Moreel geladen economie

Wat is links? Die vraag wordt zelden meer gesteld, laat staan dat er gezocht wordt naar antwoorden. Maar afgelopen week deed Frank Kalshoven in de Volkskrant een poging. Aanleiding: de pensionering van de ‘laatste linkse econoom’, de Utrechtse professor Yo Brenner.

Kalshoven noemt dat afscheid ‘even treurig als begrijpelijk’. Treurig, omdat het een verlies is als er in een rechtse wereld geen mensen meer zijn die linkse vragen stellen. Bijvoorbeeld de vraag hoe de overheid volledige werkgelegenheid kan bereiken. Brenners antwoord luidde dan: door goedkoop geld ter beschikking te stellen aan innovatieve ondernemingen en door belastingen te verhogen om te kunnen investeren waar de particuliere sector dat nalaat. Zo'n antwoord maakt, aldus Kalshoven, het afscheid van de linkse economen 'begrijpelijk’ want het is 'ouderwetse flauwekul’.
Voor hij tot deze conclusie komt, heeft hij economen ingedeeld in een aan de oratie van Rick van der Ploeg, econoom en PvdA-kamerlid, ontleend schema. Van der Ploeg onderscheidde twee soorten links en rechts. Het eerste onderscheid is dat tussen een linkse en een rechtse manier van naar de wereld kijken. Het tweede dat tussen links en rechts voelen. Dat voelen slaat op politieke voorkeur. Die blijkt onder economen in de praktijk overwegend links te zijn. Dat wil zeggen: economen stemmen meer dan gewone kiezers op linkse partijen.
Het eerste, de Weltanschauung, slaat op de wetenschapsopvatting. De rechtse variant daarin is die van de neoliberaal. Die ziet de wereld als een perfect werkende markt. De mensen die die wereld bevolken zijn allen de enige bewoner van een eiland. Vanaf die eilanden communiceren zij - via prijssignalen. Op grond daarvan bepalen zij wat ze van elkaar willen kopen, of ze willen werken of liever een uitkering hebben. Kortom, een steriele verzameling calculerende eenlingen. Deze rechtse economen stemmen soms rechts, in welk geval zij dubbel rechts zijn. Vaker stemmen zij links. In dat geval kunnen zij worden aangeduid als links-rechtse economen. Van die laatste soort zijn er vrij veel. Dan is er nog de vierde variant, de links-linkse econoom, die niet alleen links voelt, maar ook nog links denkt. Het grote verschil tussen deze linkse economen en hun rechtse vakbroeders is dat de eersten in hun wereldbeeld het begrip macht toelaten. Het beeld van in vrijheid kiezende en ruilende individuen op hun eiland maakt dan plaats voor dat van sociale ongelijkheid, van verrijking tegenover armoede.
Het verschil is kortom een wetenschapsopvating die opereert in een moreel vacuüm tegenover een die moreel geladen is. Van deze categorie noemt Kalshoven Brenner de laatste vertegenwoordiger. Niet vanwege de vragen die hij stelt, maar vanwege de antwoorden die hij geeft. Daarin vervangt hij immers de onzichtbare hand van de staat. Dat is inderdaad ongeveer even ouderwets als alle heil van de markt te verwachten. Het wás ook links, in de jaren zeventig. Maar nu? De ouderwetse 'grote verhalen’ van staat en markt zijn beide failliet.
Het probleem van links-linkse economen is dat zij in de ruimte daartussenin alternatieven tot ontwikkeling moeten brengen die aansluiten bij de morele lading van hun wetenschapsopvatting. In die zin was Brenner niet de 'links-linkse’ econoom die Kalshoven in hem wil zien.