Hans Achterhuis

Moraal in de politiek

Intenties van handelen zijn van minder belang dan consequenties, stelt Hans Achterhuis in zijn ‘Politiek van goede bedoelingen’.

Bij aanvang van de ‘humanitaire interventie’ in Kosovo stelde Clinton dat het Atlantisch bondgenootschap drie doelen nastreefde: de verdediging van de mensenrechten, een einde aan de gewelddadigheden en de verwezenlijking van een multi-etnische samenleving in Kosovo. De hoogleraar systematische wijsbegeerte Hans Achterhuis constateert in zijn jongste essay Politiek van goede bedoelingen dat na de ‘overwinning’ geen van deze doelstellingen is bereikt. Pas nadat de eerste bommen vielen, werden de mensenrechten op grote schaal geschonden en direct op de verdrijving van het Servische leger volgde de etnische zuivering van Kosovaarse Serviërs.


Achteraf kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de Navo heeft gefungeerd als de luchtmacht van het UCK. Dat kan nooit de bedoeling zijn geweest. Nee, de Navo had goede bedoelingen, maar, zo luidt Achterhuis’ betoog, in de politiek zijn goede bedoelingen per definitie misplaatst. Of het nu ontwikkelingswerk, sociaal-economisch beleid of internationale politiek betreft: een politiek van goede bedoelingen is altijd gedoemd te mislukken. In navolging van Ahrendt en Machiavelli stelt Achterhuis dat het hart een slechte politieke raadgever is. Sterker: goede bedoelingen bewerkstelligen eerder het tegenovergestelde van hetgeen is beoogd.


‘Wie de slachtoffers centraal stelt zonder naar de politieke context te kijken kan wel eens meer slachtoffers maken dan helpen’, staat met koeienletters op de achterflap van het essay. Wie armen wil helpen, creëert meer armoede, wie Afrikanen meer onafhankelijkheid wil bieden, maakt ze afhankelijker. Het is dit perversiteitsargument waar Achterhuis zich in zijn Politiek van goede bedoelingen voortdurend van bedient.


Het verbaast Achterhuis niet dat er in de Navo-lidstaten nauwelijks discussie op gang kwam naar aanleiding van het falende beleid. Het ging de westerse wereld namelijk niet om de consequenties van het ingrijpen, maar om de intenties, en die waren nobel. ‘Er moest toch iets gebeuren.’


Maar voor Achterhuis is er in de politieke arena geen plaats voor de moraal. Machiavelli gaf het al in zijn vorstenspiegel Il Principe (De heerser): het gaat in de politiek om manieren van macht verkrijgen en handhaven. Omdat men niet aan dit inzicht wil, wordt politiek, volgens Achterhuis ten onrechte, als verlengstuk van de moraal gezien. De werkelijke redenen om een oorlog in Kosovo te voeren waren van geopolitieke aard. Daarnaast moest de geloofwaardigheid van de Navo worden gered. Het is altijd hetzelfde lied: goede bedoelingen verhullen ware bedoelingen.


Het is de kracht van Achterhuis’ betoog dat hij de lezer ervan weet te overtuigen dat intenties van handelen van minder belang zijn dan consequenties. Wie we zijn wordt zichtbaar in ons handelen en niet in onze bedoelingen. Die inzichten zijn overigens niet voortgekomen uit Achterhuis’ ‘innerlijke behoefte om een ingewikkelde maatschappelijke werkelijkheid te begrijpen’. Hij kende ze al via het werk van Ahrendt, Machiavelli en hedendaagse collega’s en heeft ze al eerder en krachtiger uiteengezet in vorig werk, toen zonder Navo-interventie in Kosovo.



Hans Achterhuis, Politiek van goede bedoelingen. Uitg. Boom, 144 blz., ƒ34,50