Moordkunstenaars

Rob Scholte zit er natuurlijk helemaal naast. Hoe wreed, pervers en moordlustig ze ook lijken, kunstenaars zullen geen vlieg kwaad doen. Dat is weleens anders geweest, namelijk in de zestiende eeuw, toen kunstenaars zich net als een paar eeuwen later als goden lieten bewonderen, maar ondertussen wel geintegreerd bleven in de samenleving. Ze sleten hun bestaan even moordend en verkrachtend als eenvoudiger handwerkslieden. Caravaggio moest Rome verlaten wegens doodslag. De Zwitserse etser Urs Graf brandschatte er als huursoldaat lustig op los. Goudsmid en beeldhouwer Benvenuto Cellini verheerlijkte in zijn autobiografie een ruig kunstenaarsleven.

Tot zijn eigen heldendaden rekende hij het onder schot houden van onwillige assistenten bij het gieten van Perseus, een gewapende vechtpartij met overheidsdienaren en het doden van een reeks tegenstanders in duels. Hij werd ter dood veroordeeld voor een forse vuistslag en sloeg de moordenaar van zijn broer dood. Na Rome ontvlucht te hebben na het verwonden van een notaris, doodde hij een collega en een postmeester op weg naar Frankrijk.
Betrokkenheid bij het geweld van alledag geven de jaren na 1800 pas te zien - als redeloos geweld, verminkingen en normvervaging in het algemeen menig kunstenaarshart sneller doen kloppen. Kunstenaars zouden echter nooit meer mens onder de mensen zijn, zelfs geen god onder de mensen, maar voor altijd naar de periferie van de samenleving worden gedrukt als de veel misbaar makende nar van de burgerij. Moordlustige impulsen werden het exclusieve werkterrein van de psychologie.
Het geluk schijnt de Engelse schilder Richard Dadd vanaf het prille begin toe te lachen: al op negentienjarige leeftijd wint hij drie gouden medailles van de Royal Academy. Na een uitputtende reis door Egypte en Palestina openbaren zich echter de eerste symptomen van schizofrenie en op zijn zesentwintigste steekt hij zijn vader dood, nadat hij eerst geprobeerd heeft hem te wurgen. Van 1843 tot zijn dood in 1866 slijt hij zijn leven in verschillende inrichtingen, waar hij doorschildert alsof er niets aan de hand is. Dadd is met een daadwerkelijke moord een uitzondering in het moderne kunstenaarsgilde - als we de filosoof Louis Althusser, die nog niet zo lang geleden zijn vrouw vermoordde, buiten beschouwing laten.
Verreweg de meeste psychotische artistiekelingen kunnen aan weinig meer de hand slaan dan aan zichzelf, hoewel de fascinatie voor het afmaken van de medemens is gebleven. In de twintigste eeuw roepen vooral de surrealisten, met hun enthousiasme voor diverse geestelijke aberraties en levensbeeindiging, massaal onheil over zich af. Als zelfdoding nog zelf-moord is, tarten kunstenmakers de Voorzienigheid met publikaties als Le poete assassinez (van Apollinaire en in 1927 door de surrealisten opnieuw uitgegeven), Le revolver cheveux blancs (Breton, 1932) en Violette Nozires (1933) - een door Breton en Eluard geredigeerde dichtbundel, genoemd naar en ter ere van een veroordeelde moordenares.
Jacques Vache slaat in 1919 de hand aan zichzelf; Jacques Rigaut hanteert in 1929 een revolver; Rene Crevel gaat aan het gas in 1935. Oscar Dominguez probeert zich in 1939 op te hangen, maar kiest touw van slechte kwaliteit; Arshile Gorky doet in 1948 een geslaagder poging, evenals Jean-Pierre Duprey in 1959. Twee jaar eerder lukt het Dominguez alsnog door de polsen door te snijden. Wolfgang Paalen kiest in 1959 voor het pistool en Unica Zurn werpt zich in 1970 uit het raam.
Opvallend is dat kunstenaars zich bij gebruik van schiettuig niet door het hoofd schieten, maar bij voorkeur door het hart. De dichter Chatterton deed dat Van Gogh en al die andere romantici al voor in de achttiende eeuw. Artistieke moord is geen zaak van het hoofd, maar van het hart.