Moordstad

KAAPSTAD - Een loodgrijze wolk hangt rond de Tafelberg. Vanuit het westen nadert de herfst. Regensluiers boven Robbeneiland lichten op in de ochtendzon. Zakenlieden wandelen in hemdsmouwen naar hun werk, winkeliers en hotelhouders groeten elkaar bij het openen van de rolluiken. Heel even beantwoordt de Moederstad aan het beeld van de reclamefolders. Het centrum behoort toe aan de blanken - als je de Indiërs tenminste meerekent, die doen dat tenslotte zelf ook.

Hun idylle is van korte duur. Tegelijk met de opgaande zon trekt een onafzienbare stoet zwarten en kleurlingen via de brede toegangswegen de stad binnen, op weg naar hun werkplek of standplaats. De vrouwen te voet, met kinderen en zware tassen aan de hand. De mannen opeengepakt in minibusjes en pick-ups waar de koopwaar uitpuilt; jongens in de schoolgaande leeftijd hollen er achteraan. Ze komen van de andere kant van die feeërieke berg: de onherbergzame Kaapse Vlakte, waar de erfenis van drie eeuwen rassenscheiding zich in roestkleurige eenvormigheid uitstrekt van township tot township, zover het oog reikt.
De plaatselijke economie is de malaise uit de nadagen van de apartheid te boven gekomen, maar de armoede heeft de pasjeswetten moeiteloos overleefd. De raciale arbeidsdeling ook. Kaapstad is een van de meest racistische steden van Zuid-Afrika. De eerste deportatie van zwarten, bij wijze van ‘hygiënische’ maatregel na een uitbraak van de builenpest, dateert van 1901. Na de machtsovername door de Nationale Partij in 1948 werkte de plaatselijke overheid van harte mee aan de uitvoering van de apartheidswetten, waarbij de vele kleurlingen als comfortabel stootkussen tussen zwart en blank dienden. Uit angst voor een 'zwarte’ machtsovername door het ANC stemden de kleurlingen in 1994 zelfs en masse op de Nationale Partij, zodat de Westelijke Kaap nu als enige van de tien provincies een NP-regering heeft, aangevoerd door de kleurling Gerald Morkel.
Veel hotels, restaurants en winkels zijn nog altijd een microkosmos van alledaagse apartheid, met hun blanke of Indische eigenaars, gekleurde bedienden en zwarte sjouwers en schappenvullers. Zelfs de dood voegt zich naar de rangorde van weleer. De vorige avond is een drugspand in de studentenwijk Woodstock in militaire stijl overvallen. Zes familieleden van megadealer Sharief Butler, alias Pinocchio, werden met schoten in de borst en het hoofd afgemaakt. De overval en de begrafenis van de slachtoffers, allen islamiet, zijn voorpaginanieuws.
Andere doden, meestal zwarten, worden tegelijk met het vuilnis opgehaald zonder dat er een haan naar kraait. Tegen een winkelpui op een steenworp afstand van de Grand Parade, het plein waar Mandela na zijn vrijlating in 1990 zijn eerste toespraak hield, liggen drie haveloze zwarten op het trottoir. De buitenste twee slapen hun roes uit. De middelste is dood; een straaltje bloed loopt uit zijn buik naar de stoeprand. Twee gekleurde particuliere bewakers, van wie er één een herdershond aan een lijn houdt, kijken onverschillig toe terwijl een zwarte ziekenbroeder met plastic handschoentjes het lijk in een ziekenauto schuift. De blanke chauffeur, die zich niet verwaardigt om achter het stuur vandaan te komen, geeft ongeduldig gas. Er komt geen politie aan te pas. Voordat de hond het geronnen bloed kan oplikken, wordt het weggespoeld door de eerste najaarsregen.
ONDANKS hun vertoon van kragdadigheid hebben de autoriteiten geen antwoord op de om zich heen grijpende misdaad in de stad. Er heerst dezelfde angstpsychose die heel Zuid-Afrika in zijn greep heeft. Tussen de wolkenkrabbers en vriendelijke minaretten zijn roofovervallen, car-jackings, afpersing en gewelddadige afrekeningen aan de orde van de dag. Kaapstad is 'murder capital of the world’, melden de plaatselijke kranten met verbeten trots. Van de zestig moorden die elke dag in Zuid-Afrika worden gepleegd, neemt Kaapstad er zes voor zijn rekening.
Wie het kan betalen, verschanst zich achter traliehekken, pantserglas en metershoge muren met daarop prikkeldraad, glasscherven en alarmsensoren. Na zonsondergang liggen de straten er verlaten bij. Op talloze wanden prijken de waarschuwingsborden van particuliere bewakingsdiensten met de onheilspellende tekst 'Armed Response’.
De meeste moorden en overvallen worden gepleegd door zwarten. De oorzaak ligt voor de hand. Het apartheidsbewind heeft er met welhaast genocidale logica de voorwaarden voor geschapen, in de vorm van blinde repressie, uitbuiting, gebrekkig onderwijs en de ontwrichting van gezinnen. Onder de Group Areas Act van 1950 werden eerst de zwarten en daarna de kleurlingen uit het stadscentrum verwijderd en gedeporteerd naar de Vlakte. In 1966 werd de laatste kleurlingenwijk, het bruisende, wegens zijn eigen jazz-stijl vermaarde District Six, met de grond gelijkgemaakt.
De townships die inderhaast uit de rotsbodem werden gestampt, zijn nog altijd gescheiden naar huidskleur. Met hun dichterlijke namen als Langa ('Zon’), Nyanga ('Maan’) en Gugulethu ('Onze trots’) liggen de zwarte getto’s er net zo troosteloos bij als dertig jaar geleden, ondanks de ambitieuze wederopbouwplannen van de nieuwe regering. Gekleurde townships als Mitchell’s Plain en Manenberg zijn beter bedeeld, maar ook daar heerst stille armoede. Voor alle townships geldt dat de bevolking van meet af aan overgeleverd was aan gewapende afpersers, bendes en corrupte elementen in het blanke politieapparaat. Zelfbestuur, laat staan zelfverheffing, was onder die omstandigheden een onmogelijke opgave.
IN DE JAREN TACHTIG zorgde de drugshandel voor een nieuwe scheur in het toch al kwetsbare sociale weefsel. Tegenwoordig is Kaapstad de draaischijf van de Zuid-Amerikaanse en Pakistaanse drugshandel op Afrika. Sommige dealers omringen zich met Columbiaanse lijfwachten, andere veroorloven zich vakantiehuizen in Bangkok en Manila, terwijl duizenden ongeletterde achterblijvers creperen aan de crack of sneuvelen in de onophoudelijke straatgevechten.
In de zomer van 1996 besloot een groep islamitische Vlakte-bewoners, merendeels afkomstig uit de middenklasse, om terug te slaan. Op een roerige vergadering in de Gatesville-moskee, de grootste van de stad, werd de beweging 'People against Gangsterism and Drugs’, kortweg Pagad, opgericht. Een paar weken later werd de dealer en leider van de Hard Living-bende Rashaad Staggie door een menigte Kaap-moslims gelyncht. Sindsdien vertoont de zwaarbewapende, onder bivakmutsen verscholen G-force van Pagad zich regelmatig op straat, meestal na zonsondergang, om te jagen op dealers.
Volgens insiders is de leiding van Pagad in handen van de sji'itische splintergroepering Qibla, die na de afschaffing van de apartheid zijn machtspositie verloor en dankzij de strijd tegen de drugs weer invloed probeert te krijgen. Volgens anderen worden zowel de bendes als Pagad getraind en bewapend door leden van de voormalige militaire inlichtingendienst. De ondersteuning zou passen in een geheime agenda van de NP om de Kaap als bastion te behouden in de verkiezingen van volgend jaar. Als het geweld hand over hand toeneemt, om bij het naderen van de verkiezingen weer terug te lopen, kan de NP zich profileren als kampioen van de openbare orde en veiligheid.
In veel opzichten is Kaapstad een gecondenseerde versie van het nieuwe Zuid-Afrika. Merkwaardig genoeg is de stad doortrokken van de overblijfselen van de apartheid en tegelijk volkomen kleurenblind. De stad is groot geworden door de slavenhandel, maar het enige monument dat daaraan herinnert is een gedenksteen, plompverloren neergelegd op een vluchtheuvel midden in het stadsverkeer. Veel mensen zijn vooral druk bezig met vergeten. Blanken en kleurlingen die de apartheid hebben gesteund, zul je hier niet tegenkomen. Iedereen heeft de rassenwetten altijd verafschuwd, het systeem in het geheim van binnenuit bestreden, en iedereen onderschrijft van harte het nieuwe nationale motto 'Simunye’, 'Wij zijn één’.
En zoals de Waarheidscommissie onder leiding van bisschop Tutu tevergeefs een nationale verzoening tracht af te dwingen waar de meeste slachtoffers nog lang niet aan toe blijken te zijn, zo versterkt de miskenning van het verleden ook hier de wrok en het wantrouwen onder bevolkingsgroepen, vooral aan zwarte kant.
'Kaapstad is een stad van dolende gewonden, een broederschap van de stilte’, schrijft de zwarte journaliste Beverly Mitchell in de daklozenkrant The Big Issue, opgezet naar Londens voorbeeld. 'Verzoening staat bij ons gelijk aan geheugenverlies. Maar als we het verleden niet onder ogen zien, stevenen we af op een nieuwe nationale ramp. Laten we de mythe van de zorgeloze regenboognatie zo gauw mogelijk opblazen en elkaar eerlijk vertellen wie we vroeger waren, wie we nu zijn en wat we in de toekomst van elkaar verwachten.’
Aan het adres van de blanke burgervaders en projectontwikkelaars die de stad willen ontdoen van zijn Afrikaanse kenmerken, schrijft zij: 'Ontken ons verleden niet. Maak niet dezelfde fout als jullie voorvaderen, anders roepen jullie de toorn van de mijne over je af.’ Het zijn geen loze woorden. In zwarte kringen wordt steeds vaker gewaarschuwd voor een backlash, een tweede afrekening met de apartheid die niet beperkt blijft tot de stembus. Als er niet snel een echte dialoog op gang komt, dreigt een uitbarsting van alle haat en frustraties waaraan het nationale verzoeningsproces voorbijgaat - een miskenning die des te harder aankomt omdat de beloofde compensatie in de vorm van huizen, scholen, klinieken en banen voor zwarten op zich laat wachten.
MAAR VOOR een dialoog is een vrije pers nodig, en die is ondanks alle goede voornemens niet van de grond gekomen. Integendeel, veel alternatieve bladen die het onder de nieuwe omstandigheden moesten stellen zonder de steun van non-gouvernementele organisaties (ngo’s), kerken en buitenlandse overheden, zijn failliet gegaan. Andere werden kapotgeprocedeerd door concurrenten of gezagsdragers die niet aan hun apartheidsverleden herinnerd wensten te worden. Alleen de gevestigde dag- en weekbladen bleven over, met als gevolg dat Kaapstad nu van nieuws wordt voorzien door een handvol dagbladen van twee oude blanke concerns: de Afrikaanstalige Nationale Pers, uitgever van Die Burger (oplage 97.000), en de Engelstalige Independent Group, uitgever van onder meer Cape Argus (82.000) en Cape Times (50.000). Van diversiteit is geen sprake, ook al doen de redacties hun best om een gemengd personeelsbestand op te bouwen. De geest van de apartheid leeft voort in hun redactiekamers en volstrekt eenzijdige berichtgeving.
De overstelpende hoeveelheid politieberichten, waarvoor de dagbladen hele pagina’s inruimen, hebben een raciale ondertoon. Dat zegt Eldred DeKlerk, onderzoeker aan de Universiteit van Kaapstad en een landelijk erkende bende-expert. Een dagblad als Die Burger, dat zwarten nog niet lang geleden omschreef als 'horden’ en 'gepeupel’, handelt nu even manipulatief door alle geweld over één kam te scheren zonder vermelding van de achtergrond van daders en slachtoffers.
DeKlerk: 'Het spook van de apartheid keert terug in nieuwe gedaanten. In de ogen van veel blanken en kleurlingen is de misdaadgolf het gevolg van de ontspoorde vrijheidsstrijd van het ANC. Veel zwarten zien daarentegen de misdaad als enige alternatief voor een maatschappelijke carrière of als genoegdoening voor de vernederingen van voorgaande decennia. In een gesloten gemeenschap als Kaapstad zouden de media die achtergrond moeten belichten, verklaringen en vooral oplossingen moeten aandragen. In plaats daarvan spelen ze een funeste rol.’
'DE VERSLAGGEVING’, vervolgt DeKlerk, 'is sensationeel en oppervlakkig. Dat kun je de journalisten niet verwijten, het is hier tenslotte zowat oorlog. Getuigen van een incident willen vaak uit angst niet met de pers praten. Verslaggevers en fotografen worden met de dood bedreigd, hun families lastiggevallen, hun auto’s en apparatuur vernield.
Toch zijn er genoeg journalisten die hun werk doen. Het probleem zit bij de redacteuren en directies die niet geïnteresseerd zijn in goede journalistiek. Diepgravende verhalen vinden ze niet sexy. Onthullingen gaan ze uit de weg want daar krijg je maar last mee. Ze drukken liever de versie van de politie af zodat ze ’s(avonds met een gerust hart in hun auto kunnen stappen. Ik ben zelfs opgehouden met het lezen van de plaatselijke dagbladen. Als ik het doe, dan alleen om iets te leren over hun manipulatietechnieken.’
Is The Big Issue dan de enige volwassen krant van Kaapstad? DeKlerk: 'U zegt dat bij wijze van grap, maar het is waar. The Big Issue is misschien het beste blad van de Kaap. Helaas lezen maar weinig mensen zo'n blad, en die weinige lezers zijn blank. De radio- en televisieprogramma’s van de staatsomroep SABC voorzien evenmin in de behoefte aan achtergrondinformatie, hoewel de meeste zwarten en kleurlingen op radio en tv zijn aangewezen. Het enige onafhankelijke medium van belang in Kaapstad is eigenlijk community radio.’
HET IDEE om plaatselijke gemeenschappen de beschikking te geven over een eigen radiostation werd in de jaren tachtig in ANC-kring geboren. Ondanks het enthousiasme onder Zuid-Afrikanen en buitenlandse sponsors ging het eerste station, Bush Radio in Kaapstad, pas in 1993 in de lucht - om er na vier uur alweer uitgehaald te worden. In 1995 kreeg Bush echter samen met tientallen andere zenders een licentie van de Onafhankelijke Omroep Autoriteit (IBA) die de frequenties verdeelt. Sindsdien is het station het paradepaardje van de community broadcasting, vanwege de kwaliteit van de uitzendingen maar ook vanwege de technische en journalistieke trainingen die men verzorgt.
Lydia Samuels, anti-apartheidsactiviste van het eerste uur en in de beginjaren betrokken bij Bush Radio, zal me introduceren. 'Bush is niet voor niets beroemd’, zegt ze met gepaste trots. 'Van de meer dan honderd stations die nu in de lucht zijn, is het een van de weinige die het oorspronkelijke ideaal weten vast te houden. En tegen de verdrukking in, want de overheid en de IBA werken bepaald niet mee. Sommige stations krijgen een licentie hoewel ze niet veel meer zijn dan reclamezenders, terwijl andere stations, die een wezenlijke functie zouden kunnen vervullen, bijvoorbeeld voor gezondheidspreventie en opvoeding, geen licentie krijgen omdat ze het inschrijfgeld niet eens kunnen betalen.’
In de stromende regen bereiken we de Bush-studio in de noordelijke buitenwijk Salt River. Ook hier is het geweld van de Kaapse Vlakte doorgedrongen. Op een straathoek staat een uitgebrande minibus, stille getuige van de taxi-wars, waarbij rivaliserende exploitanten, doorgaans onderwereldfiguren, elkaars taxi’s op klaarlichte dag aan flarden schieten. 'We lopen hier geregeld met kogelvrije vesten aan’, zegt station manager Zane Ibrahim (60) met een sardonisch lachje. 'Die slachting in Woodstock was hier twee straten vandaan. We hebben er meteen een verslaggever naartoe gestuurd. En maar hopen dat we na de uitzending geen bedreigingen zouden krijgen.’
Tevreden toont Zane Ibrahim het zopas betrokken nieuwe gebouw met professionele studio’s, ruime werktafels en grote vergaderkamers. Bush zendt uit van twee uur ’s(nachts tot twee uur in de middag in de drie voertalen van de Kaap: Xhosa, Engels en Afrikaans.
Anders dan de meeste community stations - volgens Ibrahim 'domme jukeboxen’ - hanteert Bush een indeling van veertig procent gesproken tekst en zestig procent muziek. 'Maar Michael Jackson komt er niet in, dj’s zijn geen rolmodel voor jongeren die niet kunnen lezen of schrijven. We hebben wel een diepgravend bluesprogramma, want die Amerikaanse nikkers brengen beter onder woorden wat wij hier hebben doorgemaakt dan wijzelf.’
Wat de gesproken uitzendingen betreft onderscheidt Bush zich door de eigenzinnige programmering, met opzienbarende talkshows en het voor Zuid-Afrika unieke homo-programma In the Pink. 'Maar het blijft tamtam, ook al noemen we het radio’, zegt Ibrahim. 'De kerken, ngo’s en westerse overheden die ons steunen, hebben een veel te rooskleurig beeld van onze rol, van het niveau dat voor ons haalbaar is. Ze zien ons als speerpunt in de politieke bewustwording, terwijl wij gewoon vechten voor ons voortbestaan.
Vrije meningsuiting is hier een strijd op leven en dood. Eén onvertogen woord en de overheid, de concurrentie of de georganiseerde misdaad draait ons de nek om.
Neem de bendeoorlog op de Vlakte. Ik ken alle grote gangsters persoonlijk. Ook alle mensen van Pagad - ik ben vanaf het begin bij al hun bijeenkomsten geweest. Ik ken zelfs de mensen áchter Pagad. Ik weet ook waar de vrachtwagens met wapens en handgranaten vandaan komen die ’s(nachts op de Vlakte worden afgeleverd. Ik gebruik die kennis ook bij het maken van onze progamma’s. Maar nooit in die programma’s. Anders krijgen we de volgende dag een bom door de ruiten, en ik mag mijn mensen niet in gevaar brengen.
Ander voorbeeld. We hebben hier dader-slachtofferprogramma’s gemaakt, zo'n beetje naar het voorbeeld van de Waarheidscommissie, maar dan plaatselijk. We namen een berucht incident en confronteerden de betrokkenen met elkaar en met hun eigen en andermans herinneringen. Het werkte niet. We merkten zelfs dat na elke uitzending het aantal misdaden toenam.
Verzoening heeft een averechts effect als de schuldigen vrijuit gaan. Dat weten we dus nu. Tutu moet dat nog ontdekken. Dit hele land moet het nog ontdekken, waarschijnlijk tot zijn grote schade. Maar wie zijn wij om dat aan de grote klok te hangen? Het ANC en de NP, die aan de Kaap de dienst uitmaken, zullen het ons niet in dank afnemen. De grote kranten ook niet, en hun eigenaars helemaal niet. Onze huisregel luidt: bemoei je niet met big business, niet met de grote politiek en niet met de georganiseerde misdaad.’
'WE MOETEN voor alles zien te overleven. We zijn de enige hoop voor duizenden mensen op een leefbare toekomst. We kunnen iets van de pijn, iets van de angst en diepgewortelde wrok van mensen wegnemen en hun leven een productieve wending geven. Onze trainingen zijn haast nog belangrijker dan onze programma’s. Jonge mensen met talent probeer ik zo gauw mogelijk te slijten aan SABC, een krant of een voorlichtingsdienst.
Ze moeten de geest van Bush Radio meenemen en verspreiden in hun nieuwe werkkring. Zo bewerkstelligen we op den duur misschien echte verandering. We zullen nooit populair zijn, wel altijd noodzakelijk. That’s the spirit of community radio, my friend.’
KORT VOOR mijn vertrek melden de kranten de zoveelste aanslag op een 'zwarte’ taxi in Salt River. Negen doden. Ik bel Zane op zijn zaktelefoon: 'Welja, we leven allemaal nog. Heb je die van Michael ackson al gehoord? Jackson belt met Boys to Men. Vergissing! Hij dacht dat het een postorderbedrijf was.’