Morsdood

De ene moord is de andere niet, zo weet de operaliefhebber beter dan wie dan ook. Een moord kan vuil zijn, terecht, tragisch, klein, pontificaal, mythisch, onbedoeld, gewelddadig, heroisch, terloops, gepassioneerd, sadistisch, lafhartig of geraffineerd. In het genre opera komt moord in alle soorten en maten voor. Want wie leeft er niet mee met Tosca wanneer zij een mes pakt om haar verkrachter Scarpia neer te steken? Is er een tragischer moord denkbaar dan die op Gilda (Rigoletto) als blijkt dat de huurmoordenaar zich vergist heeft en zij uit de lijkenzak rolt? En wie krijgt niet de rillingen bij de gruwelijke wreedheden waarover wordt verhaald in Il Trovatore? Beleeft niet iedereen een gevoel van voldoening op het moment dat Fasolt en Fafner (Das Rheingold) elkaar de koppen inslaan?

Opera bestaat bij de gratie van moord & doodslag. Liefde, geweld en dood vormen een hecht driemanschap dat aannemelijk maakt waarom die zangers zich zo staan uit te sloven. Geen opera zonder doden.
Moord in het echte leven is echter een veel unieker verschijnsel. Het schot dat Anton Webern voortijdig naar een andere wereld hielp, is even zeldzaam als de voorbeeldige moord op een componist. Maar zoals de filmregisseur Peter Greenaway opmerkt, is zelfs in dit geval de ware toedracht niet precies bekend. Was het een dronken Amerikaanse soldaat die de oplichtende sigaret van Webern (die voor zijn huis een luchtje aan het scheppen was), voor een vijandig doelwit aanzag? Was het een nazistisch komplot? Een antizionistische wraakactie?
Peter Greenaway is ervan overtuigd dat er een komplot tegen componisten - ja, een komplot tegen de muziek - gaande was, die begon met de moord op Webern in 1945 en eindigde met de moord op John Lennon in New York in 1980. In de tussenliggende periode vonden nog acht andere componisten, verspreid over de hele wereld, een gewelddadige dood. Bijvoorbeeld Samuel Bucket in die 1948 in een cocktailbar bij het vliegveld van Casablanca werd neergeschoten. Of de Zuidafrikaanse Portalia Zick, wiens lijk in 1952 uit een raam werd geduwd en in een pot blauwe verf belandde, zodat het aanvankelijk een ongeval leek. Of Erick Buttlitzer die op kerstavond 1961 in een Oostberlijnse concertzaal werd neergeschoten.
Het bekendste slachtoffer is ondertussen Juan Manuel de Rosa (de componerende cowboy die op 17 september 1957 van zijn paard werd geknald) omdat Greenaway met Louis Andriessen over hem de opera Rosa maakte. Het probleem met de vermoorde componisten van Peter Greenaway is echter dat niemand ze kent. Anders dan de dood van Webern en Lennon is hun overlijden volkomen obscuur. Zijn ze wel dood? Sterker: hebben ze ooit geleefd? Neem dan de moord op Claude Vivier, die op 7 maart 1983, vlak voor zijn 35ste verjaardag, in zijn appartement door wurging en een twintigtal messteken om het leven kwam. Vast staat dat hij geleefd heeft en vast staat dat hij vanaf dat moment zo dood als een pier was. De dader was de twintig jaar oude drugsverslaafde Pascal Delza, die Vivier in het homoseksuele circuit had opgepikt. Zo klaar als een klontje. Maar na verloop van tijd doken er toch geruchten op: was het wel moord? Was het geen zelfmoord, met zorg door Vivier geensceneerd? Had Vivier niet een voorliefde voor theater? Had hij zijn dood niet aangekondigd in zijn morbide zwanezang Crois-tu en l'immortalite de l'ame?
Zozeer als de dood van Claude Vivier in nevelen is gehuld, zo omstreden is de moord op Mozart en zo raadselachtig is de dood van Tsjaikovski. Nee, klassieke componisten lijken beter bedreven te zijn in huis-tuin-en-keukenongelukken met dodelijke afloop. Bijvoorbeeld Jean-Baptiste Lully, die met een grote dirigeerstok zo driftig op de grond stond te stampen dat hij zijn eigen voet spieste en aan de verwondingen overleed. Of Ernest Chausson, die op een zondagmiddag met zijn familie een fietstochtje maakte en tegen een boom reed. Morsdood.