Morele ernst ‘de controleur, de conducteur, de straatagent, het is het geraamte van de samenleving’

Ernst Hirsch Ballin is een van de weinige vaderlandse politici die zich op wijsgerig niveau met het vraagstuk van de zeden bezighoudt. Een gesprek met een moreel dier, met wortels in het katholicisme èn het jodendom. ‘Ik bespeur een verontrustende leegte.’
VRAAG AAN Ernst Hirsch Ballin (46), dienaar van de publieke zaak par excellence, onder meer als minister van Justitie in viereneenhalf jaar kabinet-Lubbers:
Kan de overheid wezenlijk iets bijdragen aan het moreel besef van zijn burgers?

‘Ja’, zegt Hirsch Ballin. 'De overheid kan de mensen tot denken aanzetten. Daar moet de overheid trouwens terughoudend in zijn, want als de overheid zich aan propaganda bezondigt, zet ze de mensen niet aan het denken, maar probeert ze het denken te conditioneren - en dat is het verschil tussen de werkzaamheden van Joseph Goebbels en echte, ongekleurde overheidsvoorlichting. Herinnert u zich trouwens de helingspot die een paar jaar geleden onder verantwoordelijkheid van mijn ministerie van Justitie is gemaakt? Het was een filmpje van een kind dat in het donker de trap opsloop om uiteindelijk, op de eerste etage, onder een doek de langverbeide verjaardagfiets te vinden. En dan hoorde je opeens een duistere, onheilspellende stem: “Door vader in het café voor vijftig gulden gekocht…” Het was een filmpje waarmee door ons werd beoogd het gesprek op gang te brengen over de vraag of zo'n gedrag in feite wel verdedigbaar is.’
En helpt zoiets? vraag ik. Wordt hiermee het percentage fietsendiefstallen met x procent teruggebracht?
'Ik denk dat het wel degelijk geholpen heeft’, zegt Hirsch Ballin, 'al ben ik niet geïnformeerd over de kwantitatieve resultaten.’
Zijn gesprekspartner blijft sceptisch. Immers, is een conducteur op lijn 4 niet vijf maal effectiever dan de boodschap van Postbus 51: 'Gij zult niet zwartrijden’?
'Die veronderstelling is ongetwijfeld juist’, zegt Ernst Hirsch Ballin. 'De controleur, de conducteur, de straatagent, het is het geraamte van de samenleving, waarop vlees en bloed, spieren en hersenen hun werk kunnen doen.’
ZIJN BIOGRAFIE is bekend: zoon van een katholieke moeder en een joodse immigrant. Zelf staat hij sedert zijn studententijd op de rechtzinnige, intellectuele vleugel van het katholicisme. Hij geldt als CDA-denker, hij is CDA-senator, en is na zijn ministerschap andermaal hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Brabant geworden. Daarnaast, zo ontleen ik aan het Nieuw Israelietisch Weekblad van 18 februari 1994, is hij voorzitter van de vereniging Joodse Goochelaars en Illusionisten (JGI), 'een heel voorzichtige stap om met mijn joodse achtergrond bezig te zijn’.
Hirsch Ballin, moet, ondanks zijn behoudende reputatie, worden beschouwd als een exponent van de christelijk-sociale leer, zoals die sinds Leo XIII en Abraham Kuyper wordt uitgedragen. En hij is een man die serieus over de moraal heeft nagedacht, de moraal van de individuele burger en de dubbele moraal van de overheid, waar hij recentelijk een doortimmerd artikel over schreef. De democratische rechtsstaat, betoogde hij hierin, kan niet zonder dubbele moraal. 'Het onderkennen van de moraliteit als beslissende factor voor de legitimiteit van het staatsgezag, betekent niet dat de staat iets te zeggen moet hebben over de vele morele kwesties die zich buiten de sfeer van recht en staat voordoen; het is, integendeel, een eis van de moraliteit van een staatsverband dat het zijn grenzen kent.’
Wij spreken met elkaar in commissiekamer I van de Senaat, onder het wakend toezicht van de graven van Holland en Zeeland, exponenten van een staatsgezag dat zich over dit soort problemen nog niet het hoofd placht te breken.
HOE KOMT HET, vraag ik, dat de moraal opeens zo hoog op de agenda staat?
'Daar zijn goede en minder goede redenen voor’, zegt Ernst Hirsch Ballin. 'De minder goede reden is dat de mensen de ongemakken van een zekere normloosheid ervaren, anders dan in een tijd waarin men een vanzelfsprekend moreel kader ter beschikking had. De betere reden is dat de mensen tot het besef komen dat de wereld nog niet af is en er in de samenleving nogal wat noden zijn op te heffen.’
Domineert desondanks niet de indruk dat de publieke moraal op het ogenblik aan desintegratie onderhevig is?
'Die vraag kan ik niet met een simpel ja of nee beantwoorden’, zegt Hirsch Ballin. 'Wat duidelijk is weggevallen is de vanzelfsprekende invoeging van mensen in een levenskader met een morele dimensie. Men is niet meer in een vast groepspatroon met een eigen geschiedenis ingebed, men heeft verderreikende relaties, waar nog eens het reizen en de telecommunicatie bij moeten worden opgeteld. In die zin is er sprake van minder moreel houvast. Tegelijkertijd confronteert de daardoor veroorzaakte openheid de mensen met vragen die, goed bekeken, wel degelijk een morele dimensie hebben.’
Bedoelt hij dat het geloof der vaderen partieel door een eigentijds verschijnsel als bijvoorbeeld met milieuactieve Greenpeace is vervangen?
'In die zin’, zegt Hirsch Ballin, 'dat je de kerk, het geloof, te kort doet als je het alleen maar ziet als een relict uit het verleden. Dat was het natuurlijk wel, in de praktijk. Je kwam uit dat milieu en je zette voort wat je had meegekregen. Terwijl je het geloof, als je het mij vraagt, niet op het verleden, maar op de toekomst moet betrekken. Traditie mag zich niet beperken tot zoiets als tot-hier-en-niet-verder, traditie is iets anders dan geschiedenis of folklore, traditie hoort zich vanuit het verleden op de toekomst te oriënteren. Ik denk dat daarin de kans ligt voor de moraal, voor zowel de moraal met een religieuze dimensie als de moraal van een meer seculier karakter. Neem de bijbel. Je kunt het lijdensverhaal lezen als de optelsom van ellendige, menselijk lafheid en miezerigheid, maar je kunt het ook lezen in de daarin doorklinkende verwachting dat de andere, betere krachten uiteindelijk sterker zullen zijn. In die zin is voor mij moraal het oriëntatiepunt van waaruit ik in staat ben ideeën te ontwikkelen en wellicht in de praktijk te brengen.’
Is die desintegrerende moraal, naar zijn mening, het kind van de hedonistische jaren zestig of van de individualistische, ego-gerichte jaren negentig?
Hirsch Ballin laat zich niet dwingen een keuze te maken. 'Als ik de situatie probeer te karakteriseren’, zegt hij, 'dan bespeur ik in mijn ogen voornamelijk een verontrustende leegte. Een positieve, idealistische levenshouding impliceert dat je je afvraagt of je ook voor een ander iets kunt betekenen. Zo'n leus als “Kom op voor jezelf!” heeft misschien een assertieve, maar in elk geval primair een negatieve lading. Was het niet Veronica die deze leuze hanteerde? Ik geloof van wel, in elk geval is het een spiegelbeeld van de heel wat zinvollere leuze “Kom op voor een ander!”
HIJ IS ZO'N BEETJE de enige binnen de Nederlandse politiek die zich op een wijsgerig niveau met het vraagstuk van zeden en moraal bezighoudt, constateer ik. Zijn geestverwanten Elco Brinkman en Hans Hillen hebben weliswaar ook zo hun theorieën over bijvoorbeeld het gezin, maar die leunen nogal dicht tegen een soort stembusvriendelijk populisme aan.
Maar Ernst Hirsch Ballin laat zich niet tegen zijn partijgenoten mobiliseren. 'Ik ken die mensen natuurlijk te goed om dit zomaar te onderschrijven’, zegt hij. 'Bovendien ben ik van mening dat je diegenen die niet op een wijsgerig niveau over dit soort dingen spreken, niet onmiddellijk het verwijt van populisme mag maken. Ik zie daarin meer het intuïtief onderkennen van het feit dat er iets schort - en dat acht ik niet verkeerd.’
Ik zie trouwens, zegt hij, menige CDA-denker over het hoofd. 'Er zijn er méér die zich op de grondslagen van het politieke handelen oriënteren. Dat geldt bijvoorbeeld, om maar eens dicht bij huis te blijven, voor mijn collega Eerste-Kamerlid Jos van Gennip, het geldt navenant voor Pieter-Anton van Gennip, die overigens geen familie is. Ik noem verder een Ab Klink, ik noem een Kees Klop. U ziet, ik ben gelukkig geen uniek exemplaar in het christen-democratische milieu.’
In oorsprong, constateer ik, staat de christen-sociale gedachte vrij links in het politieke spectrum.
Dat is Ernst Hirsch Ballin natuurlijk bekend. 'Hoe het ook zij, wat de laatste tijd duidelijk op gang is gekomen, ook buiten de christen-democratische kring, is een bezinning op de relatie tussen individu en overheid. Velen zien, in de euforie die na november 1989 is uitgebroken, de markt als unieke en perfecte bemiddelaar tussen individu en samenleving. Als reactie hierop is een hele denkrichting ontstaan van mensen die zich realiseren dat de samenleving juist niet van individu en markt uit moet gaan, met de overheid als een soort grensrechter om te grootste ongemakken te voorkomen.’
Niettemin is een man als W.F. de Gaay Fortman, merk ik op, zo in het christen-sociale karakter van zijn CDA teleurgesteld dat hij in mei 1994 op het GPV van Gerrit Schutte heeft gestemd.
Hirsch Ballin, bedachtzaam: 'Ja, ik vond dat jammer. Ik heb het mij ook enigszins aangetrokken. Vergeet overigens niet dat deze stap wellicht samenhing met de hectiek van die dagen.’ Nee, de oude Gaay was, gegeven de massale desertie bij deze verkiezingen, niet de enige die het CDA de rug toekeerde. Waarna de christendemocraten in de oppositie belandden, om plaats te maken voor de 'marktbenadering’ van het paarse alternatief, waar Hirsch Ballin op zijn beurt weinig geestdriftig over is. 'Het is het dominante denken op het ogenblik.’
HET CDA PROBEERT werkelijk, verzekert Hirsch Ballin, sadder and wiser, een andere, minder marktgerichte benadering in praktijk te brengen. Hij spreekt over 'de drempel van het niet-waargenomene’, als ik de kleurloosheid, zoniet onzichtbaarheid van de CDA-fractie ter sprake breng. 'Dat beeld wordt versterkt door de manier waarop in de media wordt bericht over de rel, de tweestrijd en het gekissebis van de dag’, zegt hij. 'Het is de favoriete verbeelding van de politiek in de persoon van twee of drie kamerleden die het met elkander aan de stok hebben. Mijn advies is: lees Christen-Democratische Verkenningen’ - Ernst Hirsch Ballin is sedert november voorzitter van de redactieraad.
'Er zijn trouwens ook andere, positieve en constructieve dingen te noemen’, zegt hij, 'zoals het bijwonen van goede maar over het algemeen slecht bezochte conferenties. Wij hadden hier, in de Eerste Kamer, een paar weken geleden een Europadebat dat door de deelnemers over het algemeen als zeer stimulerend werd ervaren. De tribune voor de ambtenaren was werkelijk heel behoorlijk bezet. Helaas, op die andere tribune, die voor pers en publiek, zat geen mens.’
Nee, met Europa preek je nog steeds de kerk leeg, terwijl verrassenderwijze een thema als het geloof… 'Kijk een paar straten verder. Daar staat naast de ingang van boekhandel Verwijs een grote tafel met religieuze literatuur. Dat was vijf jaar geleden nog vragen om een faillissement geweest.’
En wat ligt er op die tafel? Literatuur of lectuur?
'Lectuur èn literatuur’, zegt Hirsch Ballin.
Maar er gaapt toch al sinds onheugelijke tijden een onafzienbare kloof tussen christendom en kunst, op het oeuvre van een enkele hoogbejaarde Veluwedichter na?
Hirsch Ballin protesteert: 'Hoort Gerard Reve er dan niet bij? En een sterk religieus geïnspireerd schrijver als Boeli van Leeuwen?’ Hij beluistert aandachtig mijn gepruttel tegen het flinterdunne strominkje randstedelijke intellectuelen - type Vonne van der Meer en Antoine Bodar - dat inmiddels om (wellicht) modieuze redenen de legioenen van de H. Moederkerk heeft versterkt. 'Modieus of niet’, zegt Hirsch Ballin, 'het toont in elk geval aan dat kunst nog steeds een religieuze dimensie kan hebben zonder dat er van ouderwetsheid of truttigheid sprake is.’
Hij heeft zo zijn eigen voorkeuren: 'Ik word meer geraakt door Huub Oosterhuis, met zijn krachtige teksten, dan door het gregoriaans, moet ik zeggen.’
IS HET MORELE GEHALTE van de natie onder paars gedaald, vraag ik, vergeleken bij de periode dat het land nog door - bijvoorbeeld - confessioneel en rozerood werd geregeerd?
'Dat zou een overschatting zijn van hetgeen de politiek vermag te presteren’, zegt Hirsch Ballin. 'Ik moet in feite constateren dat onder het huidige kabinetsbeleid tot mijn aangename verrassing plaats wordt gemaakt voor standpunten die dicht aanliggen tegen de standpunten die vroeger door ons, christen-democraten, naar voren zijn gebracht. Ik geef twee voorbeelden. Het eerste betreft de drugs. Ik heb naar aanleiding van de huidige discussies nog even nageslagen wat door mijzelf in het drugsdebat van 1993 naar voren is gebracht. Daarin heb ik voorzichtig, maar duidelijk genoeg, geconstateerd dat er rond de koffieshops bepaalde wildgroeiverschijnselen waren en dus de teugels zouden worden aangetrokken. De hoofdstroom in de Kamer was toen: ons drugsbeleid is een verworvenheid, al is het misschien nog te vroeg om tot legalisering over te gaan, enzovoorts. Als je nu het debat, tweeëneenhalf jaar later, volgt, is er van legalisering geen sprake meer, terwijl iedereen onderschrijft dat er inmiddels alle reden voor een strakkere bejegening is. Wat het tweede voorbeeld betreft, de euthanasie, pleit inmiddels ook geen mens meer voor een wijziging van het Wetboek van Strafrecht.’
Maakt hij zich geen zorgen over het feit dat onder zo'n confessieloze regering de zondagsrust, de christelijke scholen en de christelijke ziekenzorg niet meer onomstreden zijn?
Daar maakt Ernst Hirsch Ballin zich wel degelijk zorgen over. 'Ik vind het zo onrechtvaardig, eigenlijk’, zegt hij, 'en tegelijkertijd een onderschatting van de levenskracht van niet-commerciële initiatieven in de steeds commerciëler wordende samenleving. Natuurlijk stammen de confessionele scholen en confessionele ziekenhuizen uit een periode waarin de katholieke school er voor katholieke kinderen was en een protestants-christelijk ziekenhuis primair protestants-christelijke patiënten bediende. Maar deze instituties hebben inmiddels waarachtig bewezen zich open te willen stellen, niet als concessie maar als gevolg van een heroverweging van hun identiteit in een veranderende, veelvormige samenleving. Je ziet het bij de scholen, je ziet het bij de ziekenhuizen, je ziet het bij de niet-commerciële omroepverenigingen.’ Hirsch Ballin is, naar eigen zeggen, 'enigszins betrokken’ bij een omroepvereniging als de KRO. 'Vandaar dat ik gedwongen ben mij te verdiepen in de vraag wat zo'n omroepvereniging voor een drastisch veranderende maatschappij kan betekenen.’
Zoals?
'De KRO is een omroep die haar winst- en verliesrekening niet in guldens maar in losgemaakte gedachten opmaakt’, zegt Ernst Hirsch Ballin.
Hij geeft een voorbeeld: 'Stel, je staat op het punt een detectiveserie aan te kopen. Dan kun je kiezen uit een serie met sensationele schietpartijen of uit een serie met de mogelijkheid van een aansluitend gesprek over levenssituaties.’
Het blijkt dat Hirsch Ballin niet alleen 'enigszins betrokken’ bij de KRO is, maar sedert driekwart jaar ook als vice-voorzitter fungeert. Mijn hemel, waar haalt die man de tijd en energie vandaan? Toegegeven, zijn functie als voorzitter van de Joodse Goochelaars en Illusionisten (JGI) is heel wat minder tijdrovend, maar niettemin…
'Dat laatste was natuurlijk een grap’, zegt Hirsch Ballin, 'de jaarlijkse Poerimgrap van het NIW, en geen slechte, dat moet ik toegeven. Ik heb naar aanleiding van die grap thuis, ten behoeve van de kinderen, de truc met de kaarten proberen na te doen, maar een groot succes is dat niet geworden.’
Zou hij zich, gegeven zijn roots en zijn serieuze karakter in feite niet beter bij het strenge jodendom thuis moeten voelen dan bij het katholicisme, de geloofsgemeenschap waarvan de moraal niet zelden van elastiek lijkt te zijn?
'Is dat wel waar wat u zegt?’ vraagt Hirsch Ballin. 'Het jodendom kent immers ook een vrijzinnige variant, zoals bij ons, katholieken, ook menigeen te vinden is die zich zeer streng aan bijvoorbeeld de vastenvoorschriften houdt. Het is allemaal ingewikkelder dan u denkt. De katholieken, met hun eenheid-in-verscheidenheid, zijn in werkelijkheid niet onder één noemer te brengen, en als je kijkt naar bijvoorbeeld de joodse gemeenschap in Curaçao, die tegelijkertijd orthodox en liberaal is…’
Ja, Ernst Hirsch Ballin kent het boek van Carl Bernstein waarin Paus Johannes Paulus, tot menigeens verbazing, 'de grootste voorvechter in de wereld van universele menselijk waarden’ wordt genoemd. Waarachtig, hij glundert! 'Zo zie je maar weer, als je je niet laat kisten en niet meewaait met de aanpassingsdenkers en de oppervlakkige rationaliteit van de dag, dan kun je héél ver komen.’
En tegelijkertijd, constateer ik in Bernsteins voetspoor, wordt dat pauselijk humanisme ondermijnd door die achterlijke standpunten over vrouwen en seksualiteit.
'En dat wordt weer fantastisch overbelicht door de publiciteit’, zegt Hirsch Ballin. 'Een sociale encycliek is hoogstens goed voor een berichtje op een binnenpagina, terwijl… Ik heb met dit soort vraagstukken overigens minder problemen dan menigeen veronderstelt. Ik verwacht bijvoorbeeld, vanuit de voornoemde, op de toekomst gerichte traditie dat het celibaat op een gegeven moment niet meer verplicht zal zijn. En kijk hoe het is gegaan met een probleem als de euthanasie. Daar is twee jaar geleden een encycliek over verschenen met een heel wat positievere toonzetting dan in het verleden werd gehanteerd. Niet dat hierin het doden van mensen werd goedgepraat, maar de toonzetting is minder “het-mag-niet-want-het-is-verboden”, als “je-moet-het-niet-willen-want-we-hebben-samen-een-levensopgave”.’
HIJ IS, MET ZIJN bezonnen standpunt over deze materie, waarachtig nog korte tijd de gebeten hond van Vaticaanstad geweest. Het was tijdens zijn ministerschap. 'Er was toen een artikel in de Osservatore Romano verschenen, dat in kwetsende mate negatief was, om het zo maar eens te zeggen’, reveleert Ernst Hirsch Ballin. 'Toen heb ik de redactie om ruimte gevraagd om daar mijn standpunt tegenover te stellen. Maar de Osservatore Romano plaatst geen ingezonden stukken, wat uiteindelijk tot een interview met Radio Vaticano heeft geleid, waardoor ik in de gelegenheid werd gesteld een wat realistischer beeld van de Nederlandse situatie te schetsen. Ik heb trouwens, toen dit allemaal voor mij wat vervelend dreigde te verlopen, de volle morele steun van de Nederlandse bisschoppen gehad.’
Natuurlijk, hij volgt met de grootste belangstelling de wijze waarop monseigneur Muskens, bisschop van Breda, het thema van de armoede in Nederland heeft aangezwengeld.
'Zelf ben ik al sinds het voorjaar voorzitter van het Comité Armoedebestrijding Tilburg’, zegt Ernst Hirsch Ballin, 'dus de materie is mij niet vreemd. Hoe het ook zij, het optreden van monseigneur Muskens is een typisch voorbeeld van een moreel debat zoals mij dat voor ogen staat.’
Zijn plichten nopen hem tot een afspraak elders. Wij nemen afscheid. ’s Anderendaags bedenk ik dat ik vergeten ben een vrij essentiële vraag te stellen. Het betreft zijn voornoemde optreden voor Radio Vaticano, een voorrecht dat weinig Nederlanders, hoe katholiek ook, zal zijn vergund. Hoe gaat zoiets? Moet je daarvoor speciaal naar Studio Vaticaanstad? Of huurt de paus voor een uurtje de KRO-studio af? Of krijg je soms een getabberde dominicaan met baard en bandrecorder over de vloer? Nog even Ernst Hirsch Ballin geraadpleegd, nu via de wondere wegen der telecommunicatie. Het vraaggesprek verliep vrij prozaïsch, vertelt hij, per telefoon, en werd door een Duitse pater afgenomen. 'In het Duits. Ik kan mij aardig redden in het Italiaans, maar in dit geval leek het mij, gegeven de delicaatheid van de materie, verstandiger mij te bedienen van een taal die ik wat beter beheers. Maar of die pater een baard laat staan een pij droeg kan ik u dus helaas niet vertellen.’