Essay: De foto van een executie in Nederlands-Indië

Morele kortsluiting

Na de publicatie van enkele onbekende foto’s en na een open brief die opriep tot nader onderzoek van de politionele acties in Nederlands-Indië moeten we ons opnieuw een beeld vormen van hoe de natie met haar morele zelfbeeld en het ‘foute’ koloniale verleden worstelt.

Medium dommering

Deze zomer publiceerde de Volkskrant een drietal foto’s van een executie die in 1947 tijdens de zogenaamde politionele acties zou hebben plaatsgevonden. De foto’s zijn in Enschede bij het huisvuil aangetroffen in een fotoalbum afkomstig van een overleden militair die in die perio­de naar Nederlands-Indië was uitgezonden. De krant bracht het als een ‘onthulling’. Dat lijkt mij overdreven. Het is eerder een illustratie bij een geschiedenis die is beschreven, maar telkens weer wordt verdrongen.

Begin jaren tachtig, op reis door Indonesië, raakte ik op de Indonesische Onafhankelijkheidsviering op 17 augustus verzeild in een historische optocht. Toen ik twee kooien langs zag rijden met daarin twee gevangenen die in Nederlandse militaire uniformen waren gestoken, werd het mij duidelijk dat de koloniale geschiedenis van Nederland iets ingewikkelder in elkaar stak dan het rijtje ‘Bali, Lombok, Soemba, Soembawa, Flores, Timor’ dat ik aan de hand van de Bosatlaskaarten op de lagere school uit mijn hoofd moest leren. Die ervaring werd herhaald in 1993, toen ik na terugkeer van een Indonesië­reis geconfronteerd werd met de zaak rond schrijver Graa Boomsma.

Op 17 november 1993 had het gerechtshof te Leeuwarden, naar aanleiding van een klacht van een oud-militair die na de Tweede Wereldoorlog in Indonesië in het Nederlandse leger had gevochten, een strafvervolging wegens smaad bevolen van Boomsma. Dit moest volgens het hof gebeuren omdat de schrijver in een interview in Het Nieuwsblad van het Noorden naar aanleiding van zijn roman De laatste tyfoon over Nederlandse militairen in de politionele acties had gezegd: ‘Ze waren geen SS’ers, nee, ook al konden ze door de dingen die ze deden er wel degelijk mee worden vergeleken.’ Er volgde uiteindelijk vrijspraak, maar het feit dat oud-Knil-militairen het voor elkaar kregen dat er een strafvervolging werd ingesteld was bizar genoeg.

De Knil-militairen hadden trouwens al in de jaren tachtig hun geschiedbeeld bij de rechter veilig willen stellen. Het Comité Ge­schiedkundig Eerherstel Nederlands-Indië had stelling genomen tegen de eerste kritische Indië-delen (deel 11a) van Loe de Jong, en zelfs aan de rechter gevraagd uit te spreken dat de publicatie daarvan onrechtmatig was. Ook tegen deel 12, tweede helft, dat de politionele acties bespreekt, is door oud-strijders geageerd. Met een beroep op de Wet Open­baar­heid van Bestuur verlangden zij inzage in nog niet gepu­bli­ceerde delen van het manuscript.

Tegelijk met het opgerakelde verleden borrelde, net als nu bij de foto’s, de _Achter het Nieuws-_uitzending uit 1969 op, waarin de oud-militair Joop Hueting een boekje opendeed over hoe het tijdens de acties was toe­gegaan, en de daarop in allerijl in elkaar gestoken Excessennota, die de politieke paniek moest bezweren. Met het Rawagede-proces (Nederlandse massa-executies in het dorp Rawagede), waarin dit jaar uitspraak door de Haagse rechtbank werd gedaan, werd de Excessennota andermaal geopend. En dan nu de foto’s.

In 1994 heb ik nogal wat onderzoek gedaan voor een artikel in het Nederlands Juristenblad (njb) over de zaak-Boomsma. Een steekproef van de jaargangen 1946-1950 van een algemeen juridisch forum als het njb leerde mij destijds dat de politionele acties daarin nauwelijks aan de orde zijn geweest. Men schreef over Duitse oorlogsmisdrijven en de Noodwet Indonesië die van een voortgezette staatkundige rela­tie uitging. Hoe is het juridisch mogelijk geweest dat Nederland een dienstplichtig leger van honderdduizend man in minder dan een jaar op de been kon brengen om in de Indi­sche archipel een politiek uitzichtloze en militair af­schuwe­lijke guerrillaoorlog te gaan voeren?

Het ging niet zonder slag of stoot. De periode voorafgaande aan de eerste actie kenmerkte zich door manifes­taties pro (het door Ger­brandy aangevoerde, vooral in de zomer 1947 roerige Comité Rijkseen­heid) en contra (bijvoorbeeld de grote algemene werkstaking van 25 september 1946 bij het scheepgaan van de eerste troe­pen). De linker- en de rechter­zijde in de politiek stonden scherp tegen over elkaar.

Er stapte een groot aantal vrijwilligers (de ovw’ers) blijmoe­dig van de ene oorlog in de andere: in totaal ruim 25.000. Hoewel aanvankelijk werd gedacht dat het aantal ovw’ers voldoende zou zijn moest spoedig een beroep op dienstplichtigen worden gedaan: dat werden er zo’n 95.000. En die gingen niet vrijwillig. De juridische basis voor de uitzending van de troepen was nogal wankel. Bij de grond­wetsher­ziening van 1887 werd de regeling van de krijgs­macht uit de grondwet naar de wet over­gebracht, maar werden wel enige regels ter waarbor­ging van de belangen van de dienst­plichtigen in de grondwet opgenomen. Artikel 184 hield in dat dienst­plichtigen niet zonder hun toestemming naar de koloniën mochten worden ge­zonden. In 1946 vond de rege­ring dat kennelijk een onvoldoen­de basis, omdat in het merendeel van de gevallen geen sprake was van toestemming. Er werd daarom een ­grondwets­­­ar­tikel voor­gesteld dat uit­zending ‘niet dan krachtens een wet’ moge­lijk was. Nadat die wijziging van de grondwet was aangeno­men, werd de nood­zakelij­ke wet op 4 augus­tus 1947 in het Staatsblad gepu­bli­ceerd, dus ruim nadat de dienst­plichtigen in Indonesië waren gelegerd; zij werd van kracht precies op de dag dat de eerste politionele actie was voltooid.

Veel dienstplichtigen gingen niet vrijwillig en velen tracht­ten zich te onttrekken, hetzij door onder te duiken hetzij door een beroep te doen op gewetensbezwaren. Naar schatting zijn er 2600 deserteurs tot vier à vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar in feite zijn er veel meer onder­gedoken geweest. Degenen die zich trachtten te onttrekken werden opgesloten in het ‘depôt Schoon­hoven’ en – als ze zich niet alsnog bedachten – door de Rotter­damse Krijgsraad berecht. Na hun berech­ting werden ze dikwijls overgebracht naar gevan­ge­nissen waar ook nsb’ers en Duitse oorlogsmisdadi­gers hun straffen uitza­ten.

Van generaal Spoor is de uitspraak bekend: ‘Ik stel er nog steeds prijs op comman­dant van een leger te zijn, en geen directeur van een schiettent.’ Dat neemt niet weg dat in Indone­sië het geweld losbarstte, niet alleen door het militai­re optreden op zich, maar ook in de context van een revolutio­naire strijd. Het leger bevond zich in de periode van 1947 tot 1949 in een schiettent. De schat­tingen van de militaire verliezen aan Neder­landse zijde vanaf de Bersiap-tijd (de periode van politieke chaos in 1945 toen de Japanse kampbewakers de in de kampen opgesloten Nederlanders tegen de benden van revolutionaire jongeren moesten beschermen) variëren, maar het zullen er ettelijke dui­zenden zijn geweest. Een schatting van honderdduizend voor de verliezen van de tni (het repu­blikeinse leger) in de periode 1945-1949 wordt betrouwbaar geacht. In de Bersiap-tijd zijn er onder de Ne­der­lands(-Indi­sch)e bevolking vele duizen­den slachtoffers geval­len. Onder de Indonesische burgerbevolking moeten het er in de periode 1945-1949 tienduizen­den zijn geweest, niet alleen door militair optreden maar ook als gevolg van een gewelddadige revolutionai­re situatie. Voorts zijn er door Nederlandse Bijzondere Krijgsraden tegen gevangen genomen ‘terroristen’ en tni-soldaten een onbekend aantal doodvonnis­sen gewezen.

Het Nederlandse leger was in deze revolutionaire oorlog niet alleen met een militaire operatie bezig maar ook met een politieke zuiveringsactie, zeker na de eerste politionele actie en tijdens en na de tweede. De tni paste de tactiek van de verschroeide aarde toe: het Nederlandse leger brandde politiek verdachte kampongs plat. De militaire eenheden werden verge­zeld van speciale troepen die politieke krijgsgevangenen maakten waarop derde­graads verho­ren werden toegepast. Derdegraads is een nette term voor fysieke geweldpleging, inclu­sief de bran­dende siga­ret in de huid en de stroom in de geslachtsdelen. De militai­ren die dit, en ander soort geweld, zoals de executies van burgers zonder enige vorm van proces (‘op de vlucht neer­geschoten’) en verkrachtingen hadden waargenomen, konden dat verhaal niet kwijt bij hun terugkeer in Nederland. J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix vertelden dat zij het manuscript voor hun studie Ontsporing van ge­weld, over het Nederlands/Indisch/Indonesisch conflict al in 1952 gereed hadden, maar het niet gepubliceerd konden krijgen. Binnenskamers werd er wel door oud-dienstplichtigen tegenover hun familieleden over gepraat. Graa Boomsma had zo’n vader in de huiskamer zitten en dat is ook de inspi­ratie voor zijn boek geweest.

In januari 1969 barstte de bom toen de psycholoog Hueting over zijn ervaringen in de Vara-uitzending Achter het Nieuws vertelde. Het was de periode van de Vietnam-demonstraties met de leuze ‘Johnson moordenaar’. Het was in de woorden van Anil Ramdas in de Den Uyl-le­zing van 1993 voor Nederland een ‘koloniaal rampjaar’, wegens poli­tieke onrust in Suri­name en de Antillen in dezelfde perode. Bovendien: het Neder­landse moralisme werd, aldus Van Doorn en Hendrix, in het hart getroffen. De rege­ring moest volgens het parlement opening van zaken geven. Dat werd de zogenaamde Excessennota, die al op 3 juni 1969 aan de Tweede Kamer werd aangeboden.

De Excessennota bevat een gedetailleerde weergave van hetgeen er in korte tijd uit de archieven omtrent het Nederlandse militaire geweld kon worden opgediept, inclusief een overzicht van de beslissingen die door Krijgsraden werden genomen en de artikelen die in de betrokken perio­de in de Nederlandse pers zijn verschenen. Het is een omvangrijk overzicht, maar Van Doorn en Hendrix conclu­deerden al in hun kort nadien gepubliceerde studie (waar toen ineens wél belangstelling voor was) dat het overzicht onvolledig was. De discussie in de Kamer zou zich dan ook voor een deel concentreren op de vraag of dit ‘het topje van de ijsberg’ was. De regering vond van niet.

Premier de Jong bood de Nota aan met een voor de militairen verzoenende toelichting volgens het adagium ‘à la guerre comme à la guerre’: in de oorlog gaat het er hard aan toe, en gegeven dat feit was het optreden natuurlijk niet altijd even fraai geweest, maar niet exces­sief. De discussie concentreerde zich voor een deel op wat bekend is geworden als de ‘Zuid-Celebes-affaire’, de periode van december 1946 tot februa­ri 1947 dat kolonel Westerling (bijge­naamd ‘de Turk’, omdat hij uit een Turkse vader was geboren) aldaar naar eigen inzichten de orde had hersteld, waarbij tiendui­zen­den slachtoffers waren gevallen. Dat verhaal was niet nieuw, omdat hierover al in 1947 door een commissie onder voorzitterschap van mr. K.J.L. van Entho­ven aan de regering was gerap­por­teerd. Dat rapport was toen in de Tweede Kamer bespro­ken. Hoewel de commissie een aantal geweldsexcessen consta­teerde, is haar eindoordeel dat de situa­tie van rebellie en terreur in dit gebied effectief was onderdrukt.

De Tweede Kamer leerde uit de Excessen­nota voor het eerst dat er nadien in 1954 een tweede rapport was aangeboden door een commissie, die al in 1949 aan de slag was gegaan, en be­stond uit mr. C.v. Rij, mr. W.H.J. Stam, en mr. F.A. Groe­ninx van Zoelen (die later niet mee teken­de). De com­missie kwam tot andere conclusies en had scherpe kritiek op de rol van de verantwoordelijke hoogste autoritei­ten in Neder­lands-Indië, die standrechtelijke executies door militairen hadden ­toe­ge­laten. In de woorden van de commissie: ‘Dat deze autori­teiten ten­slotte hebben toegelaten en goedgekeurd, zoal niet bevolen, dat een duide­lijk niet-militaire, in een rechtsstaat met waarborgen omringde, taak onder het begrip “militaire actie” werd gebracht.’

De Zuid-Celebes-affaire is echter niet de enige zaak waarover de Nota rapporteert. De uit de archieven opgediepte zaken beslaan 58 pagina’s, het overzicht van beslissingen van Krijgsraden in Nederland en Indonesië 75 pagina’s. Uit het overzicht van berechtingen blijkt dat de plunderingen van ‘lichte aard’ waren ge­weest; geweldpleging was voorgekomen bij ‘individueel (niet orga­niek)’ optreden bij fouilleringen, huiszoekingen en verhoren; en ernstige geweldsmisdrijven (inclusief moord en doodslag) bij vluchtpogingen van een verdachte, ‘optreden tegen een zich in de verboden tijd op straat bevinden, zulks om een voorbeeld te stellen’, en ‘op­treden te midden van min of meer chaotische toestanden tegen extremisten, terwijl de schuldige verstoken was van afdoende instructie’.

In de Kamer voelde een meerderheid niet voor nader onderzoek. De ergste feiten waren bestraft, zij het vaak mild (zeker vergeleken bij de desertie). Men moest toch begrip hebben voor de moeilijke omstandigheden waaronder het leger had moeten opereren en achteraf niet te streng oordelen. Het Kamerlid Diepenhorst geraakt tot deze slotconclusie, nadat hij blijkens de Handelingen gezegd heeft: ‘De daden zijn soms afschuwelijk. Als een jongetje van zeven jaar zijn vader ziet neerknallen vergeet hij dat nooit meer. Het is pijnlijk te lezen dat met behulp van elektrische stroom is verhoord. Verruwing trad onloochenbaar op. (…) De gehanteerde strafmaat kan buiten­staanders soms verbijsteren. De strafmaat in een enkele zaak kan deskundigen zelfs bevreemden.’

Het chu-Kamerlid Mellema zag een lichtpunt in het feit dat een drie­tal mariniers (met een onberispelijke staat van dienst), die wegens insubordina­tie waren veroordeeld omdat zij gewei­gerd hadden een dienst­bevel op te volgen om een kampong in brand te steken aange­zien zij daar de militaire noodzaak niet van inzagen, uitein­delijk toch maar gratie hadden gekregen. Het gaat hier om een affai­re die destijds de publieke opinie nogal in beroe­ring had gebracht. Het Hoog Militair Gerechtshof (hmg) had, met beves­tiging van wat het de ‘brandstichtingssententie’ van de Krijgsraad noemt, de beklaagden tot tweeënhalf jaar gevangenisstraf ver­oor­deeld, omdat ‘juist onder de huidi­ge tijds­omstandigheden de uiterste discipline en tucht in de militaire dienst geëist mag worden’. De volkenrechtgeleerde Röling, toch niet de eerste de beste, trekt in zijn commentaar een vergelij­king met het platbranden van woningen in Putten door de Duit­sers in de Tweede Wereldoorlog, maar vindt dit geval uitein­delijk niet verge­lijkbaar, en de beslissing van het hmg ge­rechtvaardigd. De publieke opinie dacht er anders over. Onder druk daarvan werden de veroordeel­den op 30 decem­ber 1948 in vrij­heid ge­steld. Op 22 april 1949 werd hun gratie verleend. Volgens het Kamerlid Mellema (t.a.p.) konden ‘met dit voor­beeld de be­schuldigingen van het niet diligent zijn van het parlement zonder meer worden weerlegd’.

In de Tweede Kamer is ook het punt van de oorlogsmisdrijven aan de orde geweest. Daarover kon de Regering kort zijn. Het door de regering op dat moment voorbereide wetsont­werp tot aanpassing van het oorlogsstrafrecht (en de verlen­ging van de verjaringstermijn) had alleen betrekking op feiten die tij­dens de Tweede Wereldoorlog waren begaan, en voor het overige slechts op de toekomst. Voorts was er de Amnestie-ordonnantie, waardoor dege­nen die werden vervolgd of reeds waren veroordeeld voor misda­den die een duidelijk uitvloeisel waren van het politieke conflict tussen Nederland en de Republiek buiten vervolging werden gesteld, of van straf werden ontheven. De regering had een ruime uitleg aan de ordonnantie gegeven. Die uitleg was overigens niet zo ruim dat ook de bestrafte deserteurs eronder vielen, want dat voorbeeld moest blijvend worden ge­steld, omdat, in de woorden van de minister van Justitie in 1950, ‘deze uitzen­ding buiten Nederland best weer kon gebeu­ren’.Op 3 juli 1969 werd de Excessennota door de Tweede Kamer ‘voor kennisgeving aangenomen’ zoals dat in het jargon heet. De moties van links, waarin om meer onderzoek (een parlementaire enquête) werd gevraagd, werden ver­worpen.

De publicatie van die foto’s in de Volkskrant leidde kort geleden weer tot hetzelfde type uitzendingen op de televisie als bij eerdere oprispingen. We zagen militairen die correct hun plicht hebben gedaan in zeer moeilijke oorlogsomstandigheden, Hueting als representant van de onderdrukte kritische geest, Bersiap-slachtoffers: ze vertellen allemaal hun eigen tragische verhaal en beschouwen het verhaal van de ander als een poging hun versie van de geschiedenis weg te drukken. En ze vertellen allemaal dat ze door de naoorlogse Nederlandse regeringen in de kou zijn gezet, omdat naoorlogs Nederland niet zat te wachten op een postkoloniaal verhaal dat niet paste in de goed-fout-conceptie. En daarna krijgen ze ruzie. Het worden er wel minder, de getuigen, en ze zijn ouder dan bij de vorige keren.

Ook de morele kortsluiting waarin het Nederlandse historische bewustzijn in dit soort kwesties raakt, valt weer volop waar te nemen. Het goed-fout-schema dat er na de Tweede Wereldoorlog is ingeramd verzet zich ertegen dat we het koloniale verleden in ons politieke handelen in het buitenlandse beleid ten aanzien van Indonesië betrekken. In dezelfde periode dat de foto’s in Enschede opdoken, besliste het Nederlandse parlement dat we overtollige tanks niet aan Indonesië kunnen verkopen, omdat die tanks wel eens tegen de Indonesische burgerbevolking zouden kunnen worden ingezet. Dat argument van die burgerbevolking zou Nederland toch liever niet moeten gebruiken. In 1947 hebben we namelijk op grote schaal pantsermaterieel ingezet tegen de burgerbevolking van de in 1945 uitgeroepen Indonesische republiek. En daar zijn echt heel veel foto’s van, al heeft de redactie van de Volkskrant ze misschien nog niet allemaal ontdekt.

Wie zich een beeld wil vormen van hoe de natie met haar morele zelfbeeld en het ‘foute’ koloniale verleden worstelt, raad ik aan eens een kleine wandeling te ondernemen op de Apollolaan in Amsterdam-Zuid. Bij de Beethovenstraat staat nog altijd het herdenkingsmonument van de represaille-fusillade van verzetsstrijders in 1944, waar ik als scholier op 4 mei een tulp moest neerleggen. Daar staat het morele zelfbeeld nog kloek overeind. Maar dan moet je doorlopen richting Amsterdams Lyceum. Daar staat tegenwoordig het ‘Indië-Nederland 1596-1949’ monument. Toen ik daar in de schoolpauzes rondliep, heette het nog gewoon het Van Heutszmonument. In 1961 was ik nog betrokken bij een studentenactie tegen dat monument, omdat burgemeester Van Hall in verband met de toen opspelende ‘Nieuw-Guinea-kwestie’ een opvoering van Slauerhoffs stuk Jan Pieterszoon Coen door de Amsterdamse studententoneelvereniging had verboden.

Nu heet dat monument dus Indië-Nederland (niet ‘Nederlands-Indië 1596-1945’, maar ‘Indië-Nederland 1596-1949’, dus met ontkenning van de stichting van de Republiek Indonesia in 1945). De koperen plaat met de beeltenis van Van Heutsz is van de voorkant verwijderd. Op de achterkant is een tekst aangebracht waarin we kunnen lezen dat het stadsdeelraadbestuur het in 2001 niet langer gepast achtte om een monument van Van Heutsz, onze houwdegen in Atjeh (hij komt bij programma’s over politionele acties ook altijd even langs) binnen zijn grenzen te hebben. Daarom heeft het monument een andere naam gekregen en is aan een kunstenaar gevraagd de positieve relatie met het Nederlands-Indische verleden te verbeelden. Dat heeft deze gedaan in de vorm van een viertal brugachtige muurtjes waarin wij mooie oude foto’s van Nederlands-Indië en ook wel iets van de Republiek kunnen waarnemen. Foto’s van de Bersiap-tijd of de politionele acties zijn er, geloof ik, niet bij.

Het stadsdeelraadbestuur heeft vermoedelijk niet opgemerkt dat dit monument, dat is ontworpen door Frits van Hall, familie van de burgemeester en als verzetsstrijder omgekomen in een concentratiekamp, van begin af aan al de trekken van een onafhankelijkheidsmonument vertoonde. De schitterende reliëfs verbeelden de inheemse bevolking. De lange gestalte die op het monument staat (vroeger dus boven Van Heutsz) heeft iets van een Oosterse godin. Vanaf het begin droeg het monument de spanning in zich van onderdrukking en bevrijding.

In de zucht naar loutering van het morele bewustzijn is het monument dus twee keer ontluisterd: eerst door de man die onlosmakelijk met de zwarte kant van onze koloniale geschiedenis is verbonden eruit te schoppen. Daarna door de strekking van het werk van de beeldhouwer die het gemaakt heeft te miskennen en er een ander onduidelijk monument tegenaan te plakken.

In een open brief in de Volkskrant van 19 juni hebben historici opgeroepen dat er een gedegen onderzoek moet komen naar de politionele acties, mede aan de hand van Indonesische archieven die nu toegankelijker zouden zijn. Die oproep komt rijkelijk laat. Al direct bij het verschijnen van de Excessennota in 1969 was duidelijk dat dit stuk, ondanks alle verdiensten die deze inventarisatie had gelet op de tijdsdruk waaronder die tot stand was gekomen, onvolledig was. Ook daarna hebben we niet van een oproep tot onderzoek van historici vernomen. Integendeel: in de inleiding bij de handelseditie van de Excessennota in 1995 zegt Jan Bank dat ‘de nota (weliswaar) niet volledig mocht zijn, ze was op zich al zo gedetailleerd dat aanvulling wel tot een groter aantal (gevallen) maar niet tot een wezenlijk ander beeld zou hebben geleid’.

Er kwam ook geen open brief bij de start van het proces-Rawagede (in de Excessennota drie alinea ’s inclusief het slot: ‘De majoor die de leiding had en voor de executie van de in totaal twintig gevangenen verantwoordelijk was, is om redenen van opportuniteit niet vervolgd’). Bovendien sluit de huidige oproep nadrukkelijk onderzoek uit naar de vraag van de politieke en juridische verantwoordelijkheid, terwijl het juist zo interessant zou zijn die vraag, die in 1952 en opnieuw in 1969 rap onder het tapijt is geschoven, verder uit te diepen.

De historicus James Kennedy, die het Nederlandse landschap met de kritische verbazing van de buitenstaander beschouwt, wijst in het Historisch Nieuwsblad van juli/augustus op al bestaande studies en waarschuwt ervoor dat iets typisch Nederlands dreigt te gebeuren: eerst wordt een probleem decennia genegeerd, en op het moment dat het geen kwaad meer kan, moet er op basis van ‘definitief’ onderzoek een consensus worden gecreëerd.

Er is één lichtpunt, en dat is dat een onderzoek in ieder geval meer om het lijf kan hebben dan het tv-programma Nederland valt aan van de ntr dat op 21 juli werd uitgezonden ter gelegenheid van het 65-jarige jubileum van de eerste politionele actie. De uitzending beoogde te laten zien hoe het zou zijn geweest als er toen televisie zou zijn geweest. Nog afgezien van het feit dat het optreden van Maartje van Weegen als anchorvrouw anno 1947 en Joop Daalmeijer als verslaggever anno 1947 een hoog tussen-de-schuifdeuren-amateurtoneel-gehalte had, moet je je afvragen welke geschiedkundige les hier werd verteld. Als er in 1947 televisie was geweest zou het immers (te oordelen naar het beschikbare beeldmateriaal van de Polygoon-filmjournaals) een propaganda-uitzending voor het Nederlandse regeringsstandpunt zijn geweest. Iets in de trant van het verslag van de inspectiereis van generaal Kruls in 1947: ‘Nu gaat het de bergen in, naar het gebied van het Irenebataljon. Een schitte­rende tocht over de hellin­gen van de Poentjak. Wat is Indië toch een prachtig land.’ Hij vat de kern van zijn inspec­tie van de troep samen als: ‘Hoed af voor onze mannen in Indië.’ Daarvoor had je beter Mart Smeets in een kloffie uit 1947 als anchorman kunnen nemen.


Egbert Dommering is emeritus hoogleraar informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam. Het artikel in het Nederlands Juristenblad van 1994 waaruit wordt geciteerd is hier te vinden