TELEVISIE De staat van ontkenning;  Zomergasten

MOORE & VAN GENNEP

Recent schreef ik lovend over De staat van ontkenning van Hedda van Gennep, een voor de Joodse Omroep gemaakte documentaire die daar, na paleisrevolutie, op de plank belandde. Van 30 september tot 2 oktober op het Utrechts Filmfestival te zien. Prompt stelde de SP Kamervragen over verspilling van publiek geld. Even waande ik me razende reporter in plaats van de mijmeraar die ik hier pleeg te zijn – al had ik niet geschreven over omroepperikelen maar over de inhoud. Een inhoud waar het de SP natuurlijk ook om ging.
Een dag later opende NRC’s Cultureel Supplement met een vernietigende beoordeling van diezelfde documentaire. Raymond van den Boogaard maakt een vergelijking met het werk van Michael Moore (samenzweringstheorie, onbewezen beschuldiging, associatief en moralistisch maar weinig feitelijk) om vast te stellen dat Van Gennep veel erger is dan Moore: bij Moore valt er nog iets te discussiëren of verifiëren, maar Van Genneps ‘malicieuze suggestie’ en ‘opportunistische agitprop’ maakt haar epigoon van Geert Wilders (Fitna). Vermoedelijk heeft Van Gennep weinig bezwaar tegen vergelijking met Michael Moore gezien diens type stellingname. Mij lijkt dat, sinds ik vorige week in Import van de VPRO Manufacturing Dissent zag over Moore’s waarheidsliefde, inderdaad een dubieus compliment (of ik moet net zo hard in deze Canadese documentaire tuinen als ik in die van Moore deed). Maar vergeleken worden met Wilders, lieve hemel. Had ik me zo vergist?
Volgens Bas Heijne in NRC’s Opinie en debat een dag later niet, hoewel ook hij die Fitna-vergelijking maakt inzake het openingsdeel, waarschijnlijk mede doelend op het noemen van namen van Srebrenica-doden, direct overgaand in het voorlezen in de Hollandse Schouwburg van die van joodse vermoorden. Ook niet mijn stijl. Maar overigens ziet Heijne in De staat van ontkenning een film over ‘Nederland zelf – over ons. Over onwil en onvermogen eigen misstappen en ontsporingen onder ogen te zien, om werkelijk aan zelfonderzoek te doen.’ Heijne noemt de film een ‘afrekening met morele zelfgenoegzaamheid’. En inderdaad gaat die over ‘de neiging tot ontkenning van humanitaire catastrofes en de verdringing van de schuldvraag’, zoals in de omschrijving van het Filmfestival staat. Enfin, zelden ziet men in de kwaliteitskrant twee zo sterk tegenovergestelde visies van prominente medewerkers. En zelden las ik een zo demagogische analyse van een film uit verontwaardiging over demagogie.
Bas Heijne, kent de kijker die niet ergens van? Jawel, hij was zomergastheer. Voor het eerst in jaren niet over dat programma geschreven. Om praktische redenen, al speelde iets van verwarring mee. Niet veroorzaakt door Heijne en gasten maar door de receptie van hun optredens – even diametraal tegenovergesteld als Van den Boogaard en Heijne inzake De staat van ontkenning. Neem Volkskrants mediapagina. Na de avond met Annemarie Prins werden formule en presentator dood verklaard, met speciale dank aan de gaste, terwijl de tv-recensent blijkens de kolom ernaast een boeiende avond had beleefd.
En precies zo lag het in mijn omgeving. Dus hak ik de knoop door: Zomergasten moet blijven, in saecula saeculorum. Met goede en slechte gasten. En Heijne mag, als hij zou willen, opnieuw. Het is zijn stiel niet echt (van wie wel?), het zijn zijn gasten niet altijd (van wie wel?). Maar zijn bezoeker in de laatste uitzending, Joop van den Ende, kreeg dankzij Heijne’s niet polemische maar subtiel kritische benadering volop mogelijkheid zich te tonen als wie hij is: een weinig smaakvolle man met een hang naar Hogere Cultuur; bewonderaar van de roomse rotstreek van Verhagen inzake de AOW (met Bos ben je de klos – een dag na uitzending bleek je ook met Verhagen de klos); een laffe Pontius Pilatus inzake tv-smaakvervuiling (het volk en John de M. wilden het – hij niet). Keihard en sentimenteel tegelijk; een onaangename en niet altijd ongevaarlijke combinatie.
De staat van ontkenning is van 30 september tot 2 oktober te zien op het Utrechts Filmfestival