Media en publieke opinie over Screbenica

Morele slaap

In het Niod-rapport wordt de rol van de publieke opinie vernauwd tot die van de zelfverklaarde vertolkers ervan: de media. Dat is begrijpelijk maar onterecht, want als je de enquêtes met betrekking tot vredesoperaties en «Srebrenica» afzet tegen algemene opinieonderzoeken, ontdek je rare dingen.

«Het ‹Srebrenica-trauma› bestaat vooral in de verbeelding van diplomaten, politici en journalisten», schreef Leon Wecke anderhalf jaar geleden in Trouw. Sinds de zomer van 1995 meenden pers en politici dat de steun voor humanitaire interventie onder het Nederlandse volk was weggesmolten, maar volgens de Nijmeegse polemoloog was er geen sprake van een negatieve weerslag op de publieke opinie. De gemiddelde Nederlander bleef hartstochtelijk voorstander van VN-vredesoperaties, zo bleek uit een opinieonderzoek van zijn Studiecentrum voor Vredesvraagstukken enkele maanden na de val van de enclave. Het enige wat de publieke opinie niet accepteert, aldus Wecke, is dat er «niet tot de verbeelding sprekende slachtoffers» vallen. Maar dat is nu juist het probleem bij vredesoperaties, schreef Karel Koster van de werkgroep Eurobom in een reactie: «De immense publieke druk die ontstond bij een enkele dode of zelfs gewonde Nederlander in het verleden is veelzeggend. Hoe groot zal de storm van verontwaardiging wel niet zijn wanneer er wekelijks Nederlandse slachtoffers vallen?»

De publieke opinie, in de nasleep van «Srebrenica» verantwoordelijk gesteld voor vele politieke beslissingen, blijkt een wispelturig beestje te zijn, op het schizofrene af. Als je de enquêtes met betrekking tot vredesoperaties en «Srebrenica» in ons land afzet tegen algemene opinieonderzoeken, ontdek je rare dingen. Het jaarlijkse CPB-onderzoek naar politieke prioriteiten wijst bijvoorbeeld uit dat in 1995 vier procent van de Nederlanders de hoogste prioriteit toekende aan versterking van de krijgsmacht (en 55 procent aan bestrijding van de criminaliteit). In 1996 was dat percentage gedaald tot drie. Ondanks het jammerlijke falen van Dutchbat achtten veruit de meeste Nederlanders onze krijgsmacht kennelijk robuust genoeg.

«Opinieonderzoeken zijn zeer willekeurig», zegt de Leidse polemoloog Philip Everts, die onderzoek doet naar beïnvloedingsprocessen in de buitenlandse politiek. «Als je mensen een lijst met vragen voorlegt zonder te peilen of ze erover hebben nagedacht, krijg je zulke tegenspraken. De nationale opwinding over Srebrenica was de laatste jaren soms groot, maar in algemene opinieonderzoeken vind je er vrijwel niets van terug. Het effect op de besluitvorming is al even onduidelijk. Het enige wat ik met zekerheid durf te zeggen, is dat de publieke opinie een minder belangrijke rol speelt dan doorgaans wordt verondersteld, met name door de media. Politici beroepen zich op de stem van het volk als het hen zo uitkomt of ze proberen hem door crisismanagement te bezweren, maar hun mening wordt er zelden door beïnvloed.»

Het Niod-rapport laat de publieke opinie grotendeels buiten beschouwing. De spaarzame gegevens waarvan de onderzoekers gebruik konden maken, haalden ze uit de knipselmap van Everts, die juist bezig was met een hoofdstuk over Srebrenica voor zijn boek Democracy and Military Force (2002). In het rapport wordt de rol van de publieke opinie ongemerkt vernauwd tot die van de zelfverklaarde vertolkers ervan, namelijk de media. Die vernauwing is vanwege het ontbreken van gegevens begrijpelijk, maar onterecht. Everts: «De wisselwerking tussen publiek en media is nauwelijks onderzocht en tamelijk raadselachtig. De media zijn geen simpel doorgeefluik van de stemming onder de bevolking. Ze vormen de opinie van het publiek en de politici niet, maar beïnvloeden die wel, vooral door zaken onder de aandacht te brengen. De grootste macht van de media is waarschijnlijk hun vermogen tot agenderen.»

Als het gaat om de invloed van de Nederlandse media op de besluitvorming biedt het Niod-rapport evenmin uitsluitsel. De meeste journalisten hanteerden vanaf 1992 een «tamelijk stereotiep, versimpeld beeld van het Bosnische conflict» waardoor ingrijpen wenselijk of zelfs onvermijdelijk leek. De meeste Haagse politici waren daar óók van overtuigd en het is maar de vraag of de media de politiek beïnvloedden of andersom. Het Niod spreekt van een «politiek-publicitaire constellatie» met «verregaande consequenties», waaronder het feit dat Nederland in 1992 zonder voorwaarden de Luchtmobiele Brigade ter beschikking stelde. Het verst ging de actualiteitenrubriek Hier en nu, die elke uitzending afsloot met de woorden: «En nog steeds wordt er niet ingegrepen…»

Toen Dutchbat goed en wel in Srebrenica zat, sloeg de stemming echter om. De media besteedden steeds meer aandacht aan de risico’s van interventie, met het mislukte Amerikaanse avontuur in Somalië als afschrikwekkend voorbeeld. Er werd uitvoerig geschreven over de ontoereikende bewapening van Dutchbat en gespeculeerd op het «terug halen van de troepen» omdat de enclave «onverdedigbaar» en het conflict «onoplosbaar» zouden zijn. Commentatoren hanteerden vaker het beeld van de ongeneeslijk gewelddadige en onbetrouwbare «Balkan-mens», zoals Oost-Europakenner Ronald van Naarden aantoont in zijn buitengewoon verhelderende Niod-deelstudie Beeld en Balkan over de Nederlandse en Europese waarneming van de Bosnische situatie. Begin 1995 draaide de discussie om de vraag of Dutchbat zich moest terugtrekken of wachten op de beloofde aflossing door Oekraïense troepen in augustus 1995.

Ook in deze fase liep de journalistieke agenda parallel met de agenda van de verantwoordelijke politici, een aspect dat het Niod volledig lijkt te zijn ontgaan. De auteurs van het deelrapport over de media, Good guys en bad guys in woord en beeld, hebben de journaals van NOS en RTL4 gedurende het jaar 1995 doorgelicht op het gebruik van sleutelwoorden als «oorlogsmisdaden», «genocide» en «deportatie», maar ze zijn helaas het sleutelwoord «lijkenzak» vergeten. Nederland was gefixeerd op het overleven van Dutchbat, niet van de moslimvluchtelingen. In de aanloop naar de val van Srebrenica wilde geen enkele politicus of journalist medeverantwoordelijk zijn voor eventuele Nederlandse doden.

Op de vraag of die vrees voor de publieke verontwaardiging terecht was, antwoordt Everts: «Er is niet het geringste bewijs voor die ‹lijkenzakkenhypothese›. Politici en militairen hebben hem gebruikt als alibi voor hun eigen aarzelingen over de Nederlandse deelname, vooral toen de militaire situatie dreigend werd door de Servische gijzeling van VN-personeel. En inderdaad, als politici het publiek niet kunnen of willen voorlichten over noodzaak en risico’s van een interventie, moeten ze een weerslag van de publieke opinie vrezen. Maar als ze uitleggen dat bepaalde beslissingen nodig en risico’s onvermijdelijk zijn, is het publiek daar wel degelijk gevoelig voor. Politici moeten niet wegduiken voor hun verantwoordelijkheid, dat is wat mij betreft de voornaamste lesson learned in Srebrenica.»

Zodra de enclave viel en de eerste meldingen van Bosnische in plaats van Nederlandse lijken de wereld ingingen, sloeg de stemming bij de vaderlandse media in een oogwenk om. Uit «schaamte» over hun eigen volgzaamheid in de voorafgaande maanden en jaren stortten journalisten zich op de echte en vermeende tekortkomingen van Dutchbat, aldus het Niod in een van de meest ontluisterende passages van het rapport. Tot openlijke, kritische zelfreflectie waren maar weinigen bereid. Van alle betrokken Nederlandse instituties beschikken de media waarschijnlijk over het minste zelfreinigende vermogen. Sommige alinea’s kun je als journalist alleen met plaatsvervangend schaamrood op je kaken lezen. Ze bewijzen eens te meer dat journalisten in de eerste plaats de macht moeten controleren, anders verworden ze zelf tot machtswellustelingen.

Wat zou de voornaamste vrucht van die zelfreflectie moeten zijn? Het Niod vat de tekortkomingen van de Nederlandse pers als volgt samen: «te veel moraal, te weinig feiten, te veel standpunten, te weinig analyse, te veel emotie». Achteraf gezien had Nederland zijn blauwhelmen eerder uit Srebrenica kunnen terugtrekken, maar een nuchtere discussie daar over was in strijd met het verheven aura waarmee de missie was omgeven. Het Britse leger heeft zijn soldaten ook teruggetrokken uit een zogenaamd veilig gebied in Bosnië omdat dat niet meer te beschermen was. «En hoor je iemand klagen over de schandelijke terugtrekking van de Engelsen?», zei generaal b.d. Tomasso in 1998 in NRC Handelsblad: «Zoiets zeggen alleen Nederlanders. Wij accepteren geen militaire argumenten.»

Iemand die wél al ruim vóór de val van de enclave Srebrenica voor terugtrekking pleitte, was de Amsterdamse politiek geograaf Gertjan Dijkink. Hij trok al eerder de aandacht met zijn stellingen aangaande «sociaal geheugen verlies», het verschijnsel dat onze collectieve psyche de neiging heeft ongemerkt feiten te vergeten en ongestraft meningen te herzien, ook inzake humanitaire interventie.

Dijkink: «Ik ben niet tegen vredesoperaties, ik vond alleen dat het anders moest. Nederland verkeerde in een soort morele slaap, niet in de laatste plaats dankzij de internationale consensus dat vredeshandhaving geen risico’s mocht inhouden. De VN-leiding, Washington en de andere Europese landen dachten er in die tijd net zo over. Politici en diplomaten willen altijd de werkelijkheid bezweren in plaats van die te veranderen en het is levensgevaarlijk als je ze in die waan laat.

Het Niod-rapport is vooral interessant omdat het de banaliteit van het kwaad laat zien. Uit de aaneenschakeling van individuele fouten van betrokkenen kun je opmaken dat het kwaad gemakkelijk en meestal onbedoeld in de wereld komt. Om zulke onbedoelde processen te voorkomen, moet je als land of politiek leider veel radicaler optreden dan Nederland inzake Srebrenica heeft gedaan. Terugtrekking was een duidelijk signaal aan de wereld en de VN geweest. De gevolgen voor sommige vluchtelingen waren misschien dramatisch geweest, maar de meesten hadden er dan tenminste rekening mee kunnen houden. De gevolgen van het valse gevoel van veiligheid dat we ze hebben gegeven, waren veel erger.»