Klaar van der Lippe & Bart Stuart

Mos op beton

De economische belangen achter de stedelijke ontwikkeling drijven het kunstenaarsduo Klaar van der Lippe en Bart Stuart regelmatig tot waanzin. Toch gaan ze in Amsterdam-Noord voort met de vormgeving van de samenleving. Inzet: een nieuw ‘wij’.

Klaar van der Lippe en Bart Stuart in hun atelier, NDSM-werf, Amsterdam

‘Kunstenaars staat een enorme taak te wachten: de wereld redden. Want die gaat naar de klote. Om dat tegen te gaan is een collectiviteit nodig. Niet uit ideologische bevlogenheid, maar uit pure noodzaak. We moeten het gevoel van wij oefenen.’ Dat zei Klaar van der Lippe vorig jaar in de tentoonstellingsruimte van Club Solo in Breda, die ze samen met Bart Stuart vulde met eigen werk, maar ook met dat van iedereen die een bijdrage wilde leveren. De benedenzaal was ingericht als atelier. Touw, katrollen, zeilen, netten en houten planken nodigden de bezoeker uit tot improvisatie en spel. Alles onder het motto: de praktijk van wederkerigheid. ‘Het publiek verdampt zodra je met een groep mensen bent. Het worden deelnemers aan eenzelfde gebeuren.’ Op de opening danste ze met de buren van Club Solo. ‘We eindigden als een collectief bewegend helmgras. De ruimte werd een oefenruimte voor de vormgeving van de samenleving.’

In het kader van Public Art Amsterdam gaan ze hiermee verder, nu in Amsterdam-Noord, waar Van der Lippe en Stuart leven en werken: het stadsdeel van kunst, gentrificatie, een groeiende kloof tussen rijk en arm – en steeds minder publieke ruimte waar kunstenaars mogen oefenen op het vormgeven van de samenleving. Inzet: het activeren van een gemeenschap, een nieuw wij, dat op gelijke voet mag spreken over de gebiedsontwikkeling met gemeente, corporaties en grote investeerders.

Van der Lippe (1961) en Stuart (1972) zijn nooit kunstenaars geweest die in hun atelier blijven zitten. In de zomer van 1999 legde Stuart de Elfstedentocht af terwijl hij een brandende kolenkachel op wielen voortduwde: een lopend vuurtje. Van der Lippe hield in 1996 haar eerste solotentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen. Maar een museum vond ze ‘een soort terminus, een eindstation’, stond er in NRC Handelsblad. ‘En als er één plaats is waar haar werk zich niet thuisvoelt, is het daar wel. (…) De vloer is bezaaid met vuilnis, er staan monitoren, er hangen extravagante kostuums, foto’s, brieven, “manifesten” over wat kunst zou kunnen zijn. (…) “Ik produceer geen plaatjes”, zegt ze. “Ik vind het niet belangrijk hoe een werk er uiteindelijk uit komt te zien. Ik maak middenwerken waar maar heel zelden een eindconclusie in zit.”’ De twee ontmoetten elkaar in 2005 op de manifestatie De stad als theater in Zwolle. Er bestaat een mooie foto van. Uit alle macht omhelzen ze samen de sculptuur Adam van Auguste Rodin. Sindsdien is het altijd zo gebleven: buiten, samen, liefdevol, ontregelend.

Ze noemen zichzelf vuilehandenkunstenaars. Op een zomerse woensdagmiddag tref ik ze aan op hun atelier in de X-Helling op de ndsm-werf in Amsterdam-Noord. De opslagruimte is tot de nok gevuld met oude posters, restanten van installaties, plattegronden, apparatuur uit de tijd dat hier scheepsonderdelen werden gemaakt. Op tafel liggen Building and Dwelling: Ethics for the City van Richard Sennett en Seeing Like a State: How Certain Schemes to Improve the Human Condition Have Failed van James C. Scott. ‘De ruimte hier omheen’, wijst Van der Lippe, ‘is bestempeld tot paarse zone: wel open maar niet publiek. Dat geeft mogelijkheden voor tusseninitiatieven, zoals een buitenwerkplaats. Zodat je het maken van werk kunt blijven zien. Zien scheppen doet scheppen. Leren door ervaren.’ Ze zegt het met een fijne glimlach, zich bewust van de ironie dat kunstenaars op wat ooit de grootste vrijplaats van Europa was nu weggeparkeerd staan op paarse zones.

De collectiviteit van de periode dat de eerste kunstenaars hier neerstreken, toen de scheepswerf er al jaren verlaten bij lag, is niet meer. Juist daarom is zo’n publieke oefenruimte voor Van der Lippe bittere ernst. ‘Men zou kunnen denken dat we alleen maar “verbinders” zijn, of “buurtsnoezers”. Maar we hebben nu een eeuw lang gehoord dat we elkaars concurrenten zijn. Dat heeft ons een uitgeputte aarde en wereldwijd veel wantrouwen opgeleverd. Het is hoog tijd voor onze grootste vaardigheid: een wij zijn.’

In Amsterdam staan twee grote evenementen over kunst en creativiteit in de stad op het punt te beginnen: WeMakeThe.City en Public Art Amsterdam. Het ene boycotten ze, aan het andere doen ze mee. Een week eerder hebben ze een stoer opgemaakte flyer rondgemaild. Kop: We$ellThe.City. Stuart: ‘We moeten uitkijken dat we niet de soldaten worden van een neoliberale voorhoede. Al onze mooie plannen worden gezien als mos op het beton. Dat moet weg. Maar mos leeft! Wij zitten klem tussen de staat en het bedrijfsleven. Waarom werken die zo goed samen? Omdat ze allebei heel ingewikkelde materie vertalen in dezelfde simpele formats.’

Van der Lippe, bijna synchroon, in net iets andere woorden, over hetzelfde: ‘Om een stad goed te maken moet je complexiteit omhelzen.’

Stuart: ‘Je hebt liefde en toewijding nodig, en mos, om mooie dingen in stand te houden.’

Van der Lippe: ‘Niemand denkt: misschien moeten we eens ophouden met al die nieuwbouw. Met al dat stadmaken. Op dit moment gaat het niet om de vraag of we ons gedrag een beetje moeten aanpassen. Een beetje duurzamer, een beetje socialer. We weten dat de poolkappen smelten. Over honderd jaar hebben we dijken van honderd meter hoog nodig. Het wordt tijd voor een maatschappelijke bucketlist. Welke wereld willen we nog zijn?’

Hun bijdrage gaat plaatsvinden in Noord. Op het Buikslotermeerplein, onlangs verkozen als de ‘spuugmooiste plek van Noord-Holland’. En in de Van der Pekbuurt, waar hun sociale huurwoning in 2012 de bijenkorf was van het bewonersprotest tegen de sloopplannen van Ymere. Het resultaat: geen sloop, maar renovatie – zij het dat niet meer dan dertig procent van de oorspronkelijke bewoners wilde of kon terugkeren naar hun fraai opgeknapte, maar nu ook duurdere woning. Stuart is nog steeds waarnemend voorzitter van de huurdersvereniging.

‘Onze favoriete plek in de buurt is Royalvis’, zegt Stuart. ‘Niet alleen omdat de vissoep er zo lekker is, maar ook omdat hij maar twee euro kost. Je bent er klant, voor je eten moet je betalen, dus vriendschap mag je het niet noemen. Maar ondertussen zit je er tussen Eritrese mannen en grote Noordse vrouwen in leggings. Je bent er in Marokko, in Dar es Salaam en tegelijk thuis.’

‘De afdeling vastgoed heeft nu eenmaal geen zachtroze kolom in de Excel-sheet voor de artistieke meerwaarde’

Van der Lippe en Stuart zijn samen met drie andere kunstenaars uitgenodigd door TAAK, een collectief dat kunstprojecten in het publieke domein initieert. TAAK houdt kantoor in de Tolhuistuin, die grenst aan de Van der Pekbuurt. Hier willen initiatiefnemers Theo Tegelaers en Petra Heck onder de noemer Social Capital artistieke vragen stellen bij de binnenrollende gentrificatie.

‘Dit gaat over de directe omgeving’, zegt Tegelaers. ‘Onze omgeving. Een buurt waarin je alle uitsluitingsmechanismen van de stad aan het werk ziet. Zulke mechanismen zie je in de kunstwereld ook. Hoe kun je kunst betekenisvol maken buiten de kunst? Als we ons in de kunstwereld opsluiten blijven onze projecten interessant, maar betekenisloos.’

Van der Lippe en Stuart weten dat voor kunst die verschil wil maken de onderhandelingstafel net zo belangrijk is als de werkplaats. Op hun website schrijven ze: ‘Het lijkt of de stad zich geen wereldbeeld meer veroorlooft en zich verschuilt achter de “neutraliteit” van economie, technocratie, efficiëntie en regelgeving. Kunst en winst en regels worden immers met een eigen elkaar uitsluitende logica gemaakt. Wanneer de meest kwetsbare waarde geen ruimte krijgt en niet beschermd wordt, wordt ze ook niet meer verkondigd en uiteindelijk: begrepen.’

Weinig kunstenaars zijn bereid zoveel tijd te steken in de bestemmingsplannen, gebiedsvisies en Excel-sheets van de opponent. ‘De afdeling vastgoed, de achterkant van de gemeentelijke januskop, heeft nu eenmaal geen zachtroze kolom in de Excel-sheet voor de artistieke meerwaarde’, zegt Van der Lippe. De heersende belangen in de arena van de gebiedsontwikkeling, onverstoorbaar en tot achter de komma doorberekend, hebben het kunstenaarsduo regelmatig tot waanzin gedreven. En toch zijn ze niet gesloopt.

Ze beginnen gewoon weer opnieuw. Van der Lippe beminnelijk glimlachend en Stuart met die onpeilbare grijns. De gemeenschap in de Van der Pekbuurt, die ze hielpen mobiliseren tijdens de protesten tegen de sloop, is intussen sterk veranderd en, vinden ze, een tikje ingeslapen. Tijdens Social Captial willen ze Noord weer in beweging zetten. ‘Laten we beginnen met fraternité’, zegt Van der Lippe. ‘Liberté is er al: we mogen spreken, geloven en kopen wat we willen. Met de egalité, gelijkheid voor de wet, komen we een heel eind. Fraternité beschouwen wij als het recht op verenigen.’

Een gedeelde publieke ruimte kan natuurlijk niet door enkelingen worden vormgegeven. ‘Alleen als partij mag je invloed hebben op beleidsvorming. Als individu ben je een bedelaar. In de strijd met Ymere hebben we geleerd: zodra de marktwetten in beeld komen hoor je opeens niet meer bij elkaar. Je raakt uit elkaar geslagen. Dus als we invloed willen hebben, dan zullen we nieuwe rechtsvormen moeten ontwikkelen. Het recht om coöperaties op te zetten die een deel van de financiering opeisen binnen de ontwikkeling van een buurt als de onze. Als we ervaren dat we samen macht hebben, raken we dieper aan elkaar gehecht. Gezelligheid alleen is niet genoeg.’

Hun werk gaat zich de hele zomer in de publieke ruimte afspelen, zowel de digitale als de fysieke. Het begint met een app waarmee buurtbewoners dagelijks berichtjes ontvangen over mogelijke vormen van ‘wij’: beelden, opdrachten, citaten. Kijk eens om je heen, wie draagt er nog meer een spijkerbroek? Als je van voetbal houdt, hoor je dan bij de fans of bij de hooligans? Speels, maar niet onschuldig. En zeker geen eenrichtingsverkeer. Iedereen in de buurt, de nieuwe en de oude bewoners, wordt uitgenodigd om wij-beelden bij te dragen. Het wordt een collectief kunstwerk. Alledaags auteurschap, noemen ze het zelf. ‘Wij moet je doen’, zegt Van der Lippe. ‘Onder de mensen. In alle openheid. Wij moet je zien. Als je een ander wij hebt, heb je ook een andere cultuur. De cultuur die we nu hebben is het gevolg van een bepaalde vorm van maatschappij. Kunst op zichzelf moet ook veranderen. Als kunstenaars helpen wij de overgang tot stand te brengen.’

In de vernieuwde Van der Pekbuurt ziet ze economisch racisme aan het werk. ‘Wit is ook een kleur. Dit was een gemengde buurt, maar kijk nu eens. Het is het voorbeeld van een buurt die volgens de wetten van de markt is ontwikkeld – en nu wit is. Dat is wat de dynamiek van de markt doet. En de minderheden die er verplicht moeten wonen, zoals de nieuwe statushouders, zijn etnische groepen op zware achterstand. Wat is dat voor wijk? De gemeente vindt het pijnlijk als je daarover begint. Maar het is wel de praktijk. Je krijgt pas een open stad als je erkent dat er buren zijn. Dat die anders zijn en dat je daarmee heel goed kunt dealen.’

Participatief zal het worden, het werk dat ze in Noord gaan doen. Onvoorspelbaar ook, omdat het pas ontstaat in samenwerking met iedereen die aansluit. De mensen die Van der Lippe en Stuart gaan mobiliseren – via apps, installaties, processies en performances – moeten een indruk geven van hoe je de uitgeputte aarde kunt redden, te beginnen in Noord. ‘Manifestaties van verschillende soorten wij. Met onervaren mensen, mensen die elkaar voor het eerst vinden.’ De nieuwe gemeenschap zal een stem moeten krijgen in de ontwikkeling van de buurt. Binnen of naast het bestaande systeem. En dan geven Van der Lippe en Stuart de verantwoordelijkheid door. ‘Want kunstenaars’, zegt Stuart, ‘hebben niet de taak om te repareren wat de overheid niet voor elkaar krijgt. Laat juristen, bestuurders, misschien pensioenfondsen onderzoeken hoe je kunt bestendigen wat dit oplevert. Je kunt niet van de precairen vragen het establishment op te voeden.’ En toch is dat precies wat het kunstenaarsduo doet. En zal blijven doen.


In Amsterdam-Noord zijn Stichting NDSM-werf en Framer Framed ook partner van Public Art Amsterdam