Essay: De geheimzinnige verpleegkundige Lucy

Moordvrouwen

Het idee van de vrouw als monster was lang onverdraaglijk. Maar het manifesteert zich steeds vaker. Niet alleen op cultureel gebied, ook in het echte leven. Zie de zaak van de geheimzinnige verpleegkundige Lucy.

In een kasteel hoog in het Karpatisch gebergte hunkerde Erzsébet Báthory naar exotisch gezelschap. De mooie vijftienjarige gravin omringde zich met allerlei soorten heksen, tovenaars, helderzienden, alchemisten en dwergen die gereed stonden haar bevelen uit te voeren. Bijzonder verrukt was zij van de duivelaanbidders die wonderbaarlijke daden konden uitvoeren dankzij krachten van hoger hand. Beïnvloed door deze fantastische verhalen en terwijl haar man in het zestiende-eeuwse Transsylvanië een bloedige oorlog vocht tegen de Turken, ontwikkelde Erzsébet een voorliefde voor marteling. Het begon met verveling, met iets «onschuldigs», zoals een jong dienstmeisje zich te laten ontkleden, haar lichaam met honing te laten insmeren en zwermen wespen op haar te laten afvliegen. Algauw ontdekte de gravin de zweep van haar man, waarvan de punt gemaakt was van uit zilver gesmede klauwen.

Volgens sommige verslagen onderhield de gravin lesbische relaties met haar slachtoffers. Ook zou ze seks hebben gehad met kinderen. Vaak beet ze haar minnaressen tijdens de liefdesdaad. Toen de graaf in 1604 overleed realiseerde Erzsébet zich dat haar beste jaren achter haar lagen. Ze ontwikkelde op 44-jarige leeftijd een obsessie voor haar uiterlijk. Avond na avond stond ze voor de spiegel, als de boze koningin uit een sprookje, kijkend naar elk nieuw rimpeltje dat zich vertoonde op haar gelaat. De alchemist bracht uitkomst: het drinken van het bloed van een jonge maagd zou tegengif bieden voor het verouderingsproces. Erzsébet nam het zekere voor het onzekere; in de jaren die volgden liet ze meer dan 650 jonge vrouwen vermoorden. Ze liet de lichamen ondersteboven ophangen in het kasteel, zodat het bloed kon worden opgevangen. Vervolgens baadde de gravin in het «magische water». Nu en dan liet ze zich verwennen: het bloed van een bijzonder mooi meisje werd haar aangeboden in een gouden beker, zodat ze dat kon drinken.

In de loop der tijd werden Erzsébet en haar helpers steeds onvoorzichtiger; ze gooiden het lichaam van de slachtoffers in de gracht van het kasteel of in het omliggende gebied, waar de wolven het karkas opaten. Toen de Hongaarse keizer Matthias II lucht kreeg van de verschrikkingen in de Karpaten liet hij Erzsébet arresteren. Tijdens haar verhoor ontkende ze elke betrokkenheid bij de moorden. Maar onderzoekers vonden documenten in haar handschrift met daarin verhalen over de moorden. De gravin werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Ze stierf opgesloten in een klein kamertje van haar kasteel op 21 augustus 1614.

Regelmatig mislukken pogingen Erzsébet Báthory om te dopen tot «de vrouwelijke Dracula». Wel is aannemelijk dat Bram Stoker, auteur van Dracula, naast de echte figuren van de massamoordenaars Vlad de Spietser en Gilles de Rais, soldaat en bloeddrinkende lijfwacht van Jeanne d’Arc, ook het ware levensverhaal van gravin Erzsébet Báthory gebruikte bij het schrijven van zijn klassieke roman. In Francis Ford Coppola’s prachtige filmversie van Stokers roman is het «vrouwelijke» aan de graaf een kernelement van zijn karakter. In zijn omgang met Jonathan Harker toont hij zich een verwijfde bloedzuiger, een homoseksueel die het witte vlees van de verfijnde jongen voor zichzelf wil bewaren.

Coppola’s film werkte grensverleggend. Het ontkennen van het vrouwelijke aan archetypische monsters als Dracula en de relatieve onbekendheid van gravin Erzsébet Báthory vonden lang hun weerslag in de moderne cultuur waarin vrouwelijke lust-, massa,- en seriemoordenaars schitterden door afwezigheid. Wat betreft seriemoordenaars legt dat een vreemde anomalie bloot: kennelijk is het idee onverdraaglijk dat een vrouw dwangmatig moordt teneinde een perverse bevrediging te bewerkstelligen. Maar waarom is dat zo moeilijk voor te stellen? Kan het zijn dat de vrouw niet alleen in de geschiedenis, maar ook in het denken van de moderne mens een archetypische verzorgster is? Inderdaad, voor feministen zou dat vloeken in de kerk zijn. En terecht. Maar statistisch gezien is moord nu eenmaal het domein van mannen. Derhalve is de vraag legitiem: is de vrouw als verzorgende oerfiguur, ook in seksueel opzicht, zo geïnternaliseerd dat het beeld van de meervoudig moordende moeder-vrouw te angstwekkend is? En dat het dientengevolge weinig voorkomt in de moderne cultuur?

Onderzoek toont aan dat vrouwen sinds het begin van de feministische bewegingen vaker betrokken zijn bij gewelds delicten. Amerikaanse wetenschappers als Deborah Schurman-Kauflin, auteur van The New Predator: Women Who Kill, wijzen op het gebrek aan betrouwbare gegevens over de vrouwelijke psychopaat. Over het algemeen is men het erover eens dat het basismotief voor zowel vrouwelijke als mannelijke seriemoordenaars hetzelfde is, namelijk hunkeren naar macht. De kritiek op onderzoek als dat van Kauflin luidt dat het veelal gebaseerd is op mannelijke psychopathieën, terwijl de vraag wat achter vrouwelijke seriemoord zit nu juist veel te maken heeft met de psychologische opmaak van de moderne vrouw.

Het toenemen van vrouwelijk geweld vertaalt zich in cultureel opzicht. Voorbeeld: de moeder-vrouw als moderne feministische wraakengel is terug te vinden in de femme fatale Catherine Trammel in Paul Verhoevens film Basic Instinct. En in Amerika is de prostituee Aileen Wuornos uitgegroeid tot een cultheldin. Eind jaren tachtig vermoordde zij in Florida zeven mannen die haar oppikten voor betaalde seks. Vooralsnog mislukken pogingen een film over Wuornos te maken. Dat is begrijpelijk. In de seriemoordenaarsfilm, die is uitgegroeid tot een van de populairste genres van de twintigste-eeuwse cinema, is de vrouw traditioneel niet als dader aanwezig, maar als slachtoffer van de mannelijke seriemoordenaar.

Hierin ligt misschien de kern van de populariteit van het genre: bijna altijd deelt de kijker als voyeur de blik van de mannelijke moordenaar. Wij zien wat hij ziet; door zijn ogen ervaren wij het sadisme van de moord, de angst van het slachtoffer en de verslavende bevrijding die de moord met zich meebrengt. Zijn verhaal is een vorm van zelfanalyse. In de beste seriemoordenaarsteksten — die van auteur Thomas Harris, schepper van Hannibal Lecter, James Gumb en Francis Dolarhyde — is de dader de echte ster. Harris’ helden — special agents Clarice Starling en Will Graham van de FBI — kunnen niets anders doen dan machteloos toekijken. Een populaire versie waarin de vrouw de dader is en waarbij de voyeuristische kijker door haar ogen ziet hoe bijvoorbeeld een jongen op sadistische wijze aan zijn einde komt, zal behoorlijk revolutionair zijn.

Den Haag, 19 september 2002. Geborsteld, blinkend, blond haar, stijlvol grijs pak, zwarte schoenen met hoge hakken, verzorgde handen met lichtroze gelakte nagels. Het gezicht: sterk en opvallend mannelijk met hoge jukbeenderen, prominente neus en grote ogen. Ooit was ze aantrekkelijk. Nu moet een dikke laag make-up de diepe lijnen in haar wangen en de donkere strepen onder haar ogen verbergen. Door haar «mannelijkheid» — ook vanwege haar sonore stemgeluid — ontstaat de indruk dat ze zich heeft vermomd.

In de beklaagdenbank draait de vrouw die Lucy heet zich om naar haar advocaat. Ze kijkt hem recht in de ogen. Zelfverzekerdheid, alsof ze geen duimbreed terugtreedt voor wie dan ook. Niet één keer knippert Lucy met haar ogen. En dan, na een onhoorbaar lachje, wendt ze zich van hem af als de rechters en officieren hun entree maken in zaal F van het paleis van justitie.

Justitie beschuldigt Lucy (40) van het plegen van dertien moorden en vijf pogingen daartoe op patiënten in verschillende ziekenhuizen in Den Haag. Het betreft zeven kinderen tot zes jaar en ouderen in de leeftijd van 64 tot 91. Lucy de B. zou de misdrijven tussen februari 1997 en september 2001 hebben gepleegd. Indien bewezen zou het volgens een woordvoerder van het Haagse Openbaar Ministerie gaan om «een strafzaak die qua omvang hier zijn gelijke niet kent».

Dat is iets te spectaculair gesteld. Vrouwelijke seriemoordenaars zijn de Lage Landen niet vreemd. In Handlangers van de dood: Seriemoord in België en Nederland (Lannoo, 2002) verhaalt Guy van Gestel over figuren als Goeie Mie, de gifmengster Maria Catharina Swanenburg uit Leiden die aan het einde van de negentiende eeuw minstens 27 mensen vergiftigde en meer dan honderd pogingen tot vergiftiging ondernam. Goeie Mie, een weduwe, stond bekend als een «uitzonderlijk lieve en hulpvaardige vrouw die vaak op zieken en kinderen uit de buurt paste». Maar Goeie Mie hield van geld. Haar werkwijze: verzekeringen afsluiten op naam van haar toekomstige slachtoffers en na hun dood de premies innen. Een eigenaardigheid in de zaak Mie is dat tot op de dag van vandaag onbekend is waarom ze haar ouders als eerste om het leven bracht. Het antwoord nam ze mee in haar graf.

Goeie Mie was een soort Engel des Doods, ook al geen onbekend fenomeen in Nederland. Al in de jaren zestig doodde Dikke Frans, de «spuitreus», in Kerkrade acht patiënten met insuline-injecties. Bij hem thuis werden gouden ringen en portemonnees van de slachtoffers gevonden. Zijn advocaat betoogde dat Frans de patiënten een zachte dood wilde geven. Dat voerde ook Martha U. aan, de verpleegkundige die begin jaren negentig wereldnieuws werd door vier bejaarden in een verpleeg instelling in Delfzijl om het leven te brengen met een insulinespuit. Martha U. zei uit naastenliefde te hebben gehandeld. Tijdens de rechtszaak zei ze over een 56-jarige vrouw: «Ze keek me smekend aan. Toen ik haar vroeg: ‹Zal ik je erbij helpen?› werd ze rustig. Ze keek me indringend aan, alsof ze ja wilde zeggen.» Van Gestel citeert uit een psychologisch rapport over Martha U. van het Pieter Baan Centrum: «Het verlenen van zorg is voor Martha niet alleen idealistisch, er zit ook macht in. Ze wil beschikken over leven en dood: de ultieme macht.»

Martha U. leed volgens de voormalige verpleegkundige Paula Lampe aan het Moeder Teresa-syndroom. In Het persoonlijke motief in de hulpverlening (2002) betoogt Lampe dat hulpverleners een zekere drang hebben anderen te helpen door zichzelf op te offeren. Bij sommige mensen die te kampen hebben met jeugdtrauma’s kan de neiging tot hulpverlening zich omzetten in dwangneuroses. Ze hunkeren naar iets wat de leegte in hun eigen leven kan vullen. Dat vinden ze in de hulpverlening. Lampe: «Door stakkers heil te brengen, voel je je aan het eind een beter mens.» De «algemene herkenningstekens» van het syndroom: een overdreven verantwoordelijkheids gevoel, de neiging tot verslaafdheid, angstgevoelens, dwang matig gedrag, lage eigenwaarde, niet tegen kritiek kunnen, controle willen houden en manipulatie van anderen.

Het ultieme voorbeeld van een ontspoorde hulpverlener is Harold Shipman (53), de Britse arts die mogelijk 297 moorden op zijn geweten heeft. Lampe signaleert een trauma in Shipmans verleden: in zijn examenjaar van de middelbare school overleed zijn moeder na een langdurige ziekte waarbij zij sterke morfine-injecties kreeg. Opvallend is dat Shipman nooit bekende. Hij deed tijdens zijn aanhouding en in de rechtszaal zijn mond bijna niet open. Als hij dat wel deed, viel op hoe «arrogant en superieur» hij zich gedroeg. Na de zaak zei de aanklager: hij doodde omdat hij macht wilde over leven en dood.

Lucy ontkent dat ze heeft gemoord. Wanneer de rechters haar polsen over specifieke incidenten rond haar voormalige patiënten luidt haar reactie steevast: «Dat herinner ik me echt niet meer.»

Liegt ze? Is ze werkelijk een seriemoordenaar zoals het Openbaar Ministerie aanvoert? Luisterend naar Lucy komt bij je op dat het ondenkbaar is dat een mens de dood van een ander vergeet wanneer deze plaatsvindt in zijn aanwezigheid. Navraag bevestigt de vermoedens: zelfs de meest ervaren artsen en intensive care-werkers herinneren zich nog jaren — misschien hun hele leven — de momenten waarop het leven van een zieke of gewonde door hun vingers weggleed. Dat Lucy niet meer zou weten hoe het is gegaan rond de dood van een baby met een hartafwijking terwijl zij dienst had, is menselijk beschouwd onmogelijk. Of toch niet? In ieder geval gelooft Lucy zichzelf. En ze is uitdagend; haar reacties («Ik zou het écht niet weten») grenzen aan arrogantie. Je betrapt jezelf erop dat je haar kant kiest, vanwege de lusteloze vragen van de Haagse rechtbank, maar ook door de inherente onmogelijkheid van het drama dat zich afspeelt in zaal F.

Het werkelijkheidsgehalte van de zaak vertroebelt verder wanneer een gerenommeerde expert op dit gebied komt opdraven als getuige-deskundige. De FBI-psycholoog en gedrags wetenschapper Alan Brantley lijkt weggelopen uit een film: grijs pak, grijs haar, strenge blik. Een vader-held die het onverklaarbare komt verklaren. Uit Brantleys betoog blijkt dat de verpleegkundige als seriemoordenaar een onverdraaglijk idee mag zijn, maar dat het fenomeen zich toch steeds vaker manifesteert. Intrigerend aan zijn boodschap voor de rechtbank is dat alle soorten seriemoordenaars in hun diepste wezen hetzelfde zijn. Brantley: «Belangrijk is te weten dat seriemoordenaars worden gemaakt door de omgeving.»

Het begint al vroeg. Bijna alle seriemoordenaars hebben een geschiedenis van seksuele of lichamelijke mishandeling. Hun ouders zijn gewelddadige rolmodellen die ofwel in het echt bij hen weggaan ofwel hen op symbolische wijze in de steek laten door drank- of drugsverslaving. Ze ontwikkelen woede, voelen zich depressief en beschouwen zichzelf als een slachtoffer. Ze hebben problemen met het onderhouden van relaties. Ze voelen dat hun leven minder waard is dan dat van anderen. Dikwijls zijn ze suïcidaal. De symptomen zijn innerlijk: droefheid, apathie, lethargie. De volgende stap: het besef dat ook het leven van anderen weinig waard is. Deze gewaarwording wordt een obsessie; de seriemoordenaar is niet in staat zich eroverheen te zetten. In plaats hiervan ontwikkelt hij een dwangneurose, een pervers gevoel van bevrediging wanneer een positie van macht over anderen wordt verkregen. Een moord gepleegd in het geheim neemt de vorm aan van een prestatie. Door het moorden ervaart de seriemoordenaar een ontlading van spanning. Hij voelt zich beter. Zoals bij een verslaving dient dit hele proces te worden herhaald.

Het begint met dromen over de daad. Seriemoordenaars hebben een rijke fantasie. Vaak treffen onderzoekers bij seriemoordenaars documentatie aan in de vorm van dagboeken en video- en audio-opnamen. Bij Lucy stuitte het Openbaar Ministerie op dagboeken die ze schreef tijdens haar verblijf in Canada, waar ze op jonge leeftijd de prostitutie inging. Brantley mocht een deel van de dagboeken lezen. In de rechtszaal verwijst de officier van justitie naar het begin van een fictieverhaal van Lucy’s hand waarin de ik-persoon een man is die twee andere mannen om het leven brengt. Volgens Brantley stelt de fictievorm de schrijver in staat zich te identificeren met een moordenaar. Een verder «gevaarteken» in de tekst is het erotiseren van het geweld: de dader in Lucy’s verhaal masturbeert op de lijken van zijn slachtoffers. Bij de seriemoordenaar is de functie van dit soort verhalen zelfanalyse; hij wil weten wat er met hem aan de hand is, wat hem motiveert. Brantley: «De seriemoordenaar begrijpt dat zijn daden verkeerd zijn. En hij probeert zich te veranderen — door zelfanalyse.»

Verzon Lucy zichzelf, omdat niemand anders dat voor haar deed? Is zij de man in haar verhaal en droomde zij vanuit mannelijk perspectief over moorden? In de bibliotheek waar ze boeken over seriemoordenaars ging lenen (en stelen), zou ze in elk geval weinig fictieverhalen over vrouwelijke seriemoordenaars aantreffen.

Cultuurcritica Camille Paglia signaleert in Sexual Persona dat vrouwen geen lustmoorden plegen waarbij, in de definitie van Markies de Sade, de daad een orgasme veroorzaakt bij de dader. Paglia schrijft: «Seriemoord is net als fetisjisme een mannelijke perversie. Het is een criminele daad die mannelijk is qua organisatie en ontspoord egotisme. Het is de antisociale equivalent van filosofie, wiskunde en muziek. Er bestaat geen vrouwelijke Mozart, omdat er geen vrouwelijke Jack the Ripper bestaat.» Wel vindt Paglia gravin Erzsébet Báthory «een van de meest intrigerende vrouwen in de geschiedenis». Het is mogelijk dat Erzsébet — de archetypische lesbische vampier in horrorfilms — seksueel opgewonden werd van de 650 moorden op jonge maagden. Maar volgens Paglia wilde ze eigenlijk alleen maar jong blijven door in hun bloed te baden. Paglia citeert Freud: «Vrouwen vertonen weinig behoefte aan het degraderen van het seksuele object.»

Iemand die met Paglia van mening zou verschillen is Ian Brady, neonazi, aanhanger van Markies de Sade en berucht vanwege de Moors-moorden in de jaren zestig in Engeland. Samen met de achttienjarige typiste Myra Hindley verkrachtte en vermoordde Brady vijf kinderen en begroef hij de lijken in de omgeving van Saddleworth Moor. Lang werd gedacht dat Myra een willoze handlanger van Brady was. Maar in januari 1990 schreef Brady in een open brief aan de pers dat Myra actief meedeed aan de moorden. Zij was bijvoorbeeld degene die Pauline Reade op 12 juli 1963 verwondingen toebracht aan neus en voorhoofd. Tevens vergreep Myra zich seksueel aan het meisje. Ook zou ze het tienjarige meisje Lesley Ann Downey hebben gewurgd met een koord terwijl Brady haar verkrachtte.

Als Myra niets kan betekenen in Paglia’s speurtocht naar een vrouwelijke seriemoordenaar — en in het verlengde hiervan de speurtocht naar een vrouwelijke Mozart — dan bieden twee andere teksten uitkomst: Coppola’s Dracula (1992) en de film Angel of Vengeance (1984) van Abel Ferrara. Wanneer Jonathan in de eerste film probeert te ontsnappen uit het kasteel in de Karpaten wordt hij belaagd door duivelinnen, ongetwijfeld afstammelingen van gravin Erzsébet Báthory. Hun doel: seks en bloed. Slechts door tussenkomst van de graaf ontsnapt Jonathan aan de bovennatuurlijke seriemoordenaars. De scène wordt afgesloten met rituele moord en het kannibaliseren van een baby door de vrouwenmonsters.

De boeiendste duivelin van de moderne tijd is Thana in Ferrara’s film over vrouwelijke wraak in de grote stad. Thana (thanatos, de dood) ontpopt zich tot seriemoordenaar nadat ze op een dag wordt verkracht en daarna een inbreker in haar huis aantreft. Met het pistool van de inbreker gaat ze ’s avonds op jacht naar mannen en knalt ze neer. Belangrijk is dat ze een soort seksuele bevrediging haalt uit haar nieuwe rol — met een ironische tint. Ze kleedt zich namelijk als een vampier: wit gezicht, rode lippen, zwarte kleding. In de scène waarin ze zich voorbereidt op nog een avond van moord, neemt ze voor de camera een uitdagende houding aan. Ze doet schietbewegingen met het pistool, alsof het gaat om een daad van zelfbevrediging.

Wat Coppola en Ferrara goed in hun films laten zien is de transformatie van timide vrouw tot moordmachine. De dames Lucy en Mina in Dracula zijn elkaars tegenpolen. Lucy is een extraverte, seksbeluste tiener die weinig op heeft met Victoriaanse waarden. Als ze verandert in een vampier is de transformatie niet al te groot; ze is alleen maar de verwerkelijking van haar seksdromen. Anders is dat bij Mina, die van een schattig huisvrouwtje verandert in een killer. Zo zijn Mina en de moordende engel Thana op visionaire wijze monsters van de moderne tijd. De werken waarin ze voorkomen zijn bezig een genre te veranderen waarin mannen lang heer en meester waren, waarin de teksten een zelfanalyse vormden van een seriemoordenaar. De analyse is reflexief — de seriemoordenaar personifieert het kwaad in de mens en in de maatschappij. Vrouwelijke seriemoord is een teken des tijds. In de herinnering komt een opmerking van de oude duivelsvanger Van Helsing: «Madam Mina, our poor, dear, Madam Mina, is changing.»