Moordpresentator

Tien jaar lang verzocht Will Simon het Nederlandse volk per tv om opsporing. ‘Veertig procent van de gevallen werd opgelost.’ Nu is de presentator schrijver van smeuige thrillers. Maar hoe zit het nu eigenlijk met zijn notoire saaiheid?
DE LAATSTE MAANDEN treedt in reclamespotjes regelmatig een oude bekende naar voren. Omzichtig pratend leidt hij ons een kleine buurtwinkel binnen, waar even eerder een gruwelijk misdrijf plaatsvond. De lange regenjas waarin de man gekleed gaat, zijn kale, bleke hoofd met bril, de hese stem - het is een overduidelijke pastiche van Will Simon, tot en met 1991 presentator van het tv-programma Opsporing verzocht.

Leuk gedaan door de Krasloterij, zegt de echte Will Simon desgevraagd. Hij is andere imitaties gewend. Koot & Bie, Farce majeure. Het bontst maakte Binnenlandse zaken het, een satirisch radioprogramma van de Tros. Simon: ‘Die uitzending ging over kleine kinderen die werden misbruikt. Uiteindelijk bleek de presentator van Opsporing verzocht erachter te zitten. Zo smerig.’ Simon schreef een brief op poten naar de Tros-leiding en kreeg wat hij verlangde: excuses.
Het hoge aantal imitaties laat zien welke enorme impact Opsporing verzocht vanaf de eerste uitzending, oktober 1975, had. Simon: 'Ik denk dat het vrij logisch is. Wanneer je tegenwoordig een medisch programma maakt, ben je ook van een grote impact verzekerd. Waarom? Iedereen kent wel een zieke of gekwetste in zijn omgeving. Hetzelfde geldt voor criminaliteit. Op het ogenblik vinden er drie miljoen misdrijven per jaar plaats. Wanneer we de baby’s even vergeten, betekent het dat een op de vier Nederlanders jaarlijks met een misdrijf te maken krijgt. En al die mensen hebben familie, vrienden, kortom: eigenlijk komt iedereen elk jaar wel met een misdrijf in aanraking. Dan is het logisch dat een programma dat misdrijven probeert op te lossen en tips geeft om ze te voorkomen, veel aandacht trekt. Wie het presenteert, doet er niet toe. Nu ja, ik heb dat tien jaar gedaan, honderd uitzendingen gemaakt, dan word je toch een bekende Nederlander.’
NAAST DE VOORDEUR van zijn Apeldoornse woning hangt een groot bord dat onwelkome bezoekers op de aanwezige honden wijst. Een bijna onwezenlijke waarschuwing in een buurt waar eekhoorns doodgemoedereerd de straat oversteken. Achter de openzwaaiende deur tref ik een andere persoon dan de imitaties verbeelden: gebruind, zonder die uilige bril, sportief gekleed in een mouwloos poloshirt. 'Zeg maar Will.’
Pas in zijn werkkamer op de eerste etage komt zijn imago tot leven. De ruimte is volgestouwd met criminalia. De omslagen van zijn tien thrillers, onderscheidingen van de politie, affiches van lezingen. Meest macabere object: een presse-papier met vingerafdrukken van Birgit Veit, een Duits meisje dat in plastic gehuld werd opgediept uit het Veluwemeer. Dank zij Opsporing verzocht werd ze geidentificeerd, maar haar moordenaar is tot op heden voortvluchtig.
Hoewel Duitsland en Engeland al over soortgelijke programma’s beschikten, kreeg Opsporing verzocht in Nederland een kritische ontvangst. Was u daarop voorbereid?
Will Simon: 'Nee, want de pers heeft over het programma voornamelijk onjuist bericht. Niemand heeft voorafgaand aan de eerste uitzending met ons, programmamakers, contact opgenomen. Men dacht dat wij net zo'n programma zouden maken als de Duitsers, met ingehuurde acteurs die de misdaad op het smeuige af naspeelden. Dus zouden wij op een heksenjacht aansturen, het halve land zou verdachten gaan najagen. En buitenlanders, die verhoudingsgewijs meer misdrijven begaan, zouden worden gestigmatiseerd.
We hebben echter altijd alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen. Nooit alleen een compositietekening van de verdachte tonen, nee, hem uniek maken door zijn dialect te vermelden, zijn rookgedrag, zijn aftershave. Als het cirkeltje rond de verdachte niet heel nauw was, zouden wij de zaak nooit brengen. Het feit dat een omroep meewerkte aan de opsporing van criminelen, was een steen des aanstoots. Dat is een exclusieve taak van justitie, vonden onze critici. Ik vind dat onzin. Waarom zou je als overheid op het moment dat de criminaliteit als een gek stijgt, en dat was in die jaren zo, niet de televisie mogen inschakelen?’
Simon noemt het 'puur toeval’ dat Opsporing verzocht bij de Avro belandde. 'In 1969 berichtte Aktenzeichen XY-ungelost, het Duitse programma, over een zaak waarvan het spoor naar Nederland leidde. De redactie nam toen contact op met de Avro-correspondent in Duitsland, omdat uitzending van het programma in Nederland de kans aardig vergrootte dat de dader gepakt zou worden. Na rijp beraad heeft de Avro het programma vertaald overgenomen. Polak, de toenmalige minister van Justitie, zat met begerige ogen naar de uitzending te kijken. Hij heeft de Avro toen verzocht een Nederlandse variant van het programma te ontwikkelen. En de pers maar denken dat we alleen maar op kijkcijfers uit waren. Op een gegeven moment gaf ik meer interviews om de boel een beetje recht te trekken dan dat ik met het maken van het programma bezig was.’
Blijkens een recente veiligheidsrapportage van het ministerie van Binnenlandse Zaken voelt bijna een kwart van de Nederlanders zich regelmatig onveilig. Heeft het maandelijks 'prime-time’ tonen van al die misdaden in Opsporing verzocht dat niet in de hand gewerkt?
'Absoluut. Stel dat je een overval brengt in een bejaardenhuis - ik garandeer je dat alle bejaardenhuizen in Nederland meteen op hun kop staan. Dus wat doe je: je zorgt ervoor dat in de uitzending nooit twee gelijksoortige misdrijven achter elkaar worden uitgezonden. En je zegt na afloop consequent dat dit soort misdrijven in Nederland relatief weinig voorkomt. Maar het is onzin te zeggen dat alleen Opsporing verzocht het huidige gevoel van onveiligheid heeft veroorzaakt. Als er een vent op straat was doodgeschoten en er was een camera in de buurt, dan zag je ’s avonds in het NOS-journaal een prachtige close-up van de betrokkene, met bloedvlekken en al. Populaire kranten als Algemeen Dagblad en De Tele graaf verspreiden die beelden ook. Wij zijn met gruwelijke beelden veel zorgvuldiger omgegaan. Tuurlijk, ik geef toe dat er een kans bestaat dat je mensen onrustiger en angstiger maakt. Maar onze bijdrage daarin is klein geweest.’
Drie miljoen mensen kijken elke maand naar 'Opsporing verzocht’. Is het programma voor hen geen gelegitimeerde zucht naar sensatie, een eerste proeve van 'reality-tv’?
'Duizenden politiemensen kijken natuurlijk ook. En gevangenen hopen op een lagere celstraf als ze de politie tippen. Vraag niet hoe hoog de kijkdichtheid in de gevangenis is: gegarandeerd honderd procent. Onder de kijkers zitten ook de mensen die vernomen hebben dat het programma een misdrijf in hun buurt belicht. Daarnaast heb je natuurlijk de mensen die gezond dan wel ongezond nieuwsgierig zijn. Dat is waar.’
Op de vraag waarin voor hem het plezier school om tien jaar lang een programma vol gruweldaden te presenteren, volgt een kort expose over zijn verleden. Na de Fotovakschool en de Filmacademie belandde Simon in 1962 bij de afdeling drama- en kunstzaken van de Avro. 'Ik heb prachtige documentaires gemaakt over het ontstaan van allerlei culturele manifestaties, waaronder De Perzen van Aeschylos, in de regie van Erik Vos.’
Zijn interesse verschoof gaandeweg naar het buitenland. 'Vanaf 1972 ben ik voor Avro’s televizier gaan werken. Tegenwoordig is alles horizontaal geprogrammeerd en heb je veel meer zendtijd. Toen moest je het doen met veertig minuten per week. Er waren weinig mogelijkheden om specialisten aan te nemen. Iemand die het ooit tot korporaal had gebracht werd defensiespecialist, ik kreeg het buitenland. Honger, vluchtelingen, oorlogen - ik heb het allemaal van dichtbij meegemaakt. Wanneer honderdduizend Cambodjanen over de grens trokken naar Thailand, maakte je een reportage van de gruwelijkste gebeurtenissen. Waarom? Omdat er een actie moest komen die geld moest opbrengen. Ik heb miljoenen opgebracht, ervoor gezorgd dat er meer begrip was voor de honger in de wereld, meer begrip voor vluchtelingen. Kortom, ik heb me altijd met journalistiek beziggehouden waarvan je resultaat ziet.’
Simon wuift de opmerking dat hij meer missionaris dan journalist is, weg. 'Dat is overdreven, volstrekt niet. Maar het geeft je een bijzonder plezierig gevoel wanneer je hebt meegewerkt aan zo'n actie en je ziet de volgende dag dat er twintig miljoen op tafel is gekomen. In wezen had ik bij Opsporing verzocht hetzelfde gevoel. Als je met slachtoffers in aanraking komt, of met de nabestaanden, dan is het logisch dat de oplossing van zo'n zaak - en die komt er in veertig procent van de gevallen - je bevrediging geeft.’
ZIJN WERK VOOR Opsporing verzocht betekende de opmaat voor een nieuwe stap in zijn carriere. 'In Amsterdam heb ik met een aantal moordonderzoeken meegelopen: secties, huisonderzoekingen et cetera. Als ik bij een politiecorps kwam, heb ik omwille van de uitzending steeds geeist dat ik alles te horen kreeg. Na verloop van tijd ga je toch denken, goh, zo'n proces-verbaal leest vaak als een politieroman.’
In 1991, het jaar dat Simon met de vut ging, verscheen zijn eerste politiethriller: Moord in Eldorado. Inmiddels heeft hij er tien op zijn naam staan, de elfde is onderweg. 'Volstrekt pretentieloos’, noemt hij ze zelf. 'Vakantielectuur voor op het nachtkastje.’ Zijn boeken zijn opgebouwd rond intrigerend verknoopte moordzaken die op het bord belanden van de denkbeeldige Kamer 119 van de Amsterdamse politie. Een crimineel milieu waarin het draait om 'pegulanten’ (guldens) en waar de 'prinsemarij’ (politie) geen bijster alerte indruk maakt. Simons vaak wat stereotiepe personages ademen de geur van de jaren vijftig - ook wat betreft man-vrouwverhoudingen. Mannen nemen daadkrachtig het voortouw, terwijl het bij de vrouwen vooral om hun maten gaat: 'een goed gemodelleerde ijsberg’, of 'ze had het figuur van een overdadig kasteel met fors uitgebouwde torentransen en een snor’. Seks wordt niet geschuwd.
Was het niet vreemd dat iemand die tien jaar lang zo ingetogen mogelijk de misdaad bestreed, nu ineens smeuige politieromans schreef?
'Ik heb geen enkel plot aan Opsporing verzocht ontleend. Critici vonden twee dingen merkwaardig. Iedereen viel over het personage Maria, een Surinaamse schoonmaakster - een prachtige vrouw die altijd een beetje seksistisch werd benaderd. Toen schreef ik opeens seksistisch - flauwekul. Maria heeft in het boek altijd het laatste woord en wint altijd. En iedereen vroeg zich af waar de losse toon in mijn boeken vandaan kwam. Ik stond immers bekend als een saaie man, die voor de camera geen spier vertrok, terwijl hij de meest gruwelijke misdrijven de revue liet passeren. Dat deugde niet. Ik heb altijd gezegd: jongens, hoe willen jullie het dan? Moet ik roepen: “En nu, kijkers, een smeuige moord in Tietjerksteradeel?” Onzin. Neem een Joop van Zijl, die op het scherm toch ook heel ernstig zijn berichen zit voor te lezen. Niemand zal roepen dat hij saai is. Ik ben helemaal geen saaie man. Ik hou ontzettend van humor, ik lach me kapot.’
Waarom weigerde uitgever Fontein aanvankelijk de boeken kandidaat te stellen voor de Gouden Strop, de jaarlijkse prijs voor het beste Nederlandse misdaadboek?
'Mijn uitgever vond me een schrijver in ontwikkeling, nog niet rijp genoeg voor zo'n prijs. Hij zei tegen de jury: “Als je de boeken wilt hebben, dan koop je ze maar.” Inmiddels is er meer vertrouwen. Als je de kritieken van mijn eerste boeken naast de die van de recente legt, zie je een duidelijk opgaande lijn. De Volkskrant en Trouw beginnen het ook langzamerhand acceptabel te vinden.’
HOE DOE JE dat, een spannende thriller schrijven?
'Je begint met de laatste vier pagina’s, de essentie van het boek. Daarna werk je langzaam terug. Het bedenken van het plot gaat me redelijk makkelijk af. Moeilijker vind ik het om de spanningscurve vast te houden. Je moet voortdurend toch even een schokje geven. Het lastigste, nog steeds, is van personages mensen maken. Heb je vierhonderd pagina’s tot je beschikking, dan is dat geen probleem. Maar met die honderdtwintig van mij, met al die verhaallijnen, is het heel moeilijk.’
In zijn laatste vier boeken is Theo van Rheenen de hoofdpersoon - een 52-jarige journalist van De Avond. Het is een onbesuisde workaholic met een gouden hart, immer gekleed in een bronsgroen suede jack. 'Hij leek’, schrijft Simon, 'een beetje op Robert de Niro.’ Als ik hem voorleg dat het erop lijkt dat hij bij Van Rheenen iemand in het bijzonder voor ogen heeft, begint hij geheimzinnig te lachen en vertelt hij over zijn vakanties en de Apeldoornse societeit 'waar je inspirerende mensen ontmoet uit alle milieus’. Dan zegt hij: 'Inspiratie is flauwekul. Schrijven moet je gewoon doen. Dat doordouwen herken ik in het karakter van Van Rheenen. Ik moet zeggen dat ik me bij de figuur Van Rheenen redelijk goed thuisvoel.’
Veiliger is het om te praten over zijn collega’s, onderling verbonden in het Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs. 'Tomas Ross is een van de weinigen die echt van het schrijven leeft, de meesten doen er andere dingen naast. Er zitten leraren Nederlands bij en politiemensen. De meerderheid is man. Een keer per jaar komen we officieel bij elkaar tijdens een Mistery Dinner in een oud pand bij de Amsterdamse rosse buurt. Vreselijk leuk. Voor de rest zie ik mijn collega’s bijna nooit. Ze wonen ook nogal verspreid over het land. Een eenzaam beroep, ja, dag na dag achter de tekstverwerker.’
Nee, door als schrijver in de huid van misdadigers te kruipen, is zijn begrip voor hun daden niet vergroot. 'Wij hebben met Opsporing verzocht eens een zaak gedaan in Helmond. Het betrof een 84-jarige dame die gevonden werd door haar zoon. Ze lag in bed, haar lakens doorweekt van het bloed. De moordenaar had met een volle seven-up fles zo vaak op haar hoofd geslagen dat het bijna pap was geworden. Haar hondje lag ernaast, doodgemept met haar wandelstok. Voor dat soort criminelen heb ik geen enkel begrip. Die mensen moeten behandeld worden en mogen voor mijn gevoel, en dat klinkt erg rechts, niet worden losgelaten voordat het voor honderd procent zeker is dat ze het nooit weer zullen doen. En anders leven ze maar levenslang in de kliniek.
In mijn boeken spelen dergelijke criminelen geen rol. Want dan zou ik bezig zijn met de realiteit in plaats van met een verzonnen verhaal. Over het algemeen zijn de personages in mijn boeken geen criminelen, maar mensen die door omstandigheden crimineel worden. Daardoor staan ze dichter bij de leefwereld van de lezer. Naast de “echte” criminelen zijn er ook mensen die tijdelijk op het criminele pad raken - criminaliteit is een in iedere mens sluimerende bacil. Er is maar weinig voor nodig om iemand op het verkeerde pad te brengen. Dat het in de meeste gevallen niet gebeurt, komt doordat er sprake is van opvoeding, van het beteugelen van een aanleg, een gebrek aan noodzaak, maar zodra dat allemaal wegvalt…’
De vraag of hij zelf over een criminele daad fantaseert, beantwoordt Simon lachend met: 'Je bedoelt, een die ik zelf zou willen plegen? Daar heb ik nog nooit over nagedacht. Maar alles wat in mijn boeken gebeurt, is natuurlijk ooit in mijn slechte geest opgekomen. Dat zegt genoeg, lijkt me.’