde Staten of Israël, maar was het Frankrijk waar het meest opzienbarende nieuws over oorlogsmisdadigers vandaan kwam – de Menten-affaire in 1976-1977 bleef vooral een Nederlandse aangelegenheid. Dankzij het echtpaar Klarsfeld werd begin jaren zeventig ontdekt dat Klaus Barbie alias de Slager van Lyon zich onder een valse naam in Bolivia ophield. Barbie was spoedig na de oorlog in dienst gekomen van de spionagedienst van het Amerikaanse leger (Counter Intelligence Corps, CIC) en in die positie gevrijwaard van vervolging. Toen dat te problematisch werd, zorgde het CIC ervoor dat hij eerst naar Argentinië en vervolgens naar Bolivia ontkwam. Ook daar was de man verwikkeld in duistere zaken: spionage, wapenhandel en politiek. De dictatoriale regimes in het land deden hun voordeel met hem – en hij met die regimes. Maar na jaren van internationaal getouwtrek en een democratische machtswisseling in Bolivia werd Barbie in 1983 toch uitgeleverd. Vier jaar later begon het proces. Het leidde tot ongekende media-aandacht, hoogstens vergelijkbaar met die voor Neurenberg en Eichmann.
Ondertussen waren de internationale media in de ban geraakt van twee andere zaken tegen vermeende oorlogsmisdadigers: de ene speelde in Oostenrijk en betrof niemand minder dan de gewezen secretaris-generaal van de Verenigde Naties en sinds 1986 bondspresident van het land; de andere speelde in Israël en ging over een man van wie tot dan toe niemand had gehoord, ene Iwan Demjanjuk.
De zaak-Waldheim was een buitengewoon gecompliceerde omdat allerlei gedoe door elkaar speelde: politiek getouwtrek om de hoogste macht in Oostenrijk; het verzwijgen door Waldheim zelf van een heel stuk uit zijn verleden; de onthullingen door politieke tegenstanders, nazi-jagers en anderen; en als belangrijkste: het verhaal van Oostenrijk en de Tweede Wereldoorlog. Het land had altijd doen voorkomen alsof het ’t eerste slachtoffer van de nazi’s was geweest. Weliswaar was al lang duidelijk dat dit in ieder geval een onjuiste voorstelling van zaken was, maar over de juiste bleven de meningen sterk verdeeld.
Terwijl politiek en media in het Westen, voorzover over één kam te scheren, veelal de neiging hadden Waldheim (lees Oostenrijk) te veroordelen, werd daarover in het land zelf, aanvankelijk zelfs door Simon Wiesenthal, heel anders gedacht. Omdat de feiten na al die jaren niet eenvoudig te achterhalen waren, was het uiteindelijke oordeel – daarom ging het tenslotte – afhankelijk van veronderstellingen. Een daarvan is dat iemand die in de buurt van een misdrijf was geweest (zoals in het geval van Waldheim spoedig vaststond), ook bij dat misdrijf betrokken was. Een kind kan de ongerijmdheid dan wel juridische onhoudbaarheid van een dergelijke logica begrijpen terwijl het de verdenking toch niet wegneemt.
Precies hetzelfde speelt nu in de zaak-Demjanjuk. ‘De leugens staan vast, de oorlogsmisdaden niet’, schreef Elseviers Magazine daarom aan het begin van de Waldheim-affaire, april 1986. Toen een kleine twee jaar later het onderzoeksrapport van een internationale commissie van historici verscheen, was men nog nauwelijks verder. Het Parool noemde het ‘uiterst belastend’ en De Telegraaf ‘zeer kritisch’, maar de Volkskrant maakte ervan dat Waldheim ‘opgelucht’ was en Het Vrije Volk zelfs dat hij ‘blij’ was. ‘Waldheim kan aanblijven door afgezwakt rapport’, kopte De Waarheid, die de conclusies samenvatte als: ‘Waldheim heeft zelf geen oorlogsmisdaden begaan, maar hij wist wel wat er gebeurde en daarover heeft hij gelogen.’
In het geval van de Oostenrijkse bondspresident kwam het niet tot een zaak. De reden daarvan ligt voor de hand: justitie van het land diende geen aanklacht in. In de meeste andere gevallen kwam het evenmin tot een zaak omdat daaraan te veel juridische haken en ogen zaten. Dat ervoer ook de Nederlandse officier die halverwege de jaren tachtig belast was met oorlogsmisdaden, Paul Brilman. Het was voor hem na al die jaren welhaast onmogelijk oorlogsmisdadigers op te sporen, opgespoorde figuren uitgeleverd te krijgen of te bewijzen dat uitgeleverde personen schuldig waren. Neem de man die in de officiële stukken van destijds veelal als R. omschreven wordt, maar in de media meestal bij zijn naam werd genoemd: Marinus of Rien de Rijke. Hij was tijdens de oorlog kampbewaker te Ommen geweest en in 1949 bij verstek veroordeeld voor zijn aandeel in de arrestatie van een groot aantal joden. Toen in 1956 bekend werd dat hij in Düsseldorf woonde, had dat conform de destijds heersende mentaliteit van zwijgen en vergeten geen gevolgen. De Nederlandse justitie deed niets, de Duitse evenmin en R. bleef zitten waar hij zat.
Hierin kwam pas verandering nadat er een speciale opsporingsofficier was aangesteld. In 1980 werd uitlevering gevraagd. Hierop begon de Duitse justitie een onderzoek. Omdat men onvoldoende materiaal vond, werd Nederland om aanvullend bewijs gevraagd. Deze vraag ging vergezeld van een grote hoeveelheid juridische mitsen en maren. Een daarvan was de overweging dat de verantwoordelijkheid van R. voor de dood van de door hem opgepakte joden vermoedelijk niet bewezen kon worden omdat een dergelijk bewijs veronderstelde dat hij wist wat er in de vernietigingskampen gebeurde. Maar wist hij dat? En belangrijker nog: kon aangetoond worden dat hij het wist? Volgens de Duitse justitie was dat welhaast onmogelijk en daarom, zo meende zij, kon de man beter met rust gelaten worden. Hij zou immers alleen uitgeleverd worden als zijn veroordeling zo goed als vaststond.
Hierop ging de zaak nog langdurig heen en weer, onder meer omdat R. de Duitse nationaliteit had aangevraagd en uitlevering, hangende dit verzoek, niet toegestaan kon worden. Uiteindelijk werd uitlevering geweigerd. Dat De Rijke toch terechtstond, komt doordat hij zo onverstandig was de Nederlandse grens over te steken. Maar het proces liep uit op vrijspraak. Een van de redenen daarvan is dat de Nederlandse rechter meende dat de betrokkenheid van R. bij oorlogsmisdaden niet bewezen kon worden en het proces dus enkel om politieke delinquentie ging. De tenlastelegging daarvan viel echter onder het normale Nederlandse strafrecht en was sinds 1971 verjaard.
De andere reden voor vrijspraak was de gebrekkige bewijskracht van getuigenverklaringen. Tal van personen meenden R. als beul te herkennen. Maar mede uit het optreden van psycholoog Willem Wagenaar bleek dat een dergelijke herkenning na zoveel jaren niet veel waard was. Conclusie: R. ging vrijuit en Brilman, de verantwoordelijke officier, werd bevestigd in de conclusie die hij vóór het proces ook al had getrokken, namelijk dat het opsporingsbeleid rekening moest houden met de ‘feitelijke en juridische ontwikkelingen’ ofwel dat ‘het daarmee belaste apparaat na meer dan veertig jaar het hoofd buigt voor gegevenheden als niet-geïdentificeerde daders, onvindbare daders, overleden daders, verjaarde strafbare feiten, niet (meer) te bewijzen strafbare feiten, niet dubbel strafbare feiten alsmede nog een scala van andere hindernissen op de te bewandelen weg’.
OOK DE ISRAËLIËRS zouden spoedig ervaren dat het veertig jaar na dato niet zo eenvoudig was een vermeende oorlogsmisdadiger veroordeeld te krijgen. Vanaf eind 1977 probeerde de Amerikaanse justitie het burgerschap van John Demjanjuk, op dat moment al bijna twintig jaar ingezetene van het land, te herroepen. Reden van de poging was dat de naam van de man voorkwam op een lijst die de Russen aan het einde van de oorlog hadden buitgemaakt. Ook zou hij door shoah-overlevenden herkend zijn op een foto die verspreid was naar aanleiding van het onderzoek naar Feodor Fedorenko, een Oekraïense oorlogsmisdadiger die in 1984 aan de Sovjet-Unie was uitgeleverd, ter dood werd veroordeeld en werd geëxecuteerd.
In het geval van Demjanjuk slaagde de herroeping van het burgerschap ook omdat er politieke druk op stond: Israël had om uitlevering gevraagd. In 1986 vond die plaats, het jaar daarop begon het proces. Het was na dat tegen Eichmann het tweede van Israël tegen een oorlogsmisdadiger en stond mede daarom opnieuw onder enorme mediabelangstelling. Het is misschien wat veel gezegd, maar je kunt je bijna niet aan de indruk onttrekken dat het, net als in het geval van Eichmann, alleen al om die reden niet kon mislukken. Mislukking zou namelijk niet alleen voor de Israëliërs maar ook voor de Amerikanen een enorme blamage betekend hebben.
Hier komt bij dat er in voorafgaande jaren iets vreemds was gebeurd met de rechtspraak van oorlogsmisdadigers – ook in Nederland, voor het eerst bij de ophef rond de Drie van Breda: doorslaggevend voor de straf waren niet, zoals gebruikelijk, de schuld van de misdadiger en de regels van het juridisch systeem, doorslaggevend was het leed van de slachtoffers en hun nabestaanden.
Op de keper beschouwd is dat onmogelijk. In laatste instantie betekent het namelijk dat een dief een hoge straf krijgt als hij de bestolene veel verdriet bezorgt en een lage als het slachtoffer niet maalt om wat hem overkomen is. Dat is ongerijmd. In het geval van misdaden tegen de menselijkheid en genocide leek een dergelijke ongerijmdheid nauwelijks van belang. De verbijstering over de shoah werd in de loop van de jaren zeventig en tachtig zo groot en was spoedig zo algemeen verbreid dat er iets moest gebeuren. Het meest voor de hand liggende was het straffen van schuldigen, zelfs als die niet of in andere zin schuldig waren dan in de aanklacht gesteld. Al tijdens het Eichmann-proces bleek keer op keer dat er iets wrong, maar bijna iedereen ging eraan voorbij.
Een goede illustratie hiervan deed zich tijdens de 24ste zitting voor, op 2 mei 1961. Als bewijs van Eichmanns misdaden werden de dagboeken van de gouverneur van Polen, Hans Frank, opgevoerd. Na veel heen en weer over details tussen aanklager en getuige, werd het woord aan de verdediging gegeven. Deze maakte zelden gebruik van dat recht. Deze keer wél, met niet meer dan één vraag, namelijk of de naam van Eichmann in de 29 delen van het dagboek voorkwam. De naam kwam niet voor, luidde het antwoord. Dank, zei advocaat Robert Servatius, verder geen vragen.
Het was vanwege dergelijke ongerijmdheden dat kritische toeschouwers als Hannah Arendt, Abel Herzberg en Harry Mulisch bij het proces voortdurend door gevoelens van ongemak bekropen werden. Weliswaar begrepen zij ook wel dat het om publicitaire en morele redenen onmogelijk was om Eichmann vrij te spreken – bovendien had hij wel degelijk schuld, zij het in andere zin dan telkens weer beklemtoond werd – maar zuiver gezien draaide het proces natuurlijk niet om publiciteit en moraal maar om schuld en boete. Hun kritische aantekeningen hadden echter geen effect, althans niet op de procesgang. Eichmann werd veroordeeld en geëxecuteerd. Het kon niet anders, daarvan waren ook de drie genoemde critici overtuigd. Maar het wrong wel.
TIJDENS HET DEMJANJUK-PROCES in Israël wrong de zaak nog veel ernstiger. Hoewel spoedig bleek dat er aan de zaak tal van haken en ogen zaten, werd de man ter dood veroordeeld. Hierop ging hij in beroep. Tijdens dat beroep viel de Muur en werd het eenvoudiger om Russische dossiers in te zien. En wat bleek? Demjanjuk was niet (zoals de voornaamste aanklacht luidde) de verschrikkelijke Iwan die in Treblinka de gaskamers had bediend. Dat was een ander. Hierop werd hij vrijgesproken – dat gebeurde overigens pas in 1993 – en keerde hij terug naar de Verenigde Staten.
Dezelfde persoon die bij het Nederlandse proces tegen Rien de Rijke had opgetreden, speelde ook deze keer een rol: Willem Wagenaar. In zijn getuigenverklaring betoogde hij dat de identificatie van Demjanjuk aan alle kanten rammelde. Zijn gedachten zette hij in 1989, dus ruim vóór de vrijspraak, nog eens op een rijtje in het boek Het herkennen van Iwan. Hierin gaat het niet over eventuele misdaden, het gaat over waarneming en geheugen en het toont onmiskenbaar hoe gebrekkig die zijn. Zo was het dus ook. Het proces rammelde, om niet te zeggen dat het een aanfluiting was voor de rechtspraak. Het draaide immers niet om de schuld van de dader maar om het verdriet van de slachtoffers, om de toenemende verbijstering en woede in het Westen over de shoah en om Israëlische c.q. Amerikaanse politiek. Demjanjuk moest schuldig zijn omdat het door de buitenwacht geëist werd. Hij was het niet, althans niet aan hetgeen in de aanklacht gesteld was.
Enkele jaren nadat Demjanjuk het Amerikaanse staatsburgerschap had teruggekregen, richtte het Amerikaanse Office of Special Investigations zich opnieuw tegen hem. De aanklacht was gebaseerd op dezelfde Russische documenten die hem eerder het leven hadden gered. Daaruit bleek dat hij in verschillende kampen als opzichter had gewerkt. Ten bewijze hiervan kwam rechter Paul R. Matia van Ohio in 2002 met een uitvoerig (eenvoudig op internet te vinden) findings of fact, dat wil zeggen een opsomming van de feiten waarop de aanklacht gebaseerd was. Voorzover van een afstand te controleren laat het over de belangrijkste van de feiten geen misverstand bestaan: Demjanjuk is in zowel Majdanek als Sobibor actief geweest. Deze zekerheid is ook het uitgangspunt van de voornaamste aanklacht in het aanstaande proces: dat hij in Sobibor meegewerkt zou hebben aan de moord op minstens 29.000 mensen.
Toch is het de vraag of dit hard te maken is. Lees bijvoorbeeld het stuk dat Johannes Houwink ten Cate begin dit jaar schreef: De werkzaamheden van Wachmann Iwan Demjanjuk. Het staat op de site van het instituut waar hij werkt, het Centrum voor Holocaust en Genocide Studies in Amsterdam (www.chgs.nl) en geeft een aardige samenvatting van de manier waarop er in kringen van betrokkenen tegen Demjanjuk en het aanstaande proces wordt aangekeken. Toch is het een vreemd stuk, omdat het voortdurend op en neer gaat tussen feiten, vermoedens en meningen, een niet geheel begrijpelijk onderscheid maakt tussen juridische en historische zaken en tal van aanvechtbare sprongen, zo niet tegenspraken bevat.
Zo concludeert Houwink ten Cate dat Demjanjuk in juni 1942 in vreemde krijgsdienst was getreden ‘en heeft gecollaboreerd met de nazi’s evenals ca. vijfduizend andere Oost-Europese jonge mannen die door het Duitse leger krijgsgevangen waren gemaakt’. Alleen al zo’n zin. Kan een krijgsgevangene in krijgsdienst treden? Kun je van collaboratie spreken als dat op basis van dwang gebeurt? Twee zinnen verder: ‘Hij heeft zich jarenlang (…) willens en wetens schuldig gemaakt aan vrijheidsberoving (…). Hij lijkt mij medeplichtig aan moord (…). Hij werkte daar, tegen betaling, deserteerde niet, moorden was de enige activiteit daar en andere helpers dan de Trawniki (Oost-Europeanen die in het gelijknamige kamp opgeleid waren – cvdh) hadden de SS-mannen daar niet.’
Het is allemaal mogelijk, maar toch grotendeels gebaseerd op vreemde denksprongen. Neem alleen dat ‘willens en wetens’. Vlak vóór deze passage wordt verteld over de rekrutering van Demjanjuk voor het Trawniki-kamp. Dat gebeurde in een ander kamp. Daarover schrijft Houwink ten Cate: ‘In het algemeen werden Sovjet-krijgsgevangenen (onder wie Demjanjuk – cvdh) door de Duitse troepen buitengewoon slecht behandeld. De bij uitstek deskundige Karel C. Berkhoff schreef in deze samenhang van een door racistische motieven geïnspireerde “genocide” op de krijgsgevangenen die als “Russen” werden beschouwd. Zij werden uitgehongerd (…). Eén bron vermeldt kannibalisme onder de Sovjet-krijgsgevangenen.’
Weliswaar wordt vermeld dat het toen Demjanjuk arriveerde vermoedelijk iets beter ging, maar hoeveel is onduidelijk. Kun je in zo’n geval van ‘willens’ spreken? ‘Hij deserteerde niet’, staat er. Dat klopt. Maar wat als desertie gelijkstaat aan executie? Kun je dan zonder meer suggereren dat iemand verkiest te blijven?
Uiteindelijk, laatste voorbeeld uit een lange reeks, het centrale punt: dat Demjanjuk ‘medeplichtig aan moord’ zou zijn. De belangrijkste reden die hiervoor gegeven wordt is dat er in Sobibor niets anders gebeurde. Dat is waar. Maar volgt daaruit medeplichtigheid? Waren er geen portiers, onderhoudsmonteurs, chauffeurs? Was echt iedereen bij het moorden betrokken? En zo ja, zijn allen daaraan in dezelfde mate schuldig? Je hoeft alleen maar te denken aan het vele dat Primo Levi over de zogenoemde grijze zone heeft geschreven – de joden die in de concentratiekampen betrokken waren bij het vermoorden van hun lotgenoten – om op z’n minst in verwarring te raken. Zijn de leden van de joodse Sonderkommando’s in dezelfde mate schuldig als SS-moordenaars? Nee natuurlijk. Maar als dat zo is, hoe zit het dan met een voormalige krijgsgevangene als Demjanjuk? In de media wordt hij voorgesteld als een kleine Barbie of een werktuig van Eichmann. Zo simpel is het zeker niet. Maar hoe is het dan wel?

IN DE MEER DAN een halve eeuw die sinds de Tweede Wereldoorlog verstreken is, hebben de aanvankelijk steeds weer gehoorde argumenten ‘Befehl ist Befehl’ en ‘militaire noodzaak’ hun kracht grotendeels verloren. Daardoor is het besef ontstaan dat eenieder die mensenrechten schendt – dader of opdrachtgever – persoonlijk verantwoordelijk is. Tegelijkertijd is aanvaard dat een dergelijke verantwoordelijkheid nooit verjaart. Deze drie noties vormen de belangrijkste pijlers van het huidige mensenrechtenbeleid en de grondslag van de processen die gevoerd worden naar aanleiding van de gebeurtenissen in voormalig Joegoslavië, Rwanda, Congo, Oeganda en elders. Het zijn grote stappen voorwaarts.
In het proces tegen Demjanjuk schuilt echter het gevaar dat er opnieuw stappen in tegenovergestelde richting worden gezet. Er is te veel onduidelijk, aanvechtbaar en bovenal – hoe anders het in de ogen van velen ook lijkt – onbewijsbaar. Heel de westerse wereld, de Duitsers voorop, hebben de moordenaars uit hun midden tientallen jaren laten begaan, om niet te zeggen de hand boven het hoofd gehouden. Er speelden belangrijkere zaken. Een jaar of dertig geleden is men begonnen deze veronachtzaming goed te maken. Het heeft tot veel publiciteit en enkele rechtzettingen geleid. De wankele zaak tegen een man die over een half jaar negentig wordt, ziek en zwak is en voor een misdaad die hij niet had begaan eerder al ter dood is veroordeeld, kan niet anders dan een van de laatste gevallen van compensatie zijn.
Uit een geslaagd proces valt op z’n best een minuscuul gevoel van rechtvaardigheid te putten. Veel waarschijnlijker echter is dat de zaak niet of slechts ten dele slaagt. In dat geval laat de zaak betrokkenen en publiek achter met gevoelens van onvoldaanheid en een gedurende vele jaren zorgvuldig opgebouwde rechtspraak met een stigma. Het is goed te begrijpen dat de weinigen die de kampen doorstaan hebben en die eind 2009 nog in leven zijn, daar niet om malen. Zij hebben eigen redenen om de zaak door te zetten, redenen van het hart. Maar het is de vraag of het verstand geen betere oplossing had kunnen bedenken.


Chris van der Heijden is historicus en publicist. Hij schreef onder meer Grijs verleden (2001) en werkt nu aan een groot boek over de nasleep van en de omgang met de Tweede Wereldoorlog in Nederland