Moralist op pillen

DE EERSTE ZIN is beroemd: ‘We were somewhere around Barstow when the drugs began to take hold.’ Waarna de beschrijving volgt van een onvervalste paranoia-aanval, op gang gebracht door een explosief mengsel van mescaline, acid, hasj, speed en tequila. Vleermuizen en gevaarlijk grote mantelroggen vliegen op klaarlichte dag tegen de voorruit van de felrode Chevy convertible. Dit alles gezien door de ogen van Raoul Duke, journalist, op weg naar Las Vegas om de jaarlijkse Mint 400 race, een endurance wedstrijd voor motoren, te verslaan. Aan zijn zijde bevindt zich zijn ‘300 pond wegende Samoaanse advocaat’, Dr. Gonzo, die er ook nodig ‘tussenuit’ moet.

Twee groteske figuren op zoek naar het ‘hart van de Amerikaanse Droom’, aangedreven door drank, drugs en een surreëel overspannen verbeelding. Voor Terry Gilliam, voormalig Monty Python-lid, regisseur van bizarre, kafkaeske producties als Brazil, Twelve Monkey’s, Time Bandits en The Adventures of Baron von Munchausen, leek de verfilming van Fear and Loathing in Las Vegas (de tekst werd in 1971 in afleveringen gepubliceerd in het hippe tijdschrift Rolling Stone) een kolfje naar zijn hand. In de schrijver en cartoontekenaar Gilliam zou Thompson (1937) eindelijk de 'perfect match’ voor zijn onverfilmbaar geachte klassieker hebben gevonden. De in Thompsons stukken vaak uitgewerkte idee dat ontsporende gekte voor scherpzinnige en gevoelige mensen de enige manier is om met de 'waanzin van de hedendaagse wereld’ om te gaan, zou bij iemand als Gilliam de vereiste weerklank vinden. Gilliam was de aangewezen regisseur om die gekte overtuigend op het witte doek te verbeelden. Het resultaat mocht er wezen: bij de première op het filmfestival van Cannes, vorig jaar, werd de film unaniem neergesabeld als een groteske mislukking. HET IS ONTEGENZEGLIJK waar; wie het boek niet kent zal op geen enkele manier toegang krijgen tot de volkomen van zichzelf en hun omgeving vervreemde Raoul Duke (Thompsons alter ego) en Dr. Gonzo. De film mist dramatische spanning, de gekte van de hoofdfiguren blijft voornamelijk de gekte van de hoofdfiguren, en de door mescaline en ether opgeroepen paranoïde visioenen worden door de kijker nauwelijks als bedreigend ervaren. Wie kijkt er na dertien afleveringen van Weekend of Terror nog gek op van hotelloungebezoekers die in monsterlijke hagedissen veranderen of van een poging tot zelf-elektrocutie in de badkuip met een ingeschakelde transistorradio? Gilliams pogingen om de mindexpanding effecten van acid op het celluloid te krijgen, komen niet in de buurt van die hallucinerende trip op het kerkhof in Easy Rider, waarin het ritmisch gebeuk van heipalen en de wezenloze blik van Peter Fonda de ware inhoud van de geestverruimende ervaring overtuigend tot uitdrukking brachten. Valt er dan helemaal niets te beleven aan de verfilming van Fear and Loathing? Toch wel. De film heeft door de groteske speelstijl (Johnny Depp wankelt met een fantastisch Groucho Marx-loopje door de hotels van Vegas) en de door de art direction uitvergrote, onvoorstelbaar wansmakelijke jaren-zeventigvormgeving van Vegas’ hottellounges en -kamers, alles in zich om een cultklassieker te worden. Wat het boek interessant maakt ontbeert de film echter jammerlijk: de combinatie van over the top, door rivieren van drugs in gang gezette paranoïde associaties en waanvoorstellingen, met vlijmscherpe impressies van de Amerikaanse politiek en cultuur, door Thompson aangeduid als gonzo journalism: een vervreemdende mix van feit en fictie, journalistiek en bekentenisliteratuur. DE CONCLUSIE luidt dus: niet de film is interessant maar de alweer bijna gepensioneerde auteur achter het oorspronkelijke verhaal. Een nadere blik op Hunter S. Thompsons veelbewogen carrière leert dat de in Woody Creek, Colorado (vlakbij het trendy wintersportoord Aspen) zetelende schrijver, eind jaren zestig beroemd geworden met het beruchte Hell’s Angels (een participerend in depth verslag van binnenuit over de handel en wandel van Amerika’s meest gevreesde motorbende), nooit datgene heeft bereikt wat hij nastreefde: erkenning als romanschrijver. Jarenlang leurde Thompson met de manuscripten van zijn begin jaren zestig geschreven autobiografische romans, maar telkens ving hij bot. Het is een van de grootste frustraties van de 'Southern Gentleman from Louisville’ dat zijn literaire werk nooit de schappen van de boekhandel heeft bereikt. Feitelijk berust Thompsons roem op twee titels uit de jaren zeventig, het pièce de resistance Fear and Loathing in Las Vegas: A savage Journey to the Heart of the American Dream en het beroemde Fear and Loathing on the Campaign Trail '72, een verslag van de presidentiële verkiezingscampagnes waarin de handel en wandel van Amerika’s politici genadeloos tegen het licht werd gehouden. Thompson, terugblikkend: 'Ik schreef op wat ik zag, wat ik dacht en wat ik instinctief aanvoelde. Ik heb werkelijk een enorm vertrouwen in mijn instinct. Ik heb respect voor heel wat zaken en heel wat mensen. Politici komen daarin niet voor. Het feit dat iemand zich levenslang kan onderwerpen aan de vernederingen van het politiek bedrijf, om uiteindelijk in het Witte Huis terecht te komen, is zeker geen reden om hem te respecteren, zoals Nixon op elegante wijze heeft bewezen.’ En ook de journalistiek zelf, zoals bedreven door zijn goedgelovige vakbroeders, hoeft bij Thompson op niet al te veel respect te rekenen. Uit de twee jaar geleden verschenen verzamelde brieven (The Proud Highway: The Fear and Loathing Letters, Volume I) rijst het beeld op van een man op kruistocht tegen wat hij de 'dry rot’ van de Amerikaanse massamedia noemde: het door de als pers vermomde 'entertainmentindustrie’ verspreide beeld van Amerika als een humane samenleving waarin de regeringsleiders het beste met de wereld voorhebben. Keer op keer bestrijdt de anarchistische moralist Thompson de 'Rotary Club’-mentaliteit van de Amerikaanse krantenuitgevers en redacteuren, door hem gezien als lakeien aan de leiband van de 'Dow Jones Company’, volledig ingesteld op het klakkeloos van de persen laten rollen van geruststellende journalistieke clichés. Ondanks zijn literaire ambities ('ik ben een schrijver - niet de beatnik- of bartype-variant, maar een beest dat daadwerkelijk woorden op papier slingert met de intentie ze te verkopen’ - brief uit 1961, Big Sur, Californië) bestaat Thompsons oeuvre vrijwel compleet uit journalistieke verzamelbundels. Niet dat daar iets mis mee is, maar het is wel paradoxaal voor iemand die journalistiek ooit typeerde als niet meer dan 'een betrouwbare maaltijdbon en een geldig paspoort naar de slagvelden van welke gebeurtenis, crisis of beweging waar ik ook maar deel wilde uitmaken.’ Thompson schreef twee romans, Prince Jellyfish (onvoltooid, 1959/60) en het vroege jarenzestigwerk The Rum Diary die geen van beide werden uitgegeven. Gedeelten verschenen later in Songs of the Doomed: More Notes on the Death of the American Dream, Gonzo Papers, Vol.3 (1990). Het literair gehalte van de romans blijkt mager (veel zelfbeklag en onverwerkt adolescentieleed). Ook missen ze duidelijk de kwaliteiten die Thompsons latere werk zo sterk bepalen: de sardonische, in ritmische sneltreinzinnen gevangen observaties van Americana (variërend van sport, politiek en entertainment tot drugs en wapens), waarin de schrijver de moreel deplorabele staat van het machtigste land op aarde probeerde bloot te leggen. REDACTIONELE opdrachten brachten dus de met literaire neigingen behepte en regelmatig met een writer’s block worstelende Thompson roem. Van die assignments maakte hij gonzo, een unieke mix van journalistiek, deraillerende fictie, manisch-groteske overdrijving en cynische oneliners. Geen ander schreef in een vergelijkbaar wilde, hilarische en megalomane stijl. 'Ik heb de neiging uitbundig te zweten in warme klimaten. Mijn kleren zijn volledig doordrenkt van het zweet van zonsop- tot zonsondergang. In het begin maakte ik me daar zorgen om, maar toen ik een dokter bezocht en mijn reguliere, dagelijkse inname van drank, drugs en vergif beschreef, raadde hij me aan terug te komen als het zweten zou ophouden.’ Over Las Vegas: 'Psychedelica zijn bijna irrelevant in een stad waar je op ieder moment van de dag of de nacht een casino binnen kunt stappen en getuige kunt zijn van de kruisiging van een gorilla - op een brandend kruis van neon dat opeens in een roulettewiel verandert, het beest in grote cirkels rondslingerend boven de verzamelde gokkers in vol bedrijf.’ Of: 'Ik lag op mijn bed in de Flamingo en voelde me gevaarlijk van mijn omgeving buitengesloten. Er ging iets ergs gebeuren. Ik was ervan overtuigd. De kamer zag eruit als het proefterrein voor een rampzalig dierkundig experiment met whiskey en gorilla’s. De drie meter hoge spiegel was aan barrels geslagen maar nog steeds intact - nare getuige van die namiddag toen mijn advocaat amok liep met zijn kokosnoothamer, de spiegel en alle lichtpeertjes kapot slaand.’ Onverfilmbaar zijn dit soort observaties, vandaar dat Gilliam in arren moede naar het wapen van de voice over-monoloog greep. Een stem (Thompsons?) leest Raoul Duke’s overpeinzingen voor. Het zijn de enige momenten waarop Fear and Loathing geloofwaardig de psychotische conditie van de door drugs volledig op hol geslagen journalist en zijn advocaat weet over te brengen. De film zit weliswaar vol speedy gefilmde voorvallen (de trip door de woestijn, de wrecking parties op de hotelkamers, de Mint 400 race en de nationale anti-drug conferentie van de officieren van justitie), maar handeling noch dialogen brengen iets over van het in het boek zo karakteristiek uitgewerkte gevoel van 'angst en walging’. ANGST EN WALGING, Fear and Loathing, als begrip onderhand net zo vast verankerd in het Amerikaanse culturele bewustzijn als de hamburger, de Levi’s, Jack Kerouacs On the Road en de sigaar van Bill Clinton, slaat vooral op de ontevreden kater die volgde op de drug crazed sixties, misschien de enige periode waarin de Amerikaanse Droom verwezenlijkt werd - zij het voornamelijk in de optimistische gedachtenwereld van jonge Californische babyboomers. Er was geld, er waren drugs. Zelfontwikkeling en geestverruiming gingen hand in hand en Democratische vergezichten van vrijheid en gelijkheid gloorden aan de horizon, dit alles muzikaal ondersteund door de gitaar van Jimi Hendrix, de slechte huid van Janis Joplin, de leren broek van Jim Morrison en het Tibetaanse orgeltje van Allen Ginsberg. In 1971, door Thompson apocalyptisch aangeduid als 'The Foul Year of Our Lord’, was er van al deze verwachtingen weinig meer over: rocksterren bezweken aan hun zelfopgelegde, extravagante levensstijl; de oorlog in Vietnam leek uitzichtloos en de schaamteloos paranoïde Richard Mulhouse Nixon kreeg vrij spel in het Witte Huis. Jimi Hendrix, Janis Joplin en Jim Morrison waren dood, en Elvis bood zijn diensten aan als undercover narcotica-agent. Over deze staat van moreel verval bericht Thompson in Fear and Loathing: twee mannen onderweg, in staat van verwarring, kwaad en teleurgesteld over de teloorgang van de vrijheid van de sixties en onzeker over wat de toekomst brengt. Twee verloren zielen die door hun extreem gedrag Amerika’s silent majority hoopten wakker te schudden. Johnny Depp, hoofdrolspeler en persoonlijke vriend van Thompson: 'Het boek verscheen ten tijde van de ondergang van de Amerikaanse Droom. Maar Hunter was er nog steeds naar op zoek, wanhopig bijna, maar alles wat hij op zijn reizen vond was ontspoorde in gekte, tragedie en hebzucht. Voor Hunter was dit boek een queeste en persoonlijke loutering in één. Fear and Loathing gaat over hoop, gekte en de zoektocht naar iets om in te kunnen geloven.’ Geloven doet Dr. Thompson niet meer. Met het in de gonzo-journalistiek verdiende geld trok de verstokte individualist zich terug in zijn 'verstevigde burcht’ bij Aspen, waar hij zich weidde aan zijn hobby’s: het fokken van levensgevaarlijke dobermanns, het leegschieten van zijn wapens, het verorberen van onmatige hoeveelheden drank en pillen en het versturen van krankzinnige faxen, gonzo style, naar vage bekenden en redacteuren, volgens Thompson de laagste mensensoort die er bestaat. 'Liefste… het wachten maakt me krankzinnig. Ik mis je zo erg dat ik het uitschreeuw. Spoedig zullen mijn handen je beroeren. Ik heb een gigantische hersentumor. Laten we onze kleren uitgooien en met de auto… Slaap Zacht - Zan.’ Aldus een verwarring stichtende Thompson-fax aan de burgemeester van Aspen. Ondertussen legt de sardonische schrijver - in afwachting van twee nog te verschijnen brievenbundels - de laatste hand aan wat een revanche moet worden op zijn gefrustreerde literaire ambities. De titel: Polo is My Life.