Opheffer

Moskou

Ik miste in Moskou het vliegtuig en kon daarom niet op tijd op het _Groene-_feestje zijn. Dat ik te laat op het vliegveld aankwam had als oorzaak de gigantische file in Moskou. Alle straten zaten vast. De 35 kilometer naar het vliegveld werden stapvoets afgelegd. Ik zag het drama al aankomen.

Moskou was trouwens totaal anders dan ik me had voorgesteld. Wat dacht ik eigenlijk? Wat waren de beelden in mijn hoofd? Ik meende een wat saaie stad te zullen ontmoeten, een stad die zich aan het ontworstelen was aan een donker verleden en waar niet veel mocht omdat Poetin nog steeds een vorm van dictatuur handhaaft. Maar ik kwam in een champagnefles terecht, en ik had het idee dat ik meemaakte dat er iemand aan de kurk zat te sjorren en dat die elk moment de lucht in kon vliegen. Moskou lijkt op Times Square. De nieuwe restaurants zijn prachtig, het voedsel is heerlijk, de wijnen komen uit Frankrijk en Italië en de eigenaars zijn veertigjarige miljonairs met een jonge blom aan hun zij.

‘Vind je het gek’, zei mijn Nederlandse tolk op het filmfestival, ‘we hebben de afgelopen zes jaar meegemaakt dat men vier keer meer is gaan verdienen. Iedereen denkt dat dit door Poetin komt, dus niemand is tegen hem.’

Het filmfestival zelf was ronduit ‘alternatief’. Kritische journalisten waren alom aanwezig. Ze hadden allemaal een hekel aan Poetin, maar vertelden ook dat de Russen hem adoreerden. Ik volgde een discussie. Een bekende Russische regisseur had een film gemaakt die alom waardering oogstte. Ik kon zijn naam niet oppikken, helaas. Nu was die regisseur een kennis van Poetin. Waarop een journalist zei: ‘Dus kan die film niet goed zijn.’ Ik vond dat een vreemde redenering en kwam aanzetten met Céline, die een antisemiet was, en toch prachtig kon schrijven. Het antwoord dat ik kreeg was: ‘Dat kan wel wezen – en dan moet iemand maar beroemd worden na zijn dood. Maar ik ga niets vriendelijks schrijven over een regisseur die een vriend is van Poetin. Zo’n man verdient geen aandacht.’ Met andere woorden: ze begrepen mijn standpunt en zagen misschien zelf ook wel in dat hun redenering niet klopte, maar dat deed er nu niet toe. Ik vond dat heel verhelderend.

Er waren enkele andere beroemde Russen op het filmfestival – belangrijke televisiesterren – en ik werd dan ook voortdurend voor hen gewaarschuwd. Niet dat ik niet met ze mocht praten, maar meteen werd tijdens het voorstellen verteld in welk kamp ze zaten. ‘Dat is Natasha Pimpelewopski, zij is de vriendin van Alexei Plofkop en die heeft een productiemaatschappij die werkt voor Weetnikski en dat is een zender die bestaat uit ja-knikkers van de regering.’

‘Can she act?’ vroeg ik dan.

‘No, of course not. She sleeps with Alexei, so he puts her in all his propaganda movies.’

Elke film van Alexei was overigens een propaganda movie, begreep ik.

Ik keek mijn ogen uit. Ik wist niet dat bijna elke straat in Moskou een P.C. Hooftstraat was. Ook merkte ik aan kleine dingen (vragen over commerciële films en het werken in Amerika) dat Amerikanen niet geliefd zijn. Ik vroeg aan een journalist: ‘Waarom haten jullie Amerikanen?’

Het antwoord was: ‘We haten ze niet, we vinden ze ongelooflijk dom.’

‘Waarom dan?’

‘Dat zie je toch. Wij waren tien jaar in Afghanistan. Dat was een debacle. En dan komen zij en denken dat ze het beter kunnen doen. Nou, je ziet het. En zo is het met alles.’

Eén vooroordeel heb ik nog steeds. Als je mij vraagt waar Russen nou echt van houden, dan is dat: eten, drinken en sentimenteel dansen.

Omdat er snel getrouwd wordt en trouwen tamelijk populair is, waren er steeds feestjes in mijn hotel. Daar werd niet gepraat, maar stil gedronken, men propte zich vol met eten en men ging vervolgens woordloos dansen. Zo’n trouwpartij had eerder iets treurigs dan feestelijks, vond ik.