Moppentherapie

Hij wekt de Britten al twintig jaar met zijn vrolijke maandagopeningen op de BBC radio. ‘Het interesseert mensen niet of de spiritualiteit die je ze geeft joods, christelijk of boeddhistisch is.’ Een interview met Lionel Blue, de marxistische rabbijn.
JACQUES DERRIDA IS er in 1991 over begonnen. Hij vroeg zich af welke betekenis de denkbeelden van Marx in deze tijd nog konden hebben. Voor Lionel Blue, voormalig marxist, was dat ook een kwestie. Zijn advies aan vertwijfelde ex-marxisten komt uit een heel andere traditie: de leer van de rabbijnen van de Misjna.

Blue was onlangs in Amsterdam op uitnodiging van De Rode Hoed, dat een debat had georganiseerd over de erfenis van Karl Marx. Aanleiding vormde Derrida’s boek Spectres de Marx (‘Spoken van Marx’), waarin hij de marxistische beginselen herijkt op hun nut voor toekomstige generaties. Blue gaf een lezing over de joodse wortels van het marxisme en zijn eigen ervaringen als klein jongetje in een marxistisch milieu.
De rabbijn uit Londen wordt dit jaar 65 en heeft een actieve loopbaan achter de rug. Hij was jarenlang rabbijn van een liberaal-joodse gemeente in East End en werkte daarnaast als voorzitter van de liberaal- joodse religieuze rechtbank van Groot- Brittannie. In de jaren zestig richtte hij de Permanente Conferentie voor Interreligieuze Dialoog op, een organisatie waarin joden, christenen en moslims elkaar ontmoeten. Aan het Leo Baeck College in Londen, de liberaal-joodse rabbijnenopleiding, doceert hij vergelijkende godsdienstwetenschap.
In Engeland is de goedlachse en geestige Blue vooral bekend van radio en tv. Al twintig jaar houdt hij elke maandagochtend een radiopraatje. Daarnaast is hij regelmatig op de televisie te zien in discussieprogramma’s over religieuze zaken. Vorig jaar vertelde hij bijvoorbeeld op de tv over zijn coming-out als homoseksueel in het joodse milieu van de jaren vijftig.
'HA! GINGER CAKES!’ roept hij uit wanneer hij onvervalste Amsterdamse gemberbolussen krijgt voorgezet. Lionel Blue houdt van eten en vooral van zoetigheid. Hij schreef zelfs een kookboek. Over koken en eten hebben wij het echter niet deze middag; wij gaan het hebben over de toekomst van het marxisme en jodendom.
Blue: 'Ik kwam vroeger veel in Nederland. Ik ben lang religieus directeur geweest van de organisatie van liberaal-joodse gemeenten in Europa. De voorzitter van het Europese bestuur was rabbijn Jacob Soetendorp in Amsterdam, een van de drijvende krachten achter de heropleving van het progressieve jodendom na de oorlog. Hij geloofde in de wederopbouw van het jodendom in Europa, in een periode waarin de meeste mensen dachten dat het afgelopen was. Ik was het met hem eens. Daarom konden we het goed samen vinden. En ik kon hier in Amsterdam openlijker voor mijn homoseksualiteit uitkomen - dat was in Engeland onmogelijk.
Ik ben in 1930 geboren in het Londense East End, in een arme familie. Mijn grootouders waren uit Rusland gekomen; op weg naar de Verenigde Staten waren zij als zovelen in Londen blijven hangen. Thuis waren wij zowel marxistisch als streng orthodox. Mijn vader was een kleermaker die meestal geen werk had. Mijn grootvader repareerde laarzen. Het was een ruwe tijd in East End: de vluchtelingen uit Duitsland kwamen van de boot en de fascisten marcheerden door de straten.
Mijn ouders wilden dat ik advocaat zou worden, uit het getto zou ontsnappen. Maar ik wilde revolutionair worden, of kibboetsnik. Ik was lid van alle linkse jeugdorganisaties en wilde naar Israel. Mijn ouders verboden mij dat. Ik kreeg een beurs voor Oxford en ging geschiedenis studeren. En in 1950 ervoer ik - tot mijn eigen verbazing - voor het eerst religieuze gevoelens. Ik ben langs allerlei kerken gegaan en heb er zelfs over gedacht een anglicaanse monnik te worden. Toen ik het mijn ouders vertelde, dreigden ze eerst zelfmoord te plegen, vervolgens stuurden ze me alsnog naar Israel.
Ik had altijd verwacht dat de aankomst in Israel zou voelen als een thuiskomst, maar dat was niet zo. Ik had veel heimwee naar Engeland en realiseerde me dat ik gewoon een Engelse jood was. En dat ik daar maar beter aan kon wennen. Ik was bijna afgestudeerd toen ik in de krant een advertentie zag waarin joodse jongens werden gevraagd met interesse in een loopbaan in het liberaal-joodse rabbinaat. Ik werd geaccepteerd - ik had ze niet alles over mijzelf verteld. Eigenlijk is dit het beste geweest dat mij ooit is overkomen.’
IN DE JAREN vijftig leed Blue onder zijn homoseksualiteit; tegenwoordig ziet hij het als vormende factor van zijn bestaan. Blue: 'Ik heb noodgedwongen altijd de positie van buitenstaander ingenomen, vanwege mijn homoseksualiteit. Dat is mijn kracht geworden. Als je gelukkig getrouwd bent, met twee kinderen, een huis in een buitenwijk, een auto en een hond, ben je geneigd te denken dat de hele wereld er zo uitziet. Maar als je een buitenstaander bent, krijg je oog voor andere buitenstaanders, of dat nu gaat om eenoudergezinnen of aidspatienten.
Ik ben lang rabbijn van mijn eigen gemeente in East End geweest. In de loop der tijd ben ik mij steeds meer gaan toeleggen op ziekenhuisbezoek en de organisatie van retraites. Ik werk met alcoholisten en mensen met HIV. Als je aids hebt, heb je een sterkere religie nodig dan alleen standaardritualisme. Ik vind het prettig met deze mensen te werken, want zij hebben geen tijd voor flauwekul.
Ik kwam heel toevallig bij de BBC terecht. Al twintig jaar maak ik de mensen wakker op maandagochtend. Het idee was in het begin dat ik talmoed-traktaten zou bespreken. Maar ik moest er niet aan denken om mensen in zulke economisch moeilijke tijden, terwijl ze misschien die dag te horen krijgen dat ze zijn ontslagen, lastig te vallen met Talmoed-traktaten. Liever gaf ik gewoon common sense-adviezen, met een grap er tussendoor. Grappen zijn erg therapeutisch. Mijn radiogemeente bestaat uit leden van alle gezindten en veel ongelovigen. Bij die mensen kun je niet aankomen met wat de rabbijnen gezegd hebben of wat er in de bijbel staat. Daarom spreek ik over mijn eigen ervaringen. Het hoeft niet heilig te zijn, maar wel relevant.
Afgelopen maandag vertelde ik een anekdote over mijn vader. Mijn vader werkte altijd langzaam. Als mensen tegen hem zeiden dat hij harder moest werken, zei hij dat hij niet harder kon. “Maar God heeft de wereld in zes dagen geschapen”, antwoordden de mensen. “Kun je nagaan”, zei mijn vader dan. “De wereld is een rommeltje.”
Deze anekdote had ik ook gebruikt tijdens een retraite met aidspatienten, want het leven heeft hen een loer gedraaid. Een vrouw vertelde me toen dat zij, sinds zij aids heeft, de wereld bedankt voor alles wat zij ’s ochtends nog kan. Dat vond ik vreemd, want zoveel kan zij niet meer. Maar ik dacht: laat ik het ook eens proberen. Dus ik dankte voor alles: voor mijn pap, de bridgerubriek in de krant en dat soort dingen, tot ik bij een dankgebed voor het leven zelf uit kwam. Ik merkte dat het voor mij werkte. Ik besloot mijn verhaaltje met een wenk voor de christelijke luisteraars, die tijdens de vasten voor Pasen geen vlees mogen eten: “Dank voor de koude gebakken bonen en de verbrande toost, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest - en het zal veel beter smaken.”
Ik praat nooit over interne problemen van de joodse gemeenschap - de meeste niet-joden hebben al genoeg problemen zonder dat ik ze daar ook nog eens mee lastigval. En ik probeer het jodendom niet te verkopen. Ik denk dat iedereen in zichzelf religie kan vinden.
Je weet dat vliegvelden meestal een kapel hebben? Vroeger ging ik daar wel eens naar toe om te mediteren en te bidden. Als ik klaar was, ging ik naar de boekenplank met bijbels om elk derde boek op zijn kop te draaien. Als ik dan negen maanden later terugkwam, stonden ze er nog net zo. Waarmee ik maar wil zeggen dat de heilige boeken de mensen niet meer aanspreken.’
OOK ONGELOVIGEN zijn op zoek naar spiritualiteit. Dat de zoektocht naar het hogere voor veel mensen eclectisch verloopt, kan hem niet schelen. Blue: 'Atheisten en agnosten weten ook heel goed dat geluk niet alleen te maken heeft met materiele dingen. Je hoeft niet religieus te zijn om te weten dat spiritualiteit belangrijk is. Ik denk niet dat het mensen interesseert of de spiritualiteit die je ze geeft joods, christelijk of boeddhistisch is. Ze willen weten of het werkt. Als het werkt, nemen ze het aan. Ik ben er niet voor om mensen te vertellen hoe ’t moet, ik ben er alleen om dingen aan te reiken. Vroeger was religie iets wat van buiten, van boven werd opgelegd. Ik denk dat religie iets zou moeten zijn wat van binnen komt. Religie zou kunnen leren van psychoanalyse. Net zoals in een psychotherapie een patient zelf tot het inzicht moet komen, zo moeten mensen ook met behulp van hun eigen ervaringen tot religie komen.
De twintigste eeuw is een revolutionaire tijd geweest, zeker voor het jodendom. Kijk naar de demografie, naar waar joden aan het begin van de eeuw woonden en waar zij nu wonen. Seksualiteit, sociale structuren, alles is anders. Onze verhouding met de mensen om ons heen is ook veranderd. Door die veranderingen stellen de meeste joden tegenwoordig hun eigen bloemlezing samen uit de joodse traditie, of de rabbijnen het daar nu mee eens zijn of niet.
We bevinden ons in een soortgelijke periode als de tijd na de Tweede Tempel. We zijn weer terug bij de tijd van de Misjna, de vroege talmoed, toen er een beroep werd gedaan op de toenmalige leiders om te vertellen hoe het jodendom verder moest zonder tempel en zonder hoofdstad. Het is tijd dat de rabbijnen en de religieuze leiders weer terug naar school gaan. Want we moeten een nieuwe weg inslaan. We moeten ons afvragen: wat betekent het jodendom in een open maatschappij? Wat is het nut van het jodendom in Europa? Want elke groep die een doel heeft, blijft samen. Dan heb je een identiteit. Als je geen doel hebt en je je opstelt als een museumstuk dat Fiddler on the Roof-liedjes zingt, ga je regelrecht op je spirituele einde af. Het jodendom moet zich afvragen wat het aan de wereld kan geven, want alleen als je iets te geven heb, overleef je.
Joden hebben een heleboel te geven. Er zijn joodse moppen. Nu zullen een heleboel joden denken: “He bah, wat banaal”, maar in feite zijn onze grappen heel therapeutisch. Ze maken mensen vriendelijker. En het jodendom heeft goede ceremonien om van een huis een thuis te maken. Als we die vereenvoudigen en universeler maken, heeft iedereen er iets aan.
Ik denk dat het belangrijk is geweest dat het jodendom de idee van de Gouden Tijd en het Paradijs naar een tijd in de toekomst heeft verplaatst. Het Paradijs is een toestand die nog voor ons ligt, die we kunnen bereiken - mits we er maar hard genoeg voor werken. Hetzelfde geldt voor het marxisme. Dat idee is een van de dynamo’s van het jodendom. We moeten een manier vinden om de energie van het messianisme te behouden, zonder het te mythologiseren. Want het is gevaarlijk. Je bent al gauw geneigd naar die Gouden Tijd voort te ijlen - zonder je rekenschap te geven van het feit dat het doel nooit de middelen heiligt.’
En het marxisme?
'Je moet met het marxisme hetzelfde te werk gaan als met godsdienst. Fundamentalistische religies en quasi-religieuze groepen zeggen dat je hun hele pakket moet nemen. Alle fundamentalismen hebben dat met elkaar gemeen. Ik geloof dat we alles waarvan we geleerd hebben dat het werkt, moeten samenvoegen: de kennis van de psychoanalyse, de kennis van de religie, de kennis van onze eigen ervaringen. Na de oorlog is er geen nieuwe ideologie ontstaan. Daarom moeten we kijken naar de brokstukken van alles wat we over hebben van het marxisme en zien of we er nog gebruik van kunnen maken. Dat is een heleboel werk en doet me nog het meest denken aan de taak van de rabbijnen van de Misjna, die ook met de brokstukken overbleven. Zij hebben vele tradities samengebracht en nieuwe vormen gevonden. Geen van de instituties die wij nu in het jodendom kennen, bestond in bijbelse tijden. Het rabbinaat en de synagoge zijn oplossingen die de rabbijnen hebben bedacht om zich aan de nieuwe situatie aan te passen.
De marxisten kunnen een voorbeeld nemen aan die rabbijnen. Je moet wel veel pragmatischer zijn over religie en ideologie dan de ouderwetse marxisten ooit zijn geweest. Het erfgoed van het marxisme moeten we goed bewaren: de aandacht voor de armen en de verdrukten, de kracht die het mensen gaf, of je nu de kibboetspioniers in Palestina neemt of Rosa Luxemburg. De liefde voor de medemens moet je behouden, de rommel opruimen: het gemanipuleer met de woede over de zogenaamde klassevijand, het gebrek aan begrip voor wat godsdienst en psychoanalyse te bieden hebben en de vreselijke kunst die het marxisme heeft voortgebracht.’
Hoe marxistisch bent u zelf nog?
'Niet zo erg. Het marxisme heeft mijn jodendom beinvloed. Maar ik doe naiet aan economie. Wat voor mij het belangrijkste is, is het universele van het marxisme, in tegenstelling tot het particularisme van sommige vormen van jodendom.’
WAT BETEKENT Israel voor u?
'Toen ik in 1950 uit Israel terugkeerde naar Engeland, was dat uit heimwee, maar ook omdat ik voelde dat mijn toekomst meer in Europa lag. Sindsdien heb ik mij altijd proberen in te zetten voor de joods-christelijke-islamitische dialoog. Met in mijn achterhoofd ook de hoop dat als wij in Europa een prototype maakten van religieuze tolerantie, dat dat ook het Midden-Oosten zou helpen.
Toen ik in de jaren vijftig verschillende Europese landen bezocht, ontmoette ik joden die zich erg hadden teruggetrokken in hun eigen kring. Zij zagen niet dat er een heel leger van islamitische gastarbeiders naar Europa kwam. Terwijl dat mij wel opviel als ik in Berlijn of in Dusseldorf was. Ik had in die tijd weinig geld, dus ik reisde altijd met de goedkoopste treinen en ik heb heel veel tijd op perrons doorgebracht met mensen die net uit Marokko kwamen. Dat bracht me tot het besef dat wij, joden, ons zouden moeten verdiepen in de moslims die in Europa kwamen wonen. Daaruit is de Permanente Conferentie ontstaan.
Het is altijd een kleine organisatie gebleven, maar ze bestaat nog steeds. Twee dingen brachten ons toch telkens weer samen: we waren allen religieus, en daarnaast waren joden en moslims beiden minderheden, met vergelijkbare problemen met integratie. De moslims waren geinteresseerd om te horen hoe joden hun religieuze rechtbanken en dergelijke organisaties gestalte gaven. En ik had respect voor de moslims die het in die tijd aandurfden om met joden aan een tafel te zitten. Christenen die joden en moslims ontmoeten, dat vindt iedereen vanzelfsprekend. Een rabbijn die moslims ontmoet, krijgt het al veel moeilijker. Ik ben meer dan eens uitgescholden voor Arabierenvriend. Maar daar kon ik wel mee overweg. Maar moslims moesten nog sterkere tegenstand overwinnen om met ons aan een tafel te zitten.
Het was voor ons van het grootste belang dat studenten aan de rabbijnenopleidingen en moslimstudenten die voor imam leerden, elkaar zouden ontmoeten en elkaar zouden leren kennen. Een nieuwe generatie van religieuze leiders die elkaar persoonlijk kennen, kan de landkaart veranderen.’