Bij een natuurramp beschuldigen we elkaar. Zijn we te verlicht?

Moreel simplisme

Wanneer een natuur ramp toeslaat, als een tsunami, geven we liever el kaar de schuld dan toe te geven dat de natuur oppermachtig is. Zijn we te verlicht?

Rampen verwoesten niet enkel le vens, ze drijven er de spot mee. Het ene moment is je horizon nog gevuld met de verzwakkende gloed van je laatste prestatie, met de zorg of je volgende prestatie afdoende zal worden geprezen of betaald, de gangbare meningsverschillen met je collega’s of kinderen. Het volgende moment word je verschroeid door het besef dat vijf stappen in de ene of de andere richting het verschil tussen leven en dood uitmaakten.

Hegel schreef dat de enige taak van de filosofie erin bestond de contingentie uit te schakelen, alsof theoretisch inzicht in onze machteloosheid zou volstaan om ons ermee te verzoenen. Het is een van de redenen waarom hij de laatste der metafysici is genoemd.

Op 26 december 2004, toen vissers op Sumatra het zeewier uit hun netten plukten en toeristen in Thailand de schouders van hun kinderen met zonnebrandcrème insmeerden, ontwaakten sommige Portugezen uit hun kerstslaap en hervatten hun voorbereidingen voor de 250ste herdenking van de aardbeving van Lissabon. Europeanen gedenken graag in ronde getallen. Van een afstand gezien is dat een manier om de geschiedenis levend te houden in het publieke geheugen. Van binnenuit gezien verschaft cultuur banen. Niemand verliest erbij. Dus waren Lissabonners druk bezig de lijsten aan te leggen en de brieven op te stellen ter voorbereiding van de opeenvolgende lezingen, hedendaagse kunsttentoonstellingen en non-stop videovertoningen die de aandacht van de wereld weer even moesten vestigen op het moment dat Lissabon in de schijnwerpers stond. «Mijn team heeft meer dan een jaar gewerkt, en we willen dat alles perfect is», schreef organisator Helena Vasconcelos.

De aardbeving en tsunami die op 1 november 1755 het grootste deel van Lissabon verwoestten, waren kleiner dan wat we onlangs hebben gezien, maar dat gold voor de wereld als geheel. De achttiende-eeuwse cijfers zijn onbetrouwbaar: ruwweg tussen de tienduizend en zestigduizend mensen verloren het leven. De stad zelf werd met de grond gelijk gemaakt en de intellectuele schokgolven plantten zich voort door heel Europa. Want Lissabon was geen uithoek, maar een trotse, rijke, kosmopolitische havenstad. Wie een boodschap, dodelijk of anderszins, naar de hele westerse wereld wilde zenden, had geen betere plek kunnen uitkiezen. De ramp ging in die dagen door voor een mondiale catastrofe, maar was natuurlijk ook low-tech.

Fotografische inbreuken op het verdriet van getroffen ouders waren onmogelijk en de houtsneden die in plaats daarvan in hoog tempo werden vervaardigd maken nu een aandoenlijke indruk. Maar de uitbarstingen van schrik en woede hielden westerse denkers nog jaren bezig. Dat komt niet doordat ze godsdienstiger waren dan wij. Traditionele religieuze leiders verwelkomden de ramp, want hij leek te bewijzen wat zij altijd al hadden beweerd: Gods wegen zijn ondoorgrondelijk en niets is zinlozer dan ze te willen voorspellen of ontraadselen. Als ze een betekenis aan de aardbeving toekenden, meenden ze dat hij het bewijs vormde van Gods genade, bedoeld om ons tot boetedoening te manen vóór de vele malen ergere Apocalyps.

Sommigen waren verwonderd over het feit dat er meer bordelen overeind waren gebleven dan kerken, en aanhangers van concurrerende sekten waren er gauw bij om te verklaren dat God toorniger is over hen die zijn woord schenden dan over de ellendige schepselen die het niet kennen. Een Engelse pastoor wees op een zonde die we allemaal kennen: «Denk, o Spanje, o Portugal, aan de miljoenen arme indianen die uw voorvaderen hebben afgeslacht om wille van goud!» Maar filosofen als Voltaire hadden een bredere kijk. Lissabon was niet beter of slechter dan Londen of Parijs. Waarom die ene stad verpletterd en de andere gespaard? De baby’s die verbrijzeld aan hun moeders borst lagen, vormden een stille aanklacht: niet alleen tegen iedereen die deze wereld de beste van alle denkbare werelden wilde noemen, maar tegen iedereen die er een diepe betekenis aan wilde geven. Want de aardbeving schokte de tegenstanders van de orthodoxie veel meer dan haar religieuze voorstanders.

Hoewel velen een persoonlijke Schepper ontkenden, geloofden de meesten nog in het wonder van de Schepping, die bovendien steeds begrijpelijker leek te worden. Lissabon wreef hen met hun neus in de betekenisloosheid, en een wijs geworden Verlichting was het resultaat. De natuur werd niet langer gezien als afspiegeling van een morele orde. De aard beving van Lissabon leidde tot een breuk tussen de mensheid en haar planeet die ons nog altijd vergezelt. Natuur en rede zijn ongelijksoortig en elke ontmoeting tussen de twee is zuiver toevallig. Dit is een van de ideeën die ons modern maken. Dat denken we althans.

De reacties op de tsunami doen me twijfelen. Dat begint al bij de beeldspraak: iedereen die hem heeft gezien, beschrijft de getroffen gebieden als een oorlogszone. (In 1755 bestonden er geen massavernietigingswapens; enkel een natuurramp kon in zo korte tijd zoveel verwoesting aanrichten.) Toegegeven, het aantal mensen dat de moderniteit aanhangt slinkt met de dag. Diegenen van ons die hun informatie betrekken uit bronnen zoals deze krant vormen nu een kleinere minderheid dan ten tijde van de Verlichting. We worden in aantal overtroffen door fundamentalistische christenen die elke aardbeving beschouwen als een voorbode van de Apocalyps, en door radicale islamisten die elke stormvloed die halfnaakte toeristen van het strand spoelt als goddelijk bestempelen. Maar ook modernisten zoeken naar betekenis. Velen zien er een wraakoefening in van de natuur omdat we haar gevoelige evenwicht hebben verstoord. De toeristen dragen geen schuld omdat ze halfnaakt zijn, maar omdat ze inhalig zijn.

Volgens L’Humanité heeft de bouw van goedkope strandaccommodaties het koraalrif dat de kracht van de tsunami had kunnen breken aangetast teneinde te voldoen aan de zucht van Europeanen naar exotische plekjes om hun lange vakanties door te brengen. Wanneer al het andere faalt, kunnen we altijd nog terugvallen op heidense begrippen van schuld en betekenis. Dus werd in een artikel in The New York Times en passant de naam van de ontspoorde trein in Sri Lanka – Koningin van de Zee – een daad van overmoed genoemd.

Onze houding tegenover morele categorieën is voor alles dubbelzinnig. We hebben ze zo hard nodig dat we, wanneer een natuurramp toeslaat, liever iedereen inclusief onszelf de schuld geven dan toe te geven dat we leven in een wereld die ze niet gehoorzaamt. Aan de andere kant zijn we experts in het vergeten van de gezamenlijke morele verantwoordelijkheid die we wel degelijk hebben. We kennen allemaal de cijfers: honger en ziekte eisen week in, week uit meer kinderlevens dan de tsunami. Maar kennis verandert niets zolang we die doden beschouwen als een natuurlijk onderdeel van economische processen die we niet bij machte zijn te veranderen. Terwijl ik Colin Powell en Jeb Bush voor de camera’s zag zweten, vroeg ik me af wat ze wisten van de Zuid-Aziaten tegen wie ze spraken. Ook al zijn de plaatselijke omstandigheden soms primitief, de gedachtevorming is dat allerminst. De leukste e-mail die ik na de presidentsverkiezingen in november kreeg was een artikel uit een Srilankaanse krant dat verkondigde dat Amerika zijn recht op onafhankelijkheid had verspeeld en zich moest voorbereiden op rekolonisatie. Te midden van grappen over de herinvoering van theerechten in Boston stonden decreten als deze: «U zult leren persoonlijke geschillen op te lossen zonder het gebruik van vuurwapens, advocaten of therapeuten. Als U niet oud genoeg bent om Uw zaakjes te regelen zonder iemand aan te klagen of met een therapeut te spreken, dan bent U ook niet oud genoeg om een vuurwapen te dragen.»

Zij weten zoveel meer over ons dan wij over hen. Als de wereld zo nauw verbonden is, hoe lang zal dan het behoeftige Zuiden geduldig op zijn onnozele noorderburen blijven neerkijken? Dat we verwanten zijn lijdt geen twijfel en de flinters goed nieuws die als drijfhout boven komen bewijzen het stuk voor stuk. Er zijn talloze verhalen van plaatselijke bewoners die hun leven waagden om kortstondig aanwezige toeristen uit de vloedgolf te trekken. Srilankaanse dorpsbewoners bezorgen noodhulp bij lang gehate Tamil Tijgers en vice versa. Strenge Texaanse baptisten en afgestompte Berlijnse sociaal-democraten doen om het hardst hun best om waterzuiverings installaties te bouwen in getroffen gebieden. Na de aanvankelijke gierigheid is er sprake van een stortvloed van hulpgeld.

Wat het duidelijkst naar voren komt is de omvang van onze verwarring. De moderne seculiere cultuur die na Lissabon opkwam liet een wereld achter zich die wemelde van morele categorieën, en weet niet meer hoe die terug te vinden. We hebben maar weinig ruimte voor morele begrippen en het gebruik ervan maakt ons ongemakkelijk. De oproep van Bush tot morele duidelijkheid is een aanfluiting van beide begrippen, maar voldoet aan een echte behoefte. Mensen verlangen er zo intens naar dat ze die morele duidelijkheid projecteren op plekken waar hij niet bestaat – of in plaats ervan genoegen nemen met moreel simplisme. En terecht verzetten we ons tegen een simplisme dat in de plaats van morele reflectie de kitsch van goede gevoelens en openlijke manipulatie stelt.

Maar het zou verkeerd zijn om het goede nieuws te verwerpen om de enkele reden dat het wordt misbruikt en we doen er goed aan de belangrijkste les van Lissabon te gedenken: als de wereld betekenis moet hebben, dan zijn wij het die haar moeten aanbrengen. In tegenstelling tot de clichés waarmee we hen hebben opgezadeld meende geen van de Verlichtingsdenkers dat de vooruitgang onstuitbaar was. De verwachting van de toekomst was vaak zo duister dat Kant meende dat we wegwijzers nodig zouden hebben om niet te struikelen in onze wanhoop. Zijn bewijs voor het idee dat de mensheid voortschrijdt naar een betere toestand was op z’n best minimalistisch. Niet de Franse Revolutie, waarvan de uitkomst onzeker was (Chou Enlai vond dat we dat nog altijd niet wisten), maar de hoop die waarnemers voelden wanneer we aan de Revolutie dachten was voldoende aanwijzing dat we vooruitgang hadden geboekt, en wellicht nog zullen boeken.

De tekenen die we rond de tsunami zien zijn zelfs nog wat beter. Opeens lijkt de slachting in Irak niet alleen zinloos, maar van een absurde zinloosheid omdat hij in het niet valt bij krachten die sterker zijn dan wij allemaal bij elkaar. Opeens zijn we ons bewust van onze afhankelijkheid van elkaar, en van de afstand die we zouden kunnen afleggen als die afhankelijkheid standhoudt. Plotseling geven waarnemers op alle plekken van de wereld uiting aan gevoelens waarvoor ze zich nog maar kort geleden zouden hebben geschaamd. Als dat iets langer aanhoudt, is er sprake van het soort verschijnsel dat de achttiende eeuw zou bestempelen als een teken van de Voorzienigheid.

Vertaling: Aart Brouwer